Boekbespreking
1976-02-06
Dr G. A. de Leeuw, Kinderen van de rekening. Christelijk onderwijs: een taak voor ouders en docenten.- Jaargang 20
- nummer 6
Uitgave Kok, Kampen.
Prijs f 9,90.
Dr De Leeuw is rector geweest aan een middelbare school. Hij schrijft echter alsof hij nog dagelijks midden tussen de jongelui staat. Zijn betrokkenheid tot de jeugd, zijn vermogen in te voelen in wat haar bezielt en beweegt, en de bewogenheid waarmee hij de vragen en problemen van jonge mensen beschrijft en beantwoordt bewijzen dat hij nog volledig naast ze staat.
Dat blijkt ook wel uit de titel: KINDEREN VAN DE REKENING.
Met hen bedoelt hij de schooljeugd van de middelbare scholen.
Daarover zegt hij het volgende: "In kerk en maatschappij worden vele vragen gesteld, komen vele problemen aan de orde, waar vorige generaties aan voorbij gegaan zijn. En juist deze zijn in een wirwar van informaties via boeken en brochures, pers, radio en tv. steeds meer in het centrum van de belangstelling komen te staan, En deze zijn van zó uiteenlopende aard, spreken elkaar in en buiten de kerk zó grondig tegen, dat er weinig minder dan een doodgevaarlijke crisis losgebroken is. De kerken kunnen niet veel leiding geven, want kerkeraden, classes en synodes zijn niet altijd eensgeestes, en àls zij dat al zijn: van een-en-dezelfde mening zijn zij maar zelden, Zij komen derhalve met moeite en pijn tenslotte tot antwoorden, die dertig of zestig jaar tevoren gesteld zijn.
Maar inmiddels heeft de door techniek en medische wetenschap op drift gekomen maatschappij al weer totaal andere kwesties aan de orde gesteld: homofilie, abortus, euthanasie, nucleaire bewapening, verantwoordelijkheid voor onderontwikkelde gebieden etc.
Ouders en school hebben te maken met kinderen en leerlingen, die nu onze school bevolken of deze nog niet zo lang geleden verlaten hebben.
Naar hen moet de grootst mogelijke zorg van ouders en school uitgaan.
Zij zijn immers - méér dan alle generaties die vóór hen waren het kind van de rekening, van de onbetaalde rekeningen, die kerk en kerken nu eenmaal tegelijk gepresenteerd worden. De aloude vragen, die mensheid en Kerk van alle eeuwen zich telkens en telkens weer gesteld hebben, komen óók op hen af: wat de zin van ons bestaan is, in hoeverre ons lot en leven bepaald is, in hoeverre we van menselijke verantwoordelijkheid en schuld van Goddelijke gerechtigheid en verzoening kunnen spreken. Zij menen, dat de Kerk hierop antwoorden geeft, die eeuwen geleden zó en niet anders geformuleerd zijn, omdat deze destijds de meerderheid van de theologen bevredigden, maar dat deze zó tijdgebonden zijn, dat er in de wereld van hier-en-nu weinig of niets mee te beginnen is.
Wanneer ouders en school de eindeloos herhaalde opmerking te horen krijgen: "Het zegt mij niets meer", moeten zij zich realiseren, hoe eng Kerk en kerken te kort geschoten zijn die het zó ver hebben kunnen brengen, dat in de ogen van hun kinderen en leerlingen met die "HET" alles gezegd is. Zij hebben het gevoel, zonder dit niet - meer - aansprekende "HET" in een lege ruimte te staan.
Ouders en school moeten er hier en telkens weer tegenover stellen, dat dit "HET" een uiterst beperkte, relatieve waarde heeft, dat er slechts één vraag van beslissende betekenis is: "Zegt HIJ mij niets meer?" En dat wij daarop van dag tot dag antwoord moeten geven.
Ouders en school moeten niet alleen op de vragen van hun kinderen en Ieerlingen antwoorden, maar dit ook met onuitputtelijk geduld doen, blij, dat de vragen nog als-de-moeite-waard gesteld worden .. En bij de beantwoording moeten zij zich niet tot een tijdgebonden casuistiek laten leiden, maar als alpha en omega van alles wat zdj zeggen naar Christus luisteren: die op onze vragen-van-deze-tijd niet altijd concrete antwoorden geeft, maar dwars door alles heen de richting wijst. Verliezen we deze Weg, deze Waarheid, dit Leven, dit Licht der wereld uit het oog, dan bedreigt hen het eeuwenoude gevaar, dat zij de Bijlbel hanteren als een boek waaruit men "schriftgegevens" put, waaruit men in paragrafen vastgelegde geloofsleer en levensbeschouwing: opbouwt, die op alle religieuze en dogmatische vragen een afgerond antwoord geeft, alle raadsels oplost ... terwijl Christus wel mèt Numeri, Spreuken en Nehemia méé mag spreken, maar niet meer DE WAARHEID is.
Hoe dodelijk gevaarlijk dat is, heeft de kerkgeschiedenis met bloed en tranen voor ons vastgelegd.
Op ouders en school, die hun kinderen en leerlingen willen, wapenen tegen alles, wat in onze tijd tegen Christus in het geweer is, rust een zware taak:
samen met hen de weg terug gaan naar het geloof van de gemeente der apostelen, samen met hen tot een nieuw lezen en verstaan van de Schrift te komen, samen met hen aan Christus het eerste en het laatste woord te geven, in het vertrouwen dat Hij ons altijd weer door doolhoven zal leiden, waarin onze geloofsbelijdenissen, dogmatieken, theologieën en levensbeseffen geen weg meer weten."
Dit lange citaat geeft ongeveer het materiaal dat in een aantal hoofdstukken uitgewerkt wordt. Het loopt uit op een sterk pleidooi om samen met onze kinderen te komen tot een werkelijk begrip van hun geestelijke verwarring in het geroezemoes van deze tijd. En daarin hebben ouders en school elk hun specifieke taak. Ouders en school hebben de taak, hun kinderen wegwijs te maken in het labyrint van de elkaar tegensprekende theologische opvattingen, hen die steeds meer agnostisch wordende wereld te leren verstaan. En daarbij dient steeds weer de centrale vraag gesteld te worden: "Staat Christus borg voor wat we zeggen?" Of zijn we weer bezig met allerlei verborgen premissen, op grond waarvan we tot onze conclusies kwamen? Zijn onze kinderen misschien opnieuw het kind van de rekening, dat we ze belasten met onze gedachten en niet met het Woord van Christus"?
De schrijver zet op dit punt het mes diep in het kerkelijk vlees terwille van de kinderen. Want het geloof is zo weinig geïntegreerd in het leven, het geloof is niet het vasthouden aan een aantal, waarheden, het is een diep vertrouwen in DE WAARHEID!
Wij zijn er dan aak niet mee, als wij onze kinderen onze pasklare, theologisch-filosofisch verantwoorde antwoorden geven, als wij hen ons dogmatisch systeem, onze kerkelijke leerstukken als oplossing voor hun vragen meegeven.
En evenmin voeden we hen echt op, als wij toegeven aan ons driftig verlangen, gereformeerde kerkmensen ei/gen, om knapen daar te hakken en rationeel hanteerbare waarheden aan te bieden.
Wij lopen steeds weer gevaar (en de jongste kerkhistorie levert de bewijzen ervan) dat ons beperkt intellect en onze eenzijdige oordelen ons in de weg staan. We beelden ons dan in dat het uitsluitend het lezen van de Schrift is, dat ons denken bepaalt, maar we hebben er intussen geen flauw idee van, dat in grote mate ons denken juist het lezen van de Schrift bepaalt. Wij hebben de neiging om over datgene, wat niet in ons denkpatroon past, héén te lezen, af ongeduldig die hinderlijke waarden van ons wèg te schuiven, vaak onbewust, onopzettelijk, maar het gebeurt. En de schrijver heeft volkomen gelijk als hij stelt dat hierdoor heel vaak het wederzijds begrip en de verdraagzaamheid-geboren-uit-voorzichtigheid tussen kerken en mensen bemoeilijkt wordt. Dit wreekt zich in het gezin, in de kerk en in de schaal, en richt grote schade aan bij onze kinderen op een leeftijd, waarop zich het denken aan het vormen is.
Het blijft in dit indringende boek niet bij deze scherpe analyse van de achtergronden. Naar aanleiding daarvan wordt een grote hoeveelheid praktisch materiaal bespraken, en dan met name de concrete vragen, waarmee de jeugd de opvoeders tegemoet treedt. Dit is een heel sterk facet van het boek waarmee we allen onze winst kunnen doen.
Vragen als: heeft een mens nog zekerheid en hoe dan; kunnen wij beperkte mensen echt wéten; welke zin heeft bidden nog in een technocratische maatschappij; wat moeten we met de erfzonde; hoe kunnen christenen in de kerken zo verdeeld zijn; hoe kunnen zij zich zo passief gedragen in deze tijd; wat moeten wij met een zo onrechtvaardige wereld; is het nog mogelijk te geloven aan Gods voorzienigheid? etc. worden onderzocht en geanalyseerd. Ieder die veel met de jeugd verkeert weet, dat dit geen modevraagjes zijn, maar dat vele jangeren hiermee rondtobben. Ook in onze kerken zijn ze er, die de kluts duidelijk kwijt geraakt zijn, en in kleding en gedrag daarvan getuigen.
En het is eerlijk te erkennen dat wij als ouders, docenten en ouderlingen vaak geen raad weten met hen en dikwijls hopeloos tekort schieten, omdat we wel voelen dat we met onze vaak traditioneel gekleurde denkpatronen hen niet meer bereiken kunnen.
Daarom vind ik dit boek vaar allen die jeugd begeleiden, van zeer groot belang. Het zou voor aanstaande ambtsdragers een belangrijke steun kunnen zijn, als zij dit boek bestudeerden voordat zij hun huisbezoeken beginnen. Het kan ook uitstekend dienst doen als gespreksmateriaal voor groepen ouders, die gezamenlijk zich over de opvoeding van hun kinderen willen beraden.
Wel verwacht ik dat dit boek ons midden niet bij allen een gunstig onthaal vindt.
Dat komt, naar ik meen, omdat bij ons het gesprek nog beginnen moet over de stelling, die de schrijver geeft in zijn hoofdstuk GELOOF EN GELOVEN, KERK EN KERKEN: "Maar zoals in een gezin onder al het gekibbel de vraag, of iemand tot het gezin behoort, niet in geding is, zó is ook in de apostolische Kerk het tot-de-gemeente-behoren niet in het geding geweest, gegeven de centrale belijdenis: "Gij zijt de Christus, de Zoon van God"."
Het lichaam van Christus is ook door ons vanwege een steeds groter wordende spraakverwarring in stukken gescheurd. De strijd over het leerstuk der kerk is hiervan een trilest bewijs.
"Christus spreekt niet over de Zijnen als verstandige lieden, leerlingen met een groot theologisch inzicht en godsdienstig besef, maar over "Wie in Mij gelooft, Mij zijn vertrouwen schenkt."
Met dit citaat besluit ik de bespreking van een scherp, maar nergens polemisch, een irenisch maar nergens toegeeflijk boek, dat naar ik hoop velen aan het dóórdenken zet.