POTVERTEREN
1976-02-06
Een leuk spelletje, uit de tijd dat er nog gespaard werd. Een dub maakte een gezamenlijke spaarpot. Elk der leden stortte daar wekelijks of maandelijks zijn aandeeltje in. En eenmaal per jaar ging de club de spaarpot omkeren, de pot verteren, opmaken. Na afloop was er niets van over dan de leuke herinneringen en de vurige wil om van voren af aan te beginnen.- Jaargang 20
- nummer 6
Vandaag is de spaarzin sterk gedaald. Er is een lelijk gezegde, dat eerst fluisterend uitgesproken - maar vandaag van de daken gepredikt wordt: je spaart je arm, maar je leent je rijk. En hoewel het sparen nog lang niet tot het nulpunt is gekomen - het is dikwijls het "sparen achteraf", het afbetalen van reeds genoten goederen en diensten.
Maar het potverteren gaat door. "Het is zorgwekkend", schreef het dagblad Trouw onlangs, "dat in het maatschappelijk debat de belangstelling voor verdelingsvraagstukken thans bijna allesoverheersend is en de produktieproblemen veelal worden verwaarloosd". "Alsof datgene wat verdeeld moet worden vanzelf ontstaat en niet door voortdurende inspanning en slagvaardig reageren moet worden verkregen".
De Telegraaf gaf onlangs het "sprookje van de kleine rode hen". Het is volstrekt geen sprookje - maar een fabel. En als u hem niet hebt gelezen moet u dat alsnog doen.
Er was eens een kleine rode hen, die lekker liep te scharrelen op een boerenerf. Op een dag vond zij een paar graankorrels. Zij riep haar buren erbij en zei: "als we deze tarwe zaaien, hebben we later brood om te eten. Wie wil mij met het zaaien helpen?"
Ik niet, zei de koe.
Ik niet, zei de eend.
Ik niet, zei de zeug.
Ik niet, zei de gans.
Dan doe ik het zelf wel", zei de kleine rode hen. En zij hield woord.
De tarwe kwam prachtig op en rijpte tot goudgeel koren.
"Wie wil mij helpen oogsten?", vroeg toen de kleine rode hen.
Ik niet, zei de eend.
Dat valt buiten mijn bevoegdheden, zei het varken.
Dat is te min voor een chef, zei de koe.
Ik zou mijn werkloosheidsuitkering verliezen, sprak de gans.
"Dan doe ik het zelf", antwoordde de kleine rode hen. En zij hield woord.
Tenslotte was alles klaar om brood te gaan bakken.
"Wie wil mij helpen?", vroeg de kleine rode hen.
Dat zou overwerk worden, zei de koe.
- Ik zou mijn bijstandsuitkering kwijtraken, mopperde de eend.
- Ik ben een drop-out; ik rook liever hasj, trouwens ik heb nooit iets geleerd, gromde het varken.
- Moet ik nu als enige helpen bakken? protesteerde de gans; dat is discriminatie.
"Dan doe ik het zelf wel", antwoordde de kleine rode hen.
Zij bakte vijf prachtige broden en toonde die trots aan de buren. Die wilden er allemaal wel een stukje van hebben, ja, zij eisten zelfs een rechtmatig deel. Maar de kleine rode hen zei: "Niks hoor. Ik kan ze best alle vijf op".
Walgelijke woekerwinst, gilde de koe.
Kapitalistische uitzuiger, riep de eend.
Ik eis gelijke rechten, schreeuwde de gans.
En het varken knorde boos!
En de dieren schilderden demonstratieborden met het woord "hebberd" er op en liepen alsmaar in kringen rond de kleine rode hen, terwijl ze haar lelijk uitscholden.
Toen er een vertegenwoordiger van de regering kwam kijken, zei hij tegen de kleine rode hen: "Je moet niet zo gulzig en hebberig zijn".
"Maar ik heb het brood helemaal zelf verdiend", zei de kleine rode hen.
"Precies", zei de man van de regering, "dat is het prachtige systeem van het vrije ondernemerschap: iedereen op het erf hier mag net zoveel verdienen als hij zelf wil. Maar onze nieuwe voorschriften bepalen wèl, dat de werkende arbeiders de opbrengst moeten delen met hen, die niet werken".
En zij leefden allemaal lang en gelukkig.
Ook de kleine, rode hen, die alsmaar liep te kakelen: "Ik ben dankbaar, 0, wat ben ik dankbaar".
Maar haar buren vroegen zich wel eens af, waarom ze nooit meer van dat lekkere brood bakte.
Met dit sprookje, beter gezegd fabel, is vrij duidelijk gemaakt waar het vandaag op aankomt. Want niet alleen wordt het sparen zeer bemoeilijkt (gemaakte rente wordt fiscaal belast); en niet alleen wordt het lenen bevorderd (betaalde rente geeft fiscale voordelen). Maar ook wordt de onderneming tot het uiterste belast en neemt het nationale potverteren angstwekkend toe. Een op de vijf arbeiders geniet momenteel van sociale voorzieningen; soms schommelt het ritme naar een op vier. De zwarte geldstroom, dat is de miljardenstroom, die aan het wakend oog van de fiscus ontsnapt, neemt chaotische omvang aan. De belastingdruk - zo is onlangs de minister van financiën voorgehouden - werkt het zwarte loon in de hand en is dolgedraaid. Met sterke drukvermindering zouden dezelfde belastingopbrengsten haalbaar zijn.
De topfiguren van negen nationale bedrijven, samen goed voor zo'n 1.1 miljoen werkers, hebben zich in een leesbare brief tot de ministerraad en het parlement gewend. Zij spraken hun diepe bezorgdheid uit over de Nederlandse volkshuishouding. Buiten de parlementaire weg om trachtten zij de regering te bereiken, opdat deze het roer zou omgooien: meer aandacht schenken aan het nationale product - minder aandacht aan het potverteren.
Dat is een merkwaardige zaak. Tot nu toe kon de regering kennisnemen van jaarverslagen en uitspraken uit de ondernemerswereld. Naast het politieke begrotingsdebat bestond de figuur van de president der Nederlandse Bank, die elk jaar een onafhankelijk oordeel over de nationale economie placht te geven. Binnen de volksvertegenwoordiging waren er de min of meer deskundige sprekers, die hun aandeel aan de regeringseconomie bijdroegen, Maar dat een groepje grote ondernemers, gedrongen door de nood der tijden, de regering in een open brief aanspreekt, is uniek bij mijn weten.
De reacties zijn niet erg moedgevend. Een van de brutaalste partijbonzen kraaide meteen: de zoveelste poging, om het kabinet-den Uyl de nek om te draaien! En, hoewel sommigen iets van de diepe zorg der ondernemers verstonden, spraken anderen: de heren moesten ons eens garanties geven voor voldoende arbeidsplaatsen, in plaats van aan winst te denken.
En zo worden de bordjes precies verhangen. Winst wordt als een onzedelijke zaak beschouwd. Hoewel winst, economisch gezien, nog altijd het rapportcijfer van de ondernemer voorstelt. En arbeidsplaatsen (bezet of niet bezet, met ijverige of met trage werkers - het doet niet meer ter zake) worden als het hoogste goed beschouwd, Als de ondernemer geen arbeidsplaatsen garandeert, wil de regering niet luisteren. Maar de moeilijkheid zit daar: dat, als de regering niet naar dit noodsein luistert, zowel de winst als de arbeidsplaatsen verdwijnen. En zowel ijverige arbeiders als degenen, die van de sociale voorzieningen leven, staan straks wellicht met lege handen.
Dat durven de rooie rakkers hun partijleden niet te vertellen. Daarom blijven ze potverteren. Daarom blijft het bij brood en spelen. En wie niet werkt - mag tóch wel eten. Zo is de wet: dat de werkende arbeiders de opbrengst moeten delen met hen, die niet werken.
U kunt tenslotte vragen: hoe lang gaat dat potverteren door? Want in de "goede oude tijd" ging men huiswaarts, wanneer de pot op was. En: vandaag zingen we: we gaan nog niet naar huis, nog lange niet. Het antwoord luidt: de pot is al lang op. We hebben de pot van onze kinderen al verteerd. En we zijn nu - langs de weg van nationale leningen en begrotingstekorten - bezig de pot van onze kleinkinderen op te maken.
Hoeveel geslachten dit kan doorgaan? Daar is nog geen voldoende ervaring op dit punt, om gegronde voorspellingen te verrichten. Maar voorzover het zich laat aanzien gaat de kruik zo lang te water, tot zij barst. En dan horen we het wel.
Ik geloof, dat het de eerste opgave van christenen is: zich onbesmet te houden van deze ondergaande wereld. Maar de vrijheid, de gelijkheid en de broederschap van deze wereld ... zijn zaken, waarmee Gods volk liever niet gezegend wordt .