De uitnodiging tot een "overstap"
1975-08-08
In zijn artikel “De Chr. Gereformeerden en wij" - zie het voorgaande nummer van "Opbouw"heeft ds Brink het gehad over de uitnodiging tot een "overstapje" zoals die hier en daar van de Chr. Gereformeerde broeders naar ons toegekomen is. Ds Brink rekent deze uitnodigingsmethode kennelijk tot de zaken, die de onderlinge toenadering ànders doen verlopen dan wij het ons hadden voorgestelden ook hadden bedoeld.- Jaargang 19
- nummer 29
Ik ben dat helemaal met hem eens. Wèl geloof ik, dat we moeten trachten te begrijpen hoe het tot zo'n uitnodiging komen kan. Wat geeft de Chr. Gereformeerde broeders reden tot die uitnodiging? En ook: Wat geeft hun daartoe de vrijmoedigheid? Nu kan ik natuurlijk alleen maar uit eigen ervaring spreken. Toch ben ik, dacht ik, in die eigen ervaring iets op het spoor gekomen, dat van algemene betekenis is. Het is de moeite waard daarover iets meer te vertellen.
Aan één van de samensprekingen, die hier en daar gehouden zijn en die alle de mogelijke vereniging van de Chr. Gereformeerde- en onze kerken tot onderwerp hadden, heb ik ook magen meedoen. Bij, beide kerkenraden leefde de overtuiging, dat de eenheid een door Christus geboden zaak was. Oolk leefde onder ons sterk de gedachte, dat bijeen eventuele plaatselijke vereniging niet zou mogen worden geëist dat de eigen verbondenheid met de zusterkerken en de broeders en zusters in de kerken zou worden afgesneden en beëindigd. Een dergelijke eis zou - zoals het enigermate emotieneet werd geformuleerd - neerkomen op het doorsnijden van door de HERE gegeven familiebanden terwille van een nieuw huwelijk!
Toen dat in alle duidelijkheid was gesteld hebben de Ohr. Gereformeerde broeders o:ns gezegd, dat er dan eigenlijk geen mogelijkheid tot voortgang meer inzat. En toen volgde nog eenmaal van hu:n zijde de door ds H. Brink gesignaleerde uitnodiging tot een "overstap"., de vraag of het ons niet mogelijk zou zijn gewoon "en bloc" Chr. Gereformeerd te worden.
Hieruit was ons volledig duidelijk vanuit welke gedachte de uitnodiging werd gelanceerd. Er was echt geen sprake van een soort "kerkelijk superioriteitsgevoel' bij onze Chr. Geref. broeders. Ook niet van de doffe en harde onverschilligheid, die zich zo vaak verstopt in de briljante constatering, dat "onze kerkdeuren toch zeker voor u openstaan". Neen, zij konden niet over de kerkverbandelijke complicaties heenkomen! Dàt was de zaak! Zij durfden ons niet welkom te Heten met onze zusterkerkelijke "inbreng" en zo een kerkelijke verbondenheid te aanvaarden met kerken, die zelf (nog) niet vieren onder de eigen Chr. Gereformeerde kerkverbandelijlke "administratie".
“Gewoon Chr. Gereformeerd worden" betekende dus in feite het loslaten van alle in eigen kerkelijke kring ontvangen en aanvaarde gemeenschapsbanden en verplichtingen (van het aanvaarden van attestaties tot en met de samenwerking op zendingsgebied), In die uitnodiging tot de "overstap" ging het in feite om dat negatieve! Om het afsnijden van de zaken die het voor de Chr. Gereformeerde broeders zo gecompliceerd zouden marken!
Zo'n uitnodiging tot de "overstap" bevordert de onderlinge toenadering bepaald niet. Zij wekt al gaulW ergernis, In het voorgaande heb ik gezegd, dat de invitatie helemaal niet uit een "kerkelïjk superioriteitsgevoel" behoeft voort te komen. Dat mag dan waar zijn, maar...beschouwt men van Chr. Gereformeerde zijde ons kerk zijn toch niet al te zeer als een "inferieure zaak"? Waar haalt men de moed vandaan ons een verzoek te doen dat men zèlf geen ogenblik in overweging zou willen nemen? Voor hèn zou het een onmogelijkheid zijn de kerkelijke verbondenheid, die zij binnen het verband van hun kerken mogen genieten, op te geven. En wij zouden er ook niet aan denken dat van hen te vragen! Maar...mag het dan wèl aan ons en ván ons gevraagd worden?
Moeten wij dat offer dan maar wèl brengen?
Genoeg olm aan te geven dat er heel gemakkelijk wrijving ontstaat en dat wij de uitnodigingsvrijmoedigheid bij onze Chr. Gereformeerde broeders vrij vlug als vrijpostigheid beoordelen! lik dacht ook, dat onze Chr. Gereformeerde broeders dat moesten kunnen begrijpen.
Maar nu de hand weer gauw in eigen boezem! Zou het niet eens zo kunnen zijn, dat de Ohr. Gereformeerde broeders in alle eerlijkheid van mening zijn, dat het voor een plaatselijke gemeenschap van vrijgemaakten helemaal niet zo zwaar is de verbondenheid met de zusterkerken op te geven? Zouden zij niet in alle eerlijkheid kunnen denken, dat het voor óns inderdaad veel. lichter is dan voor hèn? Welke "image" hebben we op het gebied van de zusterkerkeIijke verbondenheid? Kunnen we het buitenstaanders van dichtbij en van veraf kwalijk nemen als ze de gedachte hebben, dat de verbondenheid tussen onze kerken hoofdzakelijk een "ideëel," karakter draagt? Dat onze verbondenheid in de Here, waarover wij grote en goede en ware dingen zeggen, erg veel heeft van een prachtig vliegtuig, dat blijft rondcirkelen omdat het geen permissie krijgt om te landen op de begane en begaanbare grond van de echte en werkelijke kerkelijke levenspraktijk?
Neen, u behoeft mij niet te vertelden, dat het toch echt nog wel anders ligt. We hadden dat anderen veel duidelijker moeten vertellen! De realiteit van onze verbondenheid, het "niet-platonische' van onze zusterkerkelijke liefde, had heel wat meer en heel wat duidelijker naar buiten toe moeten blijken! Als men het van onze conventsverslagen en conventsdebatten moet hebben...! Ik kan me dus echt wel voorsteden, dat een Chr. Geref. kerkenraad eerlijk van mening is, dat hijzèlf niet en nooit... maar dat wij "buitenverbanders" heel' gemakkelijk het offer van de kerkelijke verbondenheld kunnen brengen!
Een hoofdzakelijk ideëel verbonden zijn, waarbij de "idee" geen duidelijk omschreven “landingsrechten" heeft in de levenspraktijk! Kun je dàn inderdaad de partner niet ter wille zijn en alle formele complicaties door een eenvoudige "overstap" voorkómen?
Een volgende keer wil ik graag aangeven waarom de ons opgeplakte "image" fout is. Maar nu wil ik nog één maal vragen of wij er onschuldig aan zijn, dat men dit beeld van ons heeft ontworpen. Bij het wederzijdse begrip behoort ook de hand die in eigen boezem gestoken wordt.