Het boek Daniël
1976-02-13
- Jaargang 20
- nummer 7
De grote profanatie
Antiochus IV, die reeds meermalen ter sprake kwam, is de koning van het Noorden van wien de verzen 21-45 spreken. Met behulp van geweld en intriges wist hij het koningschap voor zich te verkrijgen, ten koste van zijn neef, de wettige troonopvolger.
Zijn poging tot het stichten van een groot rijk door verovering van Egypte slaagde niet. De eerste veldtocht tegen de koning van het Zuiden eindigde aan de conferentietafel, waar onder schijn van vriendschap elk zijn eigen bedoelingen trachtte te verwezenlijken.
Bij zijn terugkeer uit Egypte plunderde Antiochus Jeruzalem en de tempel; waarbij hij onder meer de gouden voorwerpen uit het heilige, het reukofferaltaar, de kandelaar en de tafel der toonbroden, buit maakte.
Een tweede poging om Egypte bij zijn rijk in te lijven mislukte door tussenkomst van de Romeinen.
Hierover vergramd zette hij met alle macht zijn helleniseringspolitiek door. Veel Joden wist hij voor zich te winnen; degenen die trouw bleven aan de HERE en Zijn verbond kregen het zeer zwaar door zwaard en vuur, door gevangenschap en beroving. Bij de bespreking van hoofdstuk 8 is daarover voldoende gezegd.
Met de in vers 31 genoemde "ontzettende gruwel" of de "gruwel der verwoesting" is bedoeld een heidens altaar, dat Antiochus liet houwen op het brandofferaltaar en dat gebruikt werd om onreine dieren te offeren aan Zeus, de Griekse oppergod. De profanering van de heilige plaats en de minachting voor de God van Israël kan bezwaarlijk op krachtiger wijze tot uitdrukking worden gebracht.
Toch is deze heiligschennis nog eenmaal in de historie aangetroffen.
Jezus heeft daarover gesproken in Zijn aankondiging van het gericht over Jeruzalem (Matth. 24 : 15; Marc. 13 : 14). De Joden zelf zullen dan het huis des HEREN ontwijden, door dit vredesoord te veranderen in een gevechtsterrein.
Jezus, die kort voordat Hij deze woorden sprak de tempel had gereinigd, omdat Hij niet kon verdragen dat het huis van gebed werd gemaakt tot een hol van rovers, heeft de latere tempelontwijding gezien en aangewezen als het teken van de terstond daarop volgende verwoesting en Hij heeft Zijn volgelingen bevolen de stad te verlaten, wanneer ze deze gruwel zouden aanschouwen.
Op de daad van Antiochus is nog een tempelvernieuwing gevolgd; nog een paar eeuwen moest Jeruzalems tempel dienst doen als woonplaats van God èn als trefpunt tussen Hem en Zijn volk.
Maar als dat volk zelf de gruwel erger maakt dan de goddeloze koning van het Noorden is het einde van de stenen tempel definitief gekomen.
Dat nóg een keer, tegen het eind van deze tegenwoordige wereld, een gruwel der verwoesting zal worden opgericht door de zgn. Antichrist, zoals door velen wordt betoogd, lijkt mij niet juist. Deze woorden zijn, zowel in Daniël als in de woorden van Jezus, zozeer verbonden aan het toen bestaande heiligdom, dat voor een derde "gruwel" geen mogelijkheid bestaat, tenzij men zou menen, dat de tempel weer zal worden herbouwd en opnieuw door de HERE als Zijn woning zou worden aanvaard.
Wel mogen we uit deze Schriftwoorden de lering trekken, dat ontheiliging van de tempel, dat is nu de gemeente van Jezus Christus, door machten van buiten, minder erg is dan de ontheiliging door Gods eigen volk. De eerstgenoemde profanatie kan wel een zware beproeving zijn, maar zal de kerk niet kunnen afbreken; de tweede kan dat wel, niet alleen toen, maar ook nu. (zie Openb. 2 : 5, 3 : 16).
De beproeving
De zware druk onder de tirannie van Antiochus heeft tot doel het teweegbrengen van loutering, schifting en zuivering. De HERE wil aan het licht brengen het ver schil tussen hen die op Hem alleen bouwen en hen die het heil van mensen verwachten. En Hij betoont Zich een God die niet gedoogt dat de Zijnen boven vermogen worden verzocht, want Hij zorgt met de verzoeking ook voor de uitkomst.
Terwijl zwaard en vuur verteren, gevangenschap en roof benauwen, komt er een kleine hulp; het optreden van de priester Mattathias en zijn vijf zonen, die als de Maccabeeën de geschiedenis zijn ingegaan, heeft inderdaad het leven van veel vromen bevrijd van druk en benauwdheid.
Het is wel opmerkenswaard dat de vrijheidsstrijd der Joden getypeerd wordt als een kleine hulp. Het canonieke boek Daniël is toch wel uit een heel andere geest geschreven dan de apocriefe boeken der Maccabeeën. In deze laatste wordt de dapperheid van de strijders geroemd; zîj zijn het die hun trouw aan de voorvaderlijke overlevering bewijzen door hun doodsverachting en die daarom getekend worden als de gezegenden des HEREN.
Daniël schrijft hoe de HERE van deze vrijheidsstrijd gebruik maakt om de Zijnen enige verlichting te geven, maar hij laat tevens zien dat bij veel van die geroemde helden alleen het eigenbelang wordt gediend. Velen sluiten zich aan bij de Maccabeeën in "huichelachtigheid".
Ze hangen de huik naar de wind. Toen Antiochus het voor het zeggen had heulden Zie met hem; zodra zijn heerschappij gaat tanen veranderden ze van partij.
De ware gelovigen verwachten toch een andere verlossing en een andere wijze van verlossing. De hele vrijheidsstrijd van Judas en zijn broers is toch, ondanks een wettische verpakking, een strijd naar de strijd van de koninkrijken der wereld. Van deze strijd loopt rechtstreeks een lijn naar de zelotenopstand tegen de Romeinen, die niet de gehoopte bevrijding, maar wel een algehele verwoesting heeft gebracht.
De kleine hulp maakt de beproeving dragelijk; allen die deze kleine hulp voor de ware verlossing hebben aangezien, zijn voor de beproeving bezweken. Maar wie tot het einde van de verdrukking hebben beleden de hulp is van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft; wie hebben geloofd dat het eind komt op de door Hem vastgestelde tijd, hebben de echte verlossing ontvangen. En zalig is ieder, die in de beproeving, waar en wanneer dan ook, de grote hulp verwacht.