De les der Schepping
1976-01-30
• Wie breng je daarvoor mee?- Jaargang 20
- nummer 5
Wie het tweede deel van het boek Jesaja voor zich neemt, moet goed opletten. Want Jes. 40 begint weliswaar met een brede armzwaai vol troost, maar dit eerste hoofdstuk loopt uit op een levensgroot verwijt. Dit verwijt: waarom zegt gij (dan), 0 Jacob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de HERE verborgen en mijn recht (!) gaat aan mijn God voorbij?
Vergeet niet: het goede nieuws van de terugkeer is onwaarschijnlijk, gaat tegen alle berekening in.
De dag van onze bevrijding na vijf jaar bezetting was voor ons al onwezenlijk - en wij zagen het nog wel aankomen. Hoeveel te meer- dan voor Israël als het zo'n vijftig tot zeventig jaar is gedeporteerd? Ze zeggen het trouwens zelf: het was een droom (Ps. 126). En dromen zijn meestal bedrog.
God heeft op zo'n reactie gerekend.
Tussen het vrolijke begin en het onbezorgde slot van het eerste thema (vs. 1-11) is al een ander thema ingeschoven: alle vlees is als gras ... (vs. 6-8). Je hoort Israël al denken: het rijk van Meden en Perzen soms ook? Wie dat gelooft is gek ... Of, aan het adres van Gods heraut: wie denk je daarvoor mee te brengen?
• De belangrijkste Factor
Wat deze enthousiasteling zegt, lijkt op een fata morgana. En daar geloven ze niet (meer) in. Ze zien het nog niet gebeuren. Ze letten op de keiharde feiten (Ps. 120). Maar daaruit blijkt wel hun instelling. Want God valt niet buiten "de feiten". Integendeel, Hij is de Factor die je niet buiten rekening kunt laten, of je wilt of niet.
Daarom gaat de Maker (Factor) van Israëls geschiedenis zijn volk eerst maar weer eens catechisatie geven.
Met vragen die Hij zelf stelt en beantwoordt: wie mat de wateren met zijn holle hand ... ? Met wie dan wilt gij God vergelijken ... ?
Weet gij het niet ... ? Wie heeft dit alles geschapen ... ? (vs. 12-28).
De thorah komt op tafel, oude kennis wordt opgehaald. God geeft zijn volk weer onderricht en begint met het abc van "de boeken van Mozes". Zulk onderricht, ook inzake Genesis 1, staat niet los van- maar begint vanuit de omringende werkelijkheid.
Israël kijkt naar de feiten, vertaal maar: mensen, volken, machten, de afstand tussen Babel en Jeruzalem, de woestijn, de bergen. Ik hef mijn hoofd op naar de bergen ... Maar wat de "heidenen" van Rom. 1 niet doen, doet Israël ook niet ... ziende zijn ze blind, ze concluderen, hoewel zlj God kènnen, uit het geschapene niet tot "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" (Rom. 1 : 20). Dom, maar (nog altijd) waar ...
• Vergelijkingsmateriaal ...
Vandaar de les, aangepast aan de praktijk. Uitgaande van de wateren, de hemelen, het stof der aarde en de zwaarwegende bergen.
Vervolgend met de volken (daar hadden ze toch zo'n ontzag voor?). Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer, een stofje aan een weegschaal. Met een conclusie: alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hém (niet door Israël) beschouwd als nietig en ijdel.
Met wie valt God nu voor Israël te vergelijken? Ook die vraag hangt niet zomaar in de lucht.
Weer is de les aangepast aan de praktijk, aan wat hun dagelijks letterlijk voor ogen staat. Hoor maar: een vakman giet een beeld ... Ja, als zo'n god, zo'n denkbeeld van God, je houvast moet zijn, staat 't er treurig voor.
Dan kun je zo'n boodschap als van Jes. 40 eenvoudig niet geloven: onzin, dagdromerij, de wens als vader van de gedaante.
Want Babels goden moeten door mensenhanden gedragen worden - Bel, Nebo. Wie op hén vertrouwden - Bel-sazar, Nebukadnezar - zijn aan hen gelijk gemaakt. Luister maar: Bel is ineengezonken, Nebo is terneergeslagen, hun beelden liggen ter aarde tussen het grazend vee (Jes. 55 : 1 v.). En waar zijn Nebukadnezar en Belsazar?
De kundige vakman richt een beeld op dat niet wankelt ...
Maar het rijk, dat deze goden moeten beschermen, wankelt en stortte ineen.
• Het simpele leer-stuk ...
En dus weer terug naar de les (weet gij het niet?) en nu toegepast op de bewoners der aarde: Sprinkhanen, meer niet. Machthebbers?
Het ingelaste thema (vs 6-8) keert terug: "als de adem des HEREN daarover waait".
God heeft nog niet meer te doen dan even te blazen: zij verdorren en een stormwind neemt ze op als stoppels (vs 23, 24). Niet meer dan gras, een bloem der steppe.
Verdord en voorgoed verdwenen.
En terug keert de vraag, met nog grotere klem: met wie dan wilt gij Mij vergelijken ... ? En opnieuw klinkt een stem: heft dan uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij die het heerleger daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept ... Zo had ook vader Abram leren "sterren kijken" (Gen. 15 : 5). Een heel oude les dus, echt nog het abc. Israël mocht echt wel zijn schoolgeld gaan terugvragen.
Wie ... ? Maar dan wel even dóórdenken. Want de pointe komt nog. In de vorm vaneen rechtstreekse, onomwonden, onthullende vraag: waarom zegt gij dan, o Jacob, ... : mijn weg (bestaan) is voor de HERE verborgen? Of God zijn mensen ook door heeft ...
Hij kan gedachten lezen ...
• ... en wat je dáármee doen kunt!
Niettemin, met voorbijgaan aan Israël's gespeelde onschuld, vraagt God verder: weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Was de oude profetie van ... Jesaja (2 Kon. 19: 20-25 e.v.) dan aan dovemansoren gesproken? Wie en wat is nu hún God? Een eeuwig God is de HERE, Schepper van de einden der aarde. Opnieuw de Schepping in het kader van de verlossing en niet "sec" als een leerstuk. Aan zijn kracht en zijn verstand is geen einde - ziedaar (mede) de beschrijving van "een eeuwig God". Terecht mag herinnerd worden aan Paulus, die de les van Jes. 40 verstáán heeft (let op het citaat!): 0 diepte des rijkdoms ... (Rom. 11 : 33-36).
Maar mocht Israël zover nog niet zijn, en alsnog vragen: wat koop je ervoor?, luister dan verder: Hij geeft den moede kracht ... Wat een milde, barmhartige benadering!
Zou een mens niet moe worden van de raadsels van het leven (zoals Habakuk), van de ellende en de tegenslag - zelfs als je die je zelf op de hals hebt gehaaid (vs. 2)? Daar ga je toch kapot aan?
Accoord - maar God weet ervan.
Moeten ze, geestelijk (Ps. 120) en lichamelijk uitgeput, dan straks ook nog (even praktisch gesproken) die lange tocht terug maken?
Nu, dan komt de overtreffende trap van Gods Woord troost en bemoediging, in de vorm van een paradox: jongelingen worden moede en mat ... Néé, zeg je dan: der jongelingen sieraad is hun kracht (Spr. 20 : 29). Dát zijn de lui met conditie. Niettemin: al raken zelfs dié knapen uitgeput ...
wie den HERE verwachten en 'gespannen naar Hem uitzien, die gaan op arendsvleugelen! Die kómen er, met dit Gods-beeld voor ogen dat God hun zelf geschilderd heeft: zij gaan (Ps. 84!) van kracht tot kracht steeds voort - elk hunner zal in 't zalig oord van Sion haast voor God verschijnen ... Dacht u dat die les, na nog zoveel volgende hoofd-stukken, in onze tijd herschreven moet worden? De dichter van Ps, 19 zag "de Schepping"
en het alledaagse leven niet zover uit elkaar liggen: de hemelen vertellen Gods eer ... de wet (thorah) des HEREN is volmaakt!