lets over in Afrika zendingsprediking 1) (1)
1976-02-13
Wanneer we ons verdiepen in de vraag naar de aard van de Evangelieprediking op het zendingsveld, blijkt er hier en daar wel een misverstand te bestaan. Al dikwijls heb ik gemerkt dat men in Nederland denkt dat deze verkondiging nabij een uitgebreide Zondagsschoolvertelling komt.- Jaargang 20
- nummer 7
Juist van een Nederlander zou je zo'n gedachte niet verwachten.
Het kolonialisme in Nederland door de voordeur uitgebannen, komt zo stillekens door de achterdeur van de zending weer binnen.
Een Zondagsschool houdt zich hoe dan ook met kinderen bezig. Je noopt vandaag toch wel uit de pas wanneer je Afrikanen die buiten de lichtkring van het Evangelie staan, voor kinderen aanziet!
Nu moeten we van de weeromstuit en uit angst voor kolonialisme niet tot de konklusie geraken dat deze verkondiging dan niets meer en niets minder mag zijn dan die welke wij horen. Als ik een nederlandse preek in het Zoeloe vertaal, blijft het een nederlandse preek, afgestemd op een Nederlander die in 1976 in West-Europa woont en die er bepaalde opvattingen op na houdt waarmee hij zic!h al of niet denkt te redden in zijn wereldje. Omgekeerd, wanneer we een Zoeloepreek in hoognederlands vertalen, is en blijft het een Zoeloepreek, bestemd voor een man die van andere godsdienstige vooronderstellingen uitgaat dan wij.
Waar het geloof uit het horen is (Rom. 10) mogen we zeggen dat we in de zendingsprediking onder de Bantoe in Afrika doende moeten zijn het Bantoe-oor aan te sluiten op de golflengte van het Evangelie. Het oor van de man moet horen wie de Here Jezus Christus voor hem wil zijn in zijn wereldje van boze geesten. Hoort hij dat niet, dan kàn hij niet eens tot geloof in de Here Jezus Christus komen. Het is de taak van de zending die hooraansluiting tot stand te brengen. De Heilige Geest verricht geen hoorwonder maar een bekeringswonder.
Vandaar dat een zendeling zich voortdurend moet afvragen: wat hoort het Bantoe-oor wanneer ik de boodschap probeer door te geven?
Wordt dàt gehoord wat ik in mijn wereldje gehoord heb en wat ik probeer door te geven, of wordt iets anders gehoord? Ging het om - laten we zeggen - een fiets, dan was het makkelijk. Dat is 'een ding op twee wielen waarop je gaat zitten om jezelf ergens heen voort te bewegen. Het functioneert gelijk in alle landen ter wereld.
Bestaat er in een bepaalde taal geen woord voor 'fiets', wel, we maken een woord, tonen de fiets en misverstanden zijn uitgesloten.
Ieder voelt onmiddellijk dat het bij de overbrenging van de boodschap van de Heer vele malen moeilijker ligt.
• Stoorzenders en kortsluitingen
Daarbij komt dat wij bij onze poging om het Bantoe-oor op de golflengte van het Evangelie aan te sluiten, gehinderd worden door stoorzenders. De verkondiging geschiedt namelijk niet aan mensen wier leven geen religieuze inhoud heeft. Hun leven is dikwijls religieuzer dan het onze waarin grote delen onttrokken zijn aan de macht van de Heer. Heidendom kent minder secularisatie dan het Christendom. De verkondiging treft niet alleen reeds een religie aan, die zich verzet, maar moet ook gebruik maken van bestaands.
woorden uit de heidense religie.
Het woord van de Here moet immers in de taal en daarmee in het leven indringen. Het zou het makkelijkst zijn om vreemde woorden te gebruiken, en die proberen te laten verinheemsen, zoals nog wel eens in de Rooms-Katholieke zending gedaan wordt. Ik heb al eens gelezen dat het Latijnse woord Spiritus Sanctus voor Heilige Geest ergens in de missie in Borneo werd gebruikt. Tot mijn stomme verbazing ontdekte ik eens hoe in de Anglicaanse zending onder de Xhosa's voor het woord 'wezen' bij de bespreking van het geheim van de Drieëenheid het glibberige wijsgerige woord 'substantia' werd gebruikt.
Duidelijk is dat op deze wijze de verkondiging weinig kans heeft binnen te dringen in het zieleleven, en zo gemakkelijk aan de rand blijft staan als iets vreemds dat je leert als op school.
We moeten dus wel bij de overbrenging van de boodschap bekende woorden gebruiken maar er ons steeds van bewust zijn dat alles wat wij zeggen verstaan wordt vanuit de godsdienstige achtergrond die de hoorder heeft, en daarnaar wordt afgewogen.
De zendeling móet dus kennis dragen van de godsdienstige achtergrond van zijn mensen. Heeft hij die niet, dan kan hij wel een aardig preekje houden naar nederlandse maatstaven, maar het Bantoe-oor was nimmer aangesloten op de golflengte van het Evangelie.
• Waar is God?
Staat in de openbaring van de Heere de verhouding van de mens tot Hom centraal, in de Bantoereligie is niet het eerste de verhouding van de mens tot God.
Zou de zendeling uit onkunde ervan uitgaan dat de verhouding van God tot de mens in de Bantoereligie wel - als in zijn eigen wereld - van primair belang zal zijn, en daarop de verkondiging baseren, hij zou in zijn taak te kort schieten.
In Afrika is de gemeenschap het religieuze centrum, de gemeenschap van hen die dezelfde taal spreken, door wie hetzelfde bloed vloeit en die van dezelfde vader afkomstig zijn.
Deze gemeenschap omsluit de gestorvenen, de levenden en de nog niet geborenen. De eerste vraag is hoe deze gemeenschap beschermd kan worden tegen gevaren die haar bedreigen, tegen ziekte, dood, onvruchtbaarheid, misoogst en wat niet al. God is niet de beschermer van deze gemeenschap.
Hij heeft wel vroeger de gemeenschap in het leven geroepen en haar het een en ander geleerd om zich te kunnen handhaven, maar daarna heeft hij zich teruggetrokken achter de wolken.
Deze God van Afrika hoe hij verder nu maar genoemd wordt van de Kongo in het Westen en Kenya in het Oosten tot aan de Zuidpunt kan nu ook wel worden gemist.
Hij is zover weg dat gebeden niet meer tot hem doordringen. Verheven is hij boven goed en kwaad.
Bij hem heeft een slecht mens net zul1ke kansen als een goed mens. Je kunt niet tegen hem zondigen.
Omdat hij soeverein machtig is maar ethisch niet bijster geinteresseerd, is het ook maar beter dat hij op een afstand blijft.
Hij kan gevaarlijk worden, Henoch die wandelde met God kan niet in Afrika hebben geleefd.
Onze broeder-zendeling die in tijden van verdriet een pure heiden wil troosten met de opmerking: God is toch dichtbij, neemt geen verdriet weg maar versterkt integendeel het heidense levensgevoel van een grillige God die toch maar beter op een afstand kan blijven. Van hem zeggen de Afrikanen met een woord waarvan de stam m alle talen zowat op dezelfde wijze gebruikt wordt: God is goed. Daarmee wordt bedoeld dat God niet ongeschikt is, hij loopt je niet voor de voeten; doordat hij ver weg is maakt hij het je meestal niet lastig. Broederzendeling, onbekend met deze stand van zaken, krijgt grote instemming bij zijn luisteraars als hij meent de goedheid Gods uit te leggen, en als vanzelf bij datzelfde woord terechtkomt, Maar de verkondiging is mislukt.
Nu gaat de zendeling een stapje verder: God vergeeft de zonde want Hij is goed. Maar de grond voor deze boodschap is nog onvoldoende toebereid. Want de heidense gedachte is nog steeds die van de ethische- weinig geïnteresseerde God. Omdat hij goed is, niet ongeschikt, verwordt de Christelijke boodschap van vergeving der zonden tot een technische handeling van de Christelijke God die formeel nu zegt in Christus de zonde niet toe te rekenen.
Het nieuwe van het Evangelie wordt in de formule vergeving alleen een technisch bijvoegsel bij het heidense geloof. Temeer omdat de zendeling die daden zonden noemt waarom geen heidens geweten iemand aanklaagt.
Hierover later nog wel meer.
Je leunt erin komen dat de Christelijke kerk wel eens verweten wordt in zekere kringen van de afrikaanse intelligentia, de immoraliteit in Afrika vergroot te hebben. Een niet op de Bantoeachtergrond ingestelde prediking brengt de gewenste aansluiting op de golflengte van het Evangelie in elk geval niet tot stand!
1) Dit artikel is het eerste uit een reeks van 4. Het is een verwerking van wat ik op verschillende zendingsavonden in november gezegd heb. Enkele broeders hebben me gevraagd het daar gezegde te publiceren.
Ziedaar.