Een doop, door een vrouw bediend...
1975-08-01
We hebben onlangs de bevrijding gevierd. Na dertig jaar.- Jaargang 19
- nummer 28
Hoe de gevolgen van de tweede wereldoorlog soms een kerkenraadstafel bereikten, daarvan vertel ik U nu. Een meiske van omstreeks twintig lentes had zich gemeld voor de openbare belijdenis en de toelating tot het avondmaal. Ze was geboren in wat toen nog Nedarlands-Indië heette, in een Jappenkamp. En het doopbewijs dat zij aan de goed Gereformeerde kerkenraad voorlegde was ook in dat Jappenkamp afgegeven.
En aangezien mannen en vrouwen in verschillende kampen' waren ondergebracht was zij - dat volgt reeds uit de wetten der natuur - in een vrouwenkamp geboren en eveneens in een vrouwenkamp gedoopt. Door een vrouw. Weliswaar door een dame, die voor haar gevangenneming als predikante aan een kerkelijke gemeente verbonden geweest was, maar dat maakte in de ogen van sommige broeders de mak alleen nog ingewikkelder: was daar in dat kamp een echte kèrk geweest en was een daar nog wel door een wouw bediende doop wel een dóóp?
Dat was de casus, waarmee opgemelde kerkenraad te doen kreeg. "An muller sit homo?', of sen vrouwmens wel een mens is? Voor sommige broeders was de zaak snel beslist: zo'n noodkerik in een Jappenkamp was geen kerk, en daar bediende 'doop' was geen doop, en dat die dusgenaamde doop door een vrouw was bediend maakte het geval alleen maar duidelijker.
Want dat laatste geldt sedert de dagen van Tertullianus (plm. 200) - die de kinderdoop verwierp een doop is volslagen ongeldig, wanneer vrouwen de· hand in het spel hebben gehad.
En dat is het gevoelen gebleven tot op de huidige dag... Enzou zat de kerkenraad met de handen in het haar. Net als het meisje. Dat meisje vond dat ze echt gedoopt was. Dat oordeel rustte niet zo zeer onbijbelse en confessionele gronden als wel op overwegingen van piëteit: haar inmiddels overleden moeder had er na haar geboorte in het kamp op gestáán dat zij de doop zou ontvangen.
Een (nood)gemeente wàs er, een voorgangster ook en aan water ontbrak het niet: wat verhinderde haar het meiske te laten dopen? En zo vond daar ie doopsbediening plaats: daar ie kinderen der gelovigen als lidmaten zijner gemeente niet behoren gedoopt te wórden, maar te wézen. En dat meisje dácht er niet aan zich nog eens te laten dopen; koosjer deze keer, in een gevestigde kerk en door een màn...
Ze kwamen er de eerste keer niet uit en de zaak zou op de volgende vergadering verder worden besproken. Die vergadering werd goed bezet.
De voorzitter, reeds op tijd achter de tafel gezeten, zag de zaal vollopen. En dacht aan de 'intocht der gladiatoren'. Het werd een verwarde discussie.
En de voorzitter liet dat maar op zijn beloop, hij stuurde uit de losse hand. De argumenten van het meisje vielen zo onder de tafel: dat waren maar geveelsargumenten.
Voorts zei de een dit en de ander wat anders, en de menigte was verdeeld...
Toen begon de voorzitter de teugels wat aan te halen. Hij catechiseerde een beetje met de broeders. Of het sabbatsgebod soms niet gold in het concentratiekamp?
'Dat de kerkendienst of het predikambt en de scholen onderhouden worden'? En of, de kerkendienst in zo'n aparte situatie ingesteld zijnde, ook dat andere deel van Zondag 38 niet van kracht was: 'dat ik tot de gemeente Gods naarstig Imme om Gods Woord te horen, de heilige sacramenten te gebruiken, God de Here openlijk aan te roepen... Ook dàt behoorde naar het oordeel der broeders te geschieden. En of dan niet daaruit volgde, dat een moeder in een vrouwenkamp voor haar daar geboren kind de doop behoorde te zoeken? De broeders gaven zich gewonnen. Toen stond de voorzitter voor de laatste barrière: of de doop in die omstandigheden wel bediend mocht worden door een wouw?
De praeses betoogde, dat in die situatie toch niet anders dan door een vrouw de dienst des Woords kon worden waargenomen.
En dat, indien een vrouw de boodschap mocht doen hóren, het toch ook niet ongeoorloofd kon zijn, dat zij doopte en avondmaal bediende en een 'Sichtbaerlijcke predicatie' hield?
De broeders konden daar weinig tegen in brengen, maar gewonnen geven deden zij zich niet.
Toen greep de voorzitter zijn Bijbel, en las het verhaal van Mozes. Hoe deze met vrouw en kroost terugkeerde naar Egypte: 'Onderweg nu in een nachtverblijf, kwam de HERE hem tegen en zocht hem te doden. Toen nam Zippora een stenen mes, besneed de voorhuid van haar zoon, raakte daarmee zijn voeten aan en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom. En de Here liet Mozes met rust.
Het was doodstil geworden. En de beslissing viel.
Bij de woorden: 'Toen nam Zippara een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon...'.
De kerkenraad was óm.
En het meisje deed belijdenis. Als gedoopt lid der gemeente