Israël's "Gedenckclanck'
1975-08-22
De 'Liederen Hammaäloth'- Jaargang 19
- nummer 31
De Psalmen 120 tot 134, vijftien in getal, vormen een afzonderlijk bundeltje in het Boek der Psalmen. Wat deze vijftien liederen verbindt, zijn in de eerste plaats de gelijkluidende opschriften: 'Een lied hammaäloth' Zo. het derde woord onvertaald, staat het boven deze psalmen in de S(taten) V(ertaEng). Uit de inleiding op deze liederen blijkt, dat de vertalers uitstekend op de hoogte waren van mogelijke betekenissen van de term 'hammaäloth', maar zij hebben geen keuze wiLlen doen, en lieten hem onvertaald staan. De volgende betekenissen zijn wél voorgeslagen:
1. 'Lied der opstijgingen', waarbij men dacht aan de treden van een trap. die de zangers van deze psalmen moesten bestijgen, voordat zij deze psalmen in de godsdienstoefening t'en gehore brachten; ze zouden deze liederen op een boven het tempel plein gelegen podium hebben uitgevoerd, Voor deze betekenis koos de Luthervertaling: 'Ein Lied. im höhern Chor', d.i. een lied, dat in een hoger gelegen koor moest worden uitgevoerd. Ons bezwaar tegen deze verklaring kan worden aangevoerd: a. Werden de andere psalmen in de samenkomsten dan gelijkvloers gezongen, en werden alleen déze liederen in het koor ten gehore gebracht?
b. Indien de term 'hammaäloth' slecihts betrekking heeft op de Iiturgische uitvoering dan ontbreekt de innerlijke samenhang van deze vijftien gezangen.
2. Anderen denken bij de samenstelling 'een lied harnmaäloth' aan de grote feesten van Israël's kerkelijk jaar, het paasfeest, Pinksteren en de loofhutten. Dan trokken de feesthoudende menigten uit steden en dorpen op naar Jeruzalem. En bij dat optrekken uit lager gelegen gebieden naar het hoger gelegen Jeruzalem past nu precies dat woord 'hammaäloth', opgangen, optochten.
Voor deze betekenis kozen bij ons A. Noordtzij in de Korte Verklaring der Heilige Schrift en G. Ch. Aalders, en de vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap, ook de Leidse vertaling. Maar allen geven dan een toegepaste vertaling, ontleend aan het doel van die jaarlijkse trektochten van de Israëlieten, die 'opgingen' naar Jeruzalem om de Naam des Heren te loven: 'een bedevaartslied'. Aalders gaf een prekenbundel in druk onder de titel 'Het Iiedboeksken van Israël's pelgrims', een titel, die hij wel heeft ontleend aan een franse verhandeling over deze bundel 'Chants de pélerinage ou petit psautier des Pélerins du secend temple' d.i. 'Pelgrimsliederen of Klein Psalmboek van de pelgrims van de tweede tempel'. Het mooie van deze weergave van 'hammaäloth' is. dat aan de betekenis 'opgaan', n.l. naar Jeruzalem, recht wordt gedaan. Maar tegen deze vertaling pleit, dat, evenals in het voorgaande geval, het verband tussen deze vijftien liederen louter uitwendig is, dat elke innerlijke samenhang ontbreekt, en dat ze - hoewel voor de grote feesten bestemd generlei verband vertonen met de heilsfeiten, die op het paasfeest, de Pinksteren, of het loofhuttenfeest werden herdacht. En daarom is het m.i. twijfelachtig, of dit bundeltje rechtstreeks (men lette op dit rechtstreeks) met het oog op de feestelijke trektochten der Israëlieten werd gedicht of voor deze bedevaarten werd gebundeld.
3. Er is nog f'en derde uitleg van 'hammaäloth'. Zij vertegenwoordigt de gedachte, dat de opgangen, de optochten, waarop hier gedoeld wordt, de term zijn voor de diverse terugtochten van de Israëlieten uit de Babylonische ballingschap. Voor deze opvatting pleit in de eerste plaats, dat aan de grondbetekenis van het woord hammaäloth wordt vastgehouden: 'opgangen' (naar Jeruzalem). Ten tweede: het enkelvoud van dit woord - 'hammaäloth' - wordt in de Schrift ook rechtstreeks gebruikt. Het woord is een gebruikelijke term voor de reizen uit het lager gelegen dal van de Nijl, uit Egypte. naar Jeruzalem, maar ook voor de reizen uit het Babylonische laagland. Bovendien duidt het woord in E)zra 7 : 9 direct op de terugkeer uit de ballingschap: 'Op de eerste van de eerste maand was hij (Ezra) de tocht uit Babel begonnen', En daar staat nu voor de woorden 'de tocht uit Babel!' precies het enkelvoud van 'hammaäloth', n.l. 'hammälah': 'hammaälah mibbabel', In het opschrift boven onze psalmen staat het meervoud. Aangenomen, dat we inderdaad met een aanduiding van de terUlg1k,eeruit de babylonische ballingschap te doen hebben, kan de in de vijftien opschriften gebruikte meervoudsvormen verband houden met het feit. dat de Israëlieten niet in één keer uit Babel terugkeerden naar het oude land, want er zijn meerdere tochten geweest. Aan die elkaar opvolgende tochten zou dan het opschrift de herinnering bewaren, Maar het zou ook kunnen zijn, dat de meervoudsvorm 'hammaäloth' de nadruk bedoelt te leggen op het geweldige van de terugkeer uit de gevangenschap in het Tweestromenland. Hóe geweldig die terugkeer in de Schrift wordt aangeslagen, blijkt wel uit Psalm 68: 'De Here heeft gezegd: Uit Basan breng ik u weer. Ik breng u weer uit de diepten der zee'; m.a.w. die verlossing uit Babel doet niet onder voor het goddelijk geweld, waarmee de Here eens zijn volk uit Egypte leidde door de Rode Zee. Zou dit laatste juist zijn, dat n.l. het meervoud 'hammaä1otlh' ziet op het geweldige van de verlossing uit Babel, dan zou ik er toe neigen dat in de vertaling te doen uitkomen door de weergave: 'De Grote Trek'.
Gaan we er voorlopig veronderstellenderwijs van uit, dat we hier te doen hebben met een psalmenbundeltje, dat aan de terugkeer wit Babel; aan 'De Grote Trek' zijn ontstaan dankt. dan kunnen we vervolgens nog aan of deze vijftien liederen in zulk een bundel passen.
Men zou als bezwaar tegen onze opvatting kunnen aanvoeren, dat meerdere van deze psalmen toch wel stammen uit de tijd vóór de ballingschap. Bijvoorbeeld 122, 124, 131 ('Van David') of 127 ('Van Salomo'). Aangenomen. dat deze drie psalmen van Davidische oorsprong zijn en Psalm 127 van Salomo is, dan pleit dat in het minst niet tegen een veel latere oorsprong van de bundel. Immers, bij de samenstelling van een Liederenbundel, die de herinnering aan de verlossing uit Babel moest levendig houden, kunnen heen goed oude psalmen in een nieuwe bundel naast nieuwe liederen een plaats gevonden hebben. Is dat het geval geweest. dan is 'Israël's Gedenekclanck' uit oude en nieuwe zangen gecomponeerd geweest.
De proef op de som
Gaan we nu na of de vijf tien in de situatie van de Babylonische ballingschap en van de verlossing uit die gevangenschap passen, dan houden we de volgorde van deze psalmen aan.
Psalm 120
'De kerk onder 't cruyce'.
De dichter van deze psalm zegt: 'Wee mij, dat ik in Mesach moest vertoeven, dat ik moet wonen bij de tenten van Kedar'. (vs 5) Mesech en Kedar zijn niet een geografische aanduiding van de verblijfplaats van de maker van dit lied. Immers Mesech was een gebied tussen de Zwarte en de Kaspische Zee ver in 't noorden, terwijl Kedar ver in 't zuiden, in het oostelijk deel van de Arabische woestijn gelegen was. We hebben hier dus niet met een geografische plaatsbepaling te doen. maar met een geestelijke typering van het milieu, waarin de auteur van dit ried zich bevindt: de mensen, onder wie hij woont, zijn als het wilde volk van Mesedh, als de woeste stammen der Kedarenen. Wellicht heeft hij op deze manier ook een camouflage uitgevoerd. en zich bij voorbaat tegen de werkelijke vijand gedekt, tegen Babel. Daar laait de haat tegen de Judese ballingen hoog op, de leugen en de laster. En dat terwijl hij en zijn medegevangenen zich toch houden aan de goede raad Gods, gegeven bij monde van Jeremia: '...Zoekt de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE. want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn.' Jer. 29: 'Te lang reeds woon ik bij wie de vrede haten; ik ben een en al vrede, maar als ik spreek, dan zijn zij uit op strijd'. Dat is vaak de situatie van de kerk in de wereld, gehaat, vervolgd, verdrukt. SOIffiSis de vijand binnen de veste, zoals Luther in een van zijn reformatorische 'hoofdgeschriften sprak van de 'Babylonische gevangenschap der kerk'.
Psalm 121
Terug naar het Beloofde land.
Psalm 121 past uitnemend in de situatie van de terugkeer naar Sion, De reis van het Tweestromenland naar het land der vaderen was, zomin als het reizen in het algemeen, niet zonder gevaar. Vandaar, wanneer de ballingen op het punt staan de Grote Trek te beginnen en ze hun ogen opheffen naar de bergen waar zij doorheen moeten, de vraag: 'Vanwaar zal mijn hulp komen?' Het antwoord is bekend: 'Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft'. ZÓ is het metterdaad onder de ballingen met het oog op de terugreis geweest. Dat blijkt uit Ezra 8. Vóórdat een van de trektochten naar Jeruzalem begon. Nadat Ezra het uitgebreide reisgezelschap had verzameld bij de rivier Ahava, zegt hij: 'Toen riep 1k daarbij de rivier Ahava, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God, en van Hem een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en al onze have. Want ik had mij geschaamd van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te beschermen tegen vijanden onderweg; wij hadden namelijk tot de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over ons allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen alIen die Hem ver laten. Dus vastten wij en smeekten onze God hierover, en Hij liet zich door ons verbidden.' Vss 21-23. En hoe heer lijk de Here de beloften van Psalm 121 aan de terugkerende ballingen heeft vervuld, blijkt in hoofd stuk 8 vs 31: 'Wij braken dan op van de rivier Ahava op de twaalfde van de eerste maand om naar Jeruzalem te gaan, en de hand van onze God was over ons en redde ons uit de macht van vijanden en struikrovers'. Hoe heerlijk bleek: 'De Here is uw bewaarder, de Here uw schaduw aan uw rechterhand'. Let wel: de Wachter Israël's. Dat wil zeggen, deze psalm ziet in de eerste plaats op de hele Israëlietische volksgemeenschap. Ook dat biedt steun aan de veronderstelling, dat we hier een psalm hebben, die betrekking heeft op de 'Grote Trek' van de gemeente van de ballingschap.
Psalm 122
We hebben in deze psalm wel te doen met een lied uit de tijd vóór de wegvoering naar Babel: in Jeruzalem staan (nog) de 'stoelen des gerichts, de stoelen van het Huis van David'. Dat is na de ballingschap nooit meer het geval geweest. Het Davidisch koningschap werd nimmer hersteld. Maar dit oude lied van reizigers naar Jeruzalem werd dan na de ballingschap in de nieuwe situatie verplaatst en in de nieuwe bundel opgenomen.
Psalm 123
Ook Psalm 123 past uitnemend in de situatie van de gevangenschap in Babel. De ballingen hebben daar geleefd als een verachte groep mensen; hoe hoog het anti-judaïsme daar kon oplaaien bleek uiteindelijk het duidelijkst in de macabere plannen van Haman, de Agagiet, de hele joodse natie uit te roeien. Meer dan eens moeten hun de handen gejeukt hebben om naar verzet te grijpen en zich met geweld tegen de onderdrukkers te keren. Toch deden zij dat niet, maar de ballingen zochten de vrede der stad. (Zie bij Psalm 120). Zij namen het recht niet in eigen hand, maar zagen uit naar de hulp van hun Heer en Meester, de God van Israël, zoals een slaaf uitzag naar de hulp van zijn heer, zoals een slavin wachtte op het ingrijpen van haar meesteres. Een slaaf had in de destijdse maatschappij niet het recht van zelfverdediging, hij was geheel en al afhankelijk van de bescherming van zijn heer. Welnu, zo hebben de joodse gevangenen in Babel niet het recht in eigen hand genomen, maar gewacht op Gods bescherming: 'Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand van hun heren, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand van haar gebiedster, zo zijn onze ogen op de HERE onze God, totdat Hij ons genadig zij"; totdat Hij ons te hulp komt. De nood was hoog genoeg gestegen - men denke slechts aan Daniël en zijn vrienden, en in een heel wat latere periode aan de dagen van het boek Esther.
Psalm 124
Deze psalm behoeft voor ons doel weirug toelichting: het is een lied van verlossing uit allerhoogste nood, een oompleet wonder; Israël is door het oog van een naald gegaan, ontkomen als een vogel uit de strik van een vogelvanger; ze zaten reeds in de strik, en dat is een fatalle toestand, hoe harder men aan de strik rukt hoe vaster hij zich sluit. Toen echter is het wonder geschied: de strik is gebroken en wij zijn ontkomen. 'Israël is, evenals destijds uit Egypte, door wonderen verlost!'
Psalm 125
Een psalm, die gezongen werd in de tijd, toen het oordeel van God rustte op Jeruzalem. 'De scepter van de goddelozen' rustte op wat de Here aan die 'rechtvaardigen' (= degenen, die Hem vrezen) had toegezegd.
De muren van de Stad liggen in puin, het enige wat gebleven is, zijn de muren, die God zelf heeft gebouwd rondom de Plaats, en de berg Sion staat onwankelbaar. Zo is de Here rondom zijn vaak om hen te bewaren ook in de boze tijd. En de beloofde verlossing komt: de goddelozen en de knoeiers in Jeruzalem zullen het veld moeten ruimen.
Psalm 126
Behoeft voor ons doel geen toelichting: 'Toen de Here de gevangenen van Sion terugbracht…'. En om voortgaande verlossing wordt hier gebeden: 'Here maak een einde aan onze gijzeling ...' (Zie voor 'een keer brengen in ons lot': C. van Gelderen op Amos 9 : 14. Commentaar bil. 301 v.v.).
Psalm 127
Het is wellicht aanbevelenswaardig in vers 1 'het huis' in de eerste plaats te betrekken op HET Huis, die tempel. Daarbij is dan te denken aan de wederopbouw van het tempelhuis (een zaak, die onder de teruggekeerden uit de ballingsc1hap zo'n grote rol, heeft gespeeld; zie Haggaï en Zacharia) èn aan de wederinstelling van de tempeldienst. Maar daarna gaat biet ook om de herordening van het burgerleven, de herbouw van de muren van de Stad en de inrichting van het stadsbestuur.
En voorts aan het herstel van het huiselijk leven. Bij dat laatste ligt dan tevens de overgang naar Psalm 128.
Psalm 128
In de ballingschap was Juda (en Israël) gedecimeerd. Ook getalsmatig was het gering geworden. Waar was nu de belofte aan Abraham: talrijk als de sterren des hemels 'Iaroob', in het volle getal, en als het zand aan de oever der zee? Welnu: in gunst weergekeerd tot zijn volk zal de Here ook die belofte gaan vervullen. De vrouwen zullen moeders van vele kinderen worden, en de kinderen talrijk in de huizen van hen, die de Here vrezen. En ze zullen wonen in Jeruzalem 'van geslacht tot geslacht", ze zullen -anders dan het geslacht, dat uit de Stad werd weggevoerd - het derde en vierde geslacht zien. Het komt geheel overeen met Zacharia's profetie: Er zullen weer oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met zijn stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd. Ook zullen de pleinen der Stad vol zijn van jonglens en meisjes, die daar spelen. 8 vs 4 en 5.
Nota bene: men Ieze deze psalm dus niet tijdloos; er komt op de achtergrond van de verlossing uit de gevangenschap in Babel zo'n diep reliëf in!
Psalm 129
Is een duidelijk herinnering aan het doorgestane leed van de ballingschap.
Maar het is voorbij: de vijanden hebben mij niet er onder gekregen. Bij 'ploegers hebben mijn rug geploegd' is te denken aan geseling. Straks komt het oordeel van God over de verdrukkers!
Psalm 130
Een boetgebed in het vreemde land, terwijl de bidders uitzien naar de komst van de morgen der verlossing. En die verlossing is niet alleen en voornamelijk de bevrijding uit de macht van de Babyloniërs, maar van de oorzaak van de gerichten van God: de zonde.
Psalm 131
Uit de gevangenschap verdost en teruggekeerd in het oude land is de gemeente ook weer 'ingegaan in de rust'. De uitdrukking is bekend uit Psalm 95 : 11, zij h:et in negatieve zin: 'Tot mijn rustplaats zullen zij niet komen'. Het ligt buiten de opzet van dit artikel na te gaan hoe en in welke zin deze woorden aangehaald worden in Hebr. 3: 11 en 18; in cap. 4 : 3 en 5. In Psalm 95 wordt gedacht aan de rustplaats (verg.
Num. 14: 21-23; Deut. 1 : 34-35). Dat is in Psalm 131 verdiept tot de hele toestand van 'sjaloom'. En dat is de winst, die de ballingschap bracht: de teruggekeerden, in Babel bekeerd, hadden 'vrede bij God'.
Psalm 132
past meer nog dan 127 in de situatie van de herbouw van de tempel en de wederinstelling van de tempeldienst. De zaak krijgt een messiaanse verdieping doordat het uitzicht vrij komt op de beloofde Davidszoon, de Christus. Men denkt als vanzelf aan Haggaï 2 vs 9: 'De toekomstige heerlijkheid van dit Huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen, op deze plaats zal ik heil geven. 'En aan Maleachi 3: '... plotseling zal tot zijn tempel komen de Heer, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert.' Vs 1.
Psalm 133
Na de verstrooiing naar en in Babel ervaren de teruggekeerden het als een feest, dat zij' weer samen in het oude land wonen: 'Zie hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook tezamen wonen...'
Psalm 134
Als in vroeger dagen houdt Israël weer zijn jaarlijkse trektochten op de feesten van 't jaar. Na gedane pelgrimstocht nemen de pelgrims afscheid van de priesters 'die ook in de nacht in het huis des HEREN staan'. Met een opwekking trouw de wacht des Heren waar te nemen. En de priesters laten de bedevaartgangers gaan met de bede, dat de HERE ook na het vertrek uit de heilige Stad hen in hun steden en dorpen zegenen mag uit Sion.
Gedicht of gebundeld ?
We gaven bij de 15 psalmen enige aantekeningen, niet een uitvoerige en in details tredende uitlegging. Het ging er ons .n dit verband slechts om aan te tonen, dat al deze Iiederen-hammaäloth uitstekend passen in de toestand van na de ballingschap.
Er blijft nog één vraag te beantwoorden over. Deze: werden deze 15 psalmen naar aanleiding van de ballingschap en de verlossing uit Babel gedicht of werden reeds oudere in Israëls verleden ontstane en bekende psalmen verzameld en gebundeld? ' We menen dat we hier te doen hebben met een verzameling van reeds oudere en nieuwe liederen, die tot één bundel werden samengevoegd.
Of we in het éne of in het andere geval met een oud of met een nieuw lied te doen hebben moet door zorgvuldige exegese worden nagespeurd... indien het althans mogelijk is dat nog te achterhalen, Maar indien al kwam vast te staan, dat we te doen hebben met een oud bed uit Israëls vóór-Babylonische verleden, dan vergt toch het feit, dat dit oude lied in deze nieuwe herinneringsbundel - in 'Israëls Gedenckklanck' - een plaats ontving leiden tot een herinterpretatie: immers dan gaat de Psalm klinken vanuit een ander historisch klankbord. Maar we zijn van mening, dat de historische situatie van (de verlossing uit de) Babylonische gevangenschap der kerk de mogelijkheid van het verstaan van deze liederen van Israël's 'GROTE TREK' vergroot en verdiept, de liederen van de verlossing ook van de nieuwtestamentische gemeente. Sprak Luther over de tijd onder het Pausdom niet als van 'De Babylonische gevangenschap der kerk'? Op de verlossing uit die gevangenschap antwoordde Adriaan Valerius in zijn 'Gedenckclanck', geheel in de geest van de Liederen van de Grote Trek:
Komt nu met zang van zoete tonen
en u met snarenspel verblijdt!
Zingt op en wilt al om betonen,
dat gij van harte vrolijk zijt.
Juicht God ter eer,
zijn Iof vermeer,
die zulken groten werk
gedaan heeft voor zijn kerk!
Het is intussen zeer wel mogelijk, dat nadat deze bundel tot stand was gekomen, de gebundelde liederen het repertoire vormden voor de feestzangen van de pelgrims van na de ballingschap. Maar de betekenis van de opschriften boven deze psalmen 'Een lied Hammaäloth' blijft desniettemin: 'De Grote Trek'.