Daniël 7 (vervolg)

1975-08-15
  • Jaargang 19
  • nummer 30
De hemelse vierschaar Voor het verstaan van Daniël 7 zijn de verzen 9-14 van bijzonder belang. In scherpe tegenstelling tot het drukke en angstaanjagende gebeuren op aarde ziet Daniël een groots en majestueus gebeuren in de hemel. De koninklijke hofraad is vergaderd en God zelf neemt plaats; een zeer eerbiedwekkende verschijning, Wiens grijze haren Hem tooien met een sierlijke kroon van wijsheid (zie Spr. 4 : 9; 16: 31). Gekleed in smetteloosheid en omringd door laaiend vuur vertoont Hij Zich te midden van Zijn talloze dienaren. Het vonnis wordt geveld naar hetgeen in de boeken staat geschreven en dat betekent het einde van alle aardse geweld.
Het vierde meest schrikwekkende dier, wordt vernietigd door de van God uitgaande vuurgloed en aan de drie andere dieren wordt hun macht ontnomen.
Een belangrijk stuk van dit gezicht is zonder meer duidelijk. Hoe sterk aardse machten zich ook maken, hoeveel onheil ze ook stichten, hoezeer ze zich verheffen op hun grootheid, voor de HERE God zijn ze als niets. Zie, God staat opde' strijd is uit! En Gods overwinning komt niet dááruit voort, dat Hij de sterkste is en alle tegenstand neerslaat. In dat geval zou er geen wezenlijk verschil zijn tussen mensenheerschappij en Gods heerschappij.
Maar Hij oordeelt een rechtvaardig oordeel. De vierschaar heeft vonnis geveld, naar hetgeen in de boeken geschreven staat. Van de HERE geldt het woord: Niet op bruut geweld hebt G'uw macht gesteld. Gij, oKoning zegt: Ik bemin het recht.
Niet het recht van de sterkste is beslissend, maar de sterkte van het recht bepaalt tenslotte de loop der historie.
Toch blijven er bij alle duidelijkheid op dit punt, nog wel wat vragen over. De belangrijkste daarvan is wel de vraag naar de tijd van dit vonnis over de wereldmachten.
Naar veler oordeel is in Daniël 7 sprake van het grote eindgericht ..
Van de vier grote dieren, die Daniël te zien kreeg, moeten er dan drie worden opgevat als wereldrijken met een vrij beperkte duur, b.v. Babel, Perzië en Grieks-Macedonië, terwijl het vierde dier met zijn tien horens het Romeinse wereldrijk zou voorstellen, dat dan· zijn voortzetting zou vinden in alle heersers, die met eenzelfde geest zouden zijn bezield. De elfde horen van dit dier verzinnebeeld dan de laatste machthebber aller tijden, die als Antichrist de afsluiting zal zijn van alle mense1ijke zelfverheffing en machtontplooiing.
Anderen evenwel zijn van mening, dat het niet aangaat het vierde dier te zien als vertegenwoordiger van een groot aantal wereldmachten, die dan op een toch wel heel kunstmatige onder dezelfde noemer worden gebracht door ze te bezielen met de geest van het Romeinse rijk waarbij dan die Romeinse geest van heel andere geaardheid zou zijn dan de geesten van vroegere wereldmachten. Zij denken bij voorkeur aan het rijk van de Seleuciden, waarvan bijzonder koning Antiochus Epifanes - de elfde horen - blijkens de boeken der Makkabeeën op schrikbarende wijze zich tegen Israël heeft gekeerd.
Over het verderf dat Antiochus op ontstellende wijze heeft aangebracht, wordt in het volgende hoofdstuk op niet te miskennen wijze gesproken. Bij de bespreking van dat bijbelgedeelte zal uitvoeriger worden uiteengezet hoe groot in zijn dagen voor Israël de benauwdheid is geweest. Het zou wel wonderlijk zijn wanneer over die tijd van verdrukking in dit zevende hoofdstuk geheel zou worden gezwegen. Deze gehele periode zou dan slechts een onderdeeltje zijn van de heerschappij van het derde dier, waarvan slechts wordt meegedeeld: Aan hem werd heerschappij gegeven. En nog wonderlijker wordt het wanneer gezegd wordt, dat Antiochus Epifanes het Oudtestamentische type is van "de Antichrist". Immers in hoofdstuk 7 is over dit type dan niets te lezen, maar daar wordt zonder enige voorbereiding een figuur uit de verre eindtijd ingevoerd; in hoofdstuk 8 komt dan het type ter sprake, zonder enige verwijzing naar "de Antichrist". En op geen enkele wijze wordt er tussen deze beide verband gelegd. Daarom lijkt het weinig waarschijnlijk, dat met het vierde dier een duizenden jaren durende reeks van steeds wisselende heersers en rijken wordt aangewezen.
Veeleer hebben we ook bij dit dier te denken aan een macht, die evenals de drie anderen voor ons reeds tot het verleden behoort. Een bevestiging van deze opvatting is m.i. te vinden in de verzen 13 en 14.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief