Toepassing of vertaling?

1976-02-29
  • Jaargang 20
  • nummer 9
Politieke prediking?

Politiek op de kansel? Daar raken we een veelbesproken en veelomstreden onderwerp. Aan de ene kant zijn we er echt wel van overtuigd, dat het Woord van God de volte mens aanspreekt. Dat wil zeggen, dat het die mens raken wil en bekeren in zijn innerlijke leven èn in al zijn uitgangen, in zijn binnenkamer-gebed èn in zijn handelen binnen de vormen en strukturen van het grote leven. We behoeven maar de namen van Amos en Jakobus te noemen om te tonen, dat God binnenkomt in de relatie van armen en rijken, van werknemers en werkgevers, van onderdanen en overheden. En daarom behoort dat brede strukturele leven toch zeker ook op de kansel te worden genoemd en besproken?
Die konklusie lijkt nauwelijks aanvechtbaar, zouden we denken.
Aan de andere kant herinneren we ons, denk ik, nog goed de indruk die het "Getuigenis" van een aantal leden van de Hervormde Kerk (oktober 1971) op ons gemaakt heeft. In dat getuigenis wordt stelling genomen tégen de vereenzelviging van het christelijk geloof met een bepaalde maatschappelijke en politieke betrokkenheid, tégen een verpolitisering en vermaatschappelijking van het heil, tégen de gedachte dat het Koninkrijk Gods allereerst een verandering van politieke orde en maatschappelijke strukturen zou betekenen.
Konden we ook dáármee niet wat de grote lijn betreft - instemmen?
Was dat niet juist?
Jawel, maar ik vraag me af of het ons allemaal nog wel duidelijk is.
Waar zijn we nu eigenlijk vóór en waar zijn we nu eigenlijk tégen?
Wat behoren we nu eigenlijk van onze predikanten te verlangen en wat behoren die dominees te brengen?
Verinnerlijking of strukturen?
Of is dat toch eigenlijk het dilemma met ?..

Het "vertalen" van Christus' boodschap

Met de bovenstaande vragen heb ik ook zelf de nodige moeite. Wat is nu de juiste bepaling van ons vóór-zijn en van ons tégen-zijn?
Waar vindt de grensoverschrijding plaats? Waar wordt het "politieke engagement" een vervalsing van de boodschap en waar is de politieke toepassing niet anders dan onderwerping aan het Woord van God?
Soms ontdek je bij het denken iets dat verhelderend werkt. Dan kun je het verschil als het ware onder een paar trefwoorden vangen. En het is misschien nuttig daarvan iets door te geven.
We zouden dan, denk ik, het dilemma "innerlijk-struktureel" moeten vervangen door de vraag: Wordt Christus toegepast of wordt Christus vertaald? Bij de toepassing blijft Hijzèlf in alle duidelijkheid overeind staan. Hij kàn geen moment wegvallen, want dan heeft de hele preek geen fundering meer.
Maar denk nu eens aan een vertaling.
Als u de franse taal niet beheerst en toch een franse brief krijgt, dan moet iemand anders uw “knappe" zoon of dochter, een kennis - die brief voor u vertalen in het Nederlands. Dan kunt u er kennis van nemen. Maar wat doet u dan met het franse origineel? U kunt het uit piëteit bewaren. U kunt het weggooien. In ieder geval, het funktioneert niet echt meer voor u. Het is door de vertaling vervangen! Met die vertaling "doet" u het!
Ik dacht dat heel wat bezwaren tegen politieke prediking niets te maken hadden met de schematiek "innerlijk-struktureel" maar alles met de vaak niet onder woorden gebrachte overtuiging, dat Christus niet meer wordt toegepast op onze levensvormen maar vertaald in ons eigentijdse apparaat van maatschappelijke en politieke begrippen.
Hij mocht dan een tekst, een idee, een gedachte, "aangeven" om vervolgens àf te treden!
Aan het eind van de preek is Hij er niet meer. Wij zijn nog alleen overgebleven om het overheden en onderdanen, werkgevers en werknemers, áán te zeggen! De vertaling heeft het origineel vervangen.
En "christelijk" heeft merkwaardigerwijze niet meer de zin van het geloof in de levende Christus!
We beseffen vaak niet, dat dat zèlfde ook bij de diepste verinnerlijking mogelijk is! Toch is dat zo.
In “Van Idolen en Schepselen" kiest A. Janse stelling tegen de mystieke gedachte, dat de geboorte van Christus nu in ons hart het eigenlijke is boven en tegenover zijn geboorte "als een maar" in Bethlèhem (zie blz. 46 evv.). Hier is het heilsfeit eigenlijk ook niet meer het fundament en de kracht van onze vreugde. Neen, het is veel meer een uitwendige parallel van wat zioh inwendig in en aan ons voltrekken moet. Hier gaan we over de grens van toepassing en vertaling heen. Hier kan straks de levende en "feitelijke" Christus ook aftreden, als zijn " verinwendiging" zich heeft voltooid. Hoe vaak is Hij ook hier geworden tot een "aangever" van suggesties omtrent een innerlijke realisering van het heil. De vraag is dus: Blijft de werkelijke, feitelijke, levendeChristus recht overeind staan in de toepassing of wordt die Christus door de vertaling in hedendaagse strukturele (of innerlijk-zielkundige) begrippen in feite vervangen?

Voorbeelden van "toepassing"

Wanneer Jakobus over de relatie van arm en rijk spreekt, dan zegt hij: "Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, maar de rijke in zijn geringheid ... " (1 : 9 evv.).
Hierbij is de "hoogheid" niet los te maken van Gods genade in Christus ("broeder") en de "geringheid"
niet van Gods gestrengheid (zie de zinspeling op Ps. 103). Wanneer men God en Christus zou vergeten, dan zou het woord van Jakobus ineenstorten, omdat het niet "zelfstandig" kan bestaan. Tevens ziet men de echt-maatschappelijke implikatie: De arme en de rijke worden door de "omkering" ("hoog"-"gering") naar elkaar toegebracht.
Hoogmoed en slaafsheid houden het hierbij niet uit!
Zien we deze zelfde "omkering"
niet heel mooi in het woord van Paulus over de relatie van heren en slaven in 1 Cor. 7 : 22 "Want de slaaf, die in de Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus"?
Hier weer het zelfde: Zou men Christus vergeten en Hem wegschrappen uit de tekst, dan wordt dit woord van zijn fundament beroofd. Dit woord "gebruikt"
Hem niet en passant maar Hij maakt dit woord pas mógelijk!
Tevens is het een echt-sociale kracht van .genezing - de slaaf kàn niet blijven wat hij was: een mensvormig werkapparaat!
Wanneer dezelfde Paulus een bijdrage gaat vragen voor de verarmde Judese broeders en zusters (2 Cor. 8 : 8 evv.), dan leidt hij deze vraag in met de verwijzing naar Christus, die "om uwentwil arm is geworden terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden" (9). Zo wordt Christus toegepast waarbij Hij overeind blijft staan, omdat anders de kracht gaat ontbreken. Zo wordt voorkomen de vertaling van Christus, waarbij Hij ons ideeën áángeeft, waarná Hij kan verdwijnen!
Is Hij er aan het eind van de preek nog in als de onmisbare Christus?
Of kan Hij er uit, omdat wij het nu kunnen overnemen?
Preken over gerechtigheid vàn volkeren en tussen bevolkingsgroepen, ... daar gaat het bezwaar niet tegen. Het kriterium is: Zijn Jakobus en Paulus gevolgd, of is de verankering gaandeweg van God-in-Christus losgemaakt en in een andere, "eigen" grond gevonden? Dat maakt uit of iets' "christelijk" kan worden genoemd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief