Een boek van Dr. Woelderink (3)
1975-08-08
De "belofte" neemt een belangrijke plaats in in het leven des geloofs van de gelovigen en van heel de kerk van God. Het eerste woord dat God na de val van de mensen spreekt is een belofte. Het is de belofte dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen. Deze belofte is de openbaring van Gods genade die in Jezus Christus tot haar volheid zal komen. Ze wordt terecht de "moederbel!ofte" genoemd. In die belofte wordt ons Gods Vaderhart geopenbaard.- Jaargang 19
- nummer 29
Niet maar genoemd, besproken, maar geopenbaard! Dat wil zeggen: geschonken.
Deze belofte is de bron van alle andere beloften. Een grote, beslissende plaats in het leven van het volk Gods neemt voorts in de belofte die de HEERE aan Abraham gaf. We lezen die in Gen. 17 : 7: "Ik richt mijn verbond op tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn." Deze belofte is de belofte van het verbond, de verbondsbelofte, die de basis is voor de verhouding van liefde tussen de HEERE en het volk Israël. Deze belofte is geldend gebleven ook in de Nieuwe bedeling. In het Doopsformulier wordt ze geciteerd als grond voor de kinderdoop.
En Paarlus zegt nadrukkelijk dat deze belofte ook voor de Joden nu nog geldt. "Hunner, zo schrijft hij, is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbondenheid en de wetgeving en de eredienst en de beloften, (Rom.9: 5).
Woelderink heeft zich in het pas verschenen boek van hem: Verbond en bevinding - de bundeling van een aantal in verschillende tijdschriften en brochures gepubliceerde studiën - intensief met de belofte bezig gehouden. Met grote scherpte en klaarheid heeft hij het karakter en de functie van de belofte in het verlossingswerk van God in Christus gezien en getekend.
Heel het leven van Gods kerk in de oude en nieuwe bedeling" zo schrijft hij" wordt gedragen door Gods beloften en door het geloof in die beloften. Het heil Gods, de ganse verlossing die Hij in Christus tot stand wil brengen en ook metterdaad tot stand brengt draagt het karakter van een belofte. In die belofte van Gods barmhartigheid ligt geheel het verbond besloten waarin God met zijn volk wil leven en ook metterdaad leeft, Meestal gaat men bij het spreken over het verbond uit van de werkelijkheid daarvan om vandaar tot de beloften te komen die dan in het verbond begrepen zijn. Maar zo zet men de zaak op zijn kop! Het is namelijk juist omgekeerd!
We moeten beginnen niet uit te gaan van de belofte om vandaar te komen tot de werkelijkheid van Gods genade, tot de werkelijkheid ook van het verbond der genade. Als God tot Abraham zegt: Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw zaad na u in hun geslachten, dan is het niet zo dat we alleen volgende woorden: om u te zijn tot een God en uw zaad na u, met een belofte te doen hebben.
Neen, heel dat woord is een belofte van Gods barmhartigheid. Het is niet zo dat het verbond buiten die belofte staat en slechts beloften inhoudt, beloften in zich bergt. Neen het verbond zelf komt in de belofte naar ons toe. Het verbond heeft de vorm, het karakter van een belofte. Het verbond bestaat alleen, fungeert alleen, in en door die belofte en door het geloof in die belofte.
De strijd van de Hervormers met de Rooms-katholieke theologie ging juist over deze kwestie!
Zeker, die strijd ging ook hierom of de mensen uit de werken of uit de genade, en alleen uit de genade, gerechtvaardigd worden - sola gratia! Maar daarover ging het niet uitsluitend en zelfs niet in de eerste plaats. Het is immers zo dat Rome bereid is om de primaire rechtvaardiging alleen aan de genade toe te schrijven, aan Gods genade, met uitsluiting van alle werk! Daarom ging het niet alleen om de tegenstelling uit de werken of uit de genade.
Neen, de tegenstelling met Rome ging ten diepste over de vraag of de rechtvaardiging tot stand komt uit de werken of uit het geloof. Het ging, anders gezegd, niet in de eerste plaats over de vraag naar de bron der rechtvaardiging maar over de weg waarlangs, de manier waarop die rechtvaardiging tot stand komt. Rome wilde zonder bezwaar toestemmen dat het uiteindelijk Gods genade, in de zin van Gods gloedgunstige gezindheid, is die de grond is van de rechtvaardiging der zondaren,') Maar Rooms-katholieken en Reformatoren gingen radicaal uiteen bij de vraag hoe die rechtvaardiging geschonken werd.
De Roomse Kerk wilde namelijk beslist niet weten van een schenking .van de rechtvaardiging aan de goddelozen in en door de belofte.
Zij wilden alleen weten van zo'n schenking als van een daadwerkelijke mededeling van Christus' rechtvaardigheid aan de goddelozen. Zo dat de christen "werkelijk" gerechtvaardigd wordt.
Dat "daadwerkelijke" vatten zij dan op in de zin van een mededeling van die rechtvaardiging door het "instorten van genade" - de bekende "gratia infusa" waarover de Roomsen graag spreken - en die door de sacramenten wordt tot stand gebracht. Daartegenover beleden de Reformatoren dat ons de gerechtigheid van Christus uitsluitend en alleen geschonken wordt in de belofte van het Evangelie. En dat zij daarom alleen ons deel wordt door het geloof. Noch Luther, noch Calvijn wisten op dat punt van toegeven. In het sola fide, het "alleen door het geloof", lag en ligt de kern van het verschil tussen Rome en de Reformatie wat betreft het deel krijgen aan de rechtvaardiging, aan de verlossing. Kortom: aan heel het heil in Christus.
Zoals gezegd wordt niet alleen de rechtvaardiging - de vrijspraak van zonde en schuld - maar al het heil ons geschonken in de belofte. Heel het verbond, met alle weldaden daarvan dat wil zeggen, het volle heil: wedergeboorte, heiliging, volharding, het eeuwige leven worden ons in de belofte des Evangelies geschonken en door het geloof ontvangen. De Heidelbergse Catechismus leert nadrukkelijk dat wij daaraan door het geloof - en dat wil zeggen: door de belofte - Christus en al zijn weldaden deelachtig' worden.
Door deze woorden wordt het lieven van Christus' kerk en van de gelovigen over heel doelinie getypeerd als een lieven der geloofs en dus als een leven uit en door de belofte.
In art. 35 van die Ned. Gel. Bel. belijdt de kerk: "Nu hebben degenen die wedergeboren ûjn in zich tweeërlei leven: het éne is lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij- van hun eerste geboorte medegebracht hebben en alle mensen gemeen is; het andere is geestelijk en hemels, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, dewelke geschiedt door het Woord des Evangelies - die door de belofte in de weg des geloofs - in de gemeenschap des lichaams van Christus."
Hetzelfde belijdt de kerk ook als zij zegt - in art. 24 der Ned. Gel. Bel. - "dat het waarachtig geloof, in de mens gewrocht zijnde door het Woord Gods en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens, en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde." Ook hier 'wordt weer uitdrukkelijk gezegd dat het ganse heil door de mens wordt ontvangen door middel van het Evangelie, de belofte, in de weg des geloofs,
Het karakter van de belofte wordt bijzonder duidelijk als wij letten op het verschil in de waardering van het Woord Gods tussen de Rooms-katholieken en de Reformatoren.
De Reformatoren voerden ten opzichte van de Rooms-katholieke kerk geen nieuw "Schriftprincipe", geen nieuwe ”inspiratieleer" in. De Rooms-katholieken aanvaardden ook van harte de Heilige Schrift als het geïnspireerde, onfeilbare, gezaghebbende Woord van God. Maar de Reformatoren zagen de betekenis, van hei Woord, de functie daarvan in het verlossingswerk Gods in Christus geheel anders. De Rooms-katholieken zagen het Woord als betrouwbare mededeling omtrent God en zijn werk en voorts als regel om naar te leven.
Daarin gingen de Reformatoren geheel met hun Rooms-katholieke opponenten akkoord.
Maar tegelijkertijd waren zij van oordeel dat de eigenlijke, de unieke betekenis van dat Woord en andere was, méér was. De Reformatoren zagen die typische, unieke betekenis daarin, dat God in Christus door de Geest in het Woord de vergeving der zonde, het eeuwige loeven, ja, Zichzelf schenkt; dat het Woord naar z:ijn speciale aard het heil "bevat"; dat dat heil in het Woord voor de mensen een gestalte krijgt: daarin aan hen wordt geschonken en daarin ook door hen in de weg des geloofs wordt ontvangen en "bezeten".
Dit is het essentiële van de opvatting van het Woord bij de Reformatoren. Het ging daarin dus vóór alûes over de wijze waarop God zijn genade schenkt: sola fide - alleen door het geloof -, dat onlosmakelijk verbonden is aan het solo verbo Spiritus Sancti - alleen door het woord van de Heilige Geest. M.a.w.: de Reformatoren zagen het Woord vóór alles als BELOFTE.
Ik zal nooit vergeten met hoe grote verbazing ik voor ongeveer veertig jaar begon in te zien hoe Calvijn over het Woord Gods oordeelde. Het was als een openbaring voor mij.
Ik zal één uitspraak een zeer typerende, hier weergeven. Het is er een uit het prachtige "Kort Tractaat over het Heilig Avondmaal" dat de jonge Calvijn schreef en waarin hij een “consensus", een overeenstemming, nastreefde tussen de Avondmaalsopvatting van Luther, Zwinglä en hemzelf. In dat Tractaat leest men o.a. het volgende.
"De ganse Schrift zegt ons, dat het geestelijke brood, waardoor onze zielen worden onderhouden, datzelfde Woord is waardoor de Heere ons deed wedergeboren worden; maar zij voegt er tevens de reden daarvan aan toe: namelijk het feit dat Jezus Christus, die alleen ons leven is ons daarin wordt gegeven en toegediend (nous est donné et administré), Want wij moeten niet menen, dat er ergens elders lieven is dan in God. Maar precies zoals
(tout ainsi) God alle volheid van Ieven in Jezus heeft gegeven, om ons dit door Hem deelachtig te doen worden, precies zo (ainsi) heeft Hij ook zijn Woord als middel verordineerd, waardoor Jezus Christus ons met al Zijn genadegaven wordt geschonken."
Dit is een uitspraak om tien maat over te lezen, ja uit het hoofd te leren! Calvijn zegt hier immers het volgende:
1. Het ware leven, het volle tijdelijke en eeuwige - heilil is in God.
2. God heeft de volheid van dit leven aan Jezus Christus gegeven om dat ons deelachtig te maken.
3. Precies zoals God nu het leven, het heil, aan Christus heeft gegeven, heeft Hij het Woord verordineerd om ons daardoor Jezus Christus met al zijn genadegaven te schenken.
4. Door dat Woord waardoor Jezus Christus ons geschonken wordt worden wij voorts wedergeboren.
5. Dat Woord is ook het geestelijk brood waardoor wij dagelijks gevoed worden.
Dit affiche wordt bedoeld als de Dit alles wordt bedoeld als de Schrift spreekt van de belofte, of het Evangelie, of de belofte van het Evangelie. En over deze belofte schrijft Woelderink op prachtige, Schriftuurlijke wijze in al zijn werken en speciaal ook in het boek dat we hierboven noemden.
Noten
1) De Roomse theologen onderscheiden tussen de genade als goddelijke goedgunstige gezindheid, de eeuwige genade en de geschapen genade. De eerste is de achtergrond van al het heil. De tweede wordt door de sacramenten geschonken, dat is de ingestorte genade, de gratia infusa.