Met elkaar praten .....

1976-02-29
  • Jaargang 20
  • nummer 9
Zonder me direkt te mengen in het gesprek tussen binnen- en buiten verband, dat o.a. door ds H. J. van der Kwast van Amstelveen is aangezwengeld in de Kerkbode van Noord-Holland en dat via het N.D. en Opbouw verder gevoerd is, wil ik van opzij komend, dit gesprek dienen. Ik wil niet rechtstreeks een konfrontatie aangaan, met welke van de gesprekspartners dan ook, maar ik wil een aantal punten naar voren brengen, waar ik op gestoten ben in de afgelopen tijd, en die voor mijzelf een rol spelen in het overwegen van wat ons te doen staat. Zijn wij een serieuze gesprekspartner, die weet wat ze wil? Wij, dat zijn de gemeenten buiten verband, die worstelen met de vraag waar ze nu eigenlijk staan temidden van de vele kerken in Nederland.
Is het niet haast de hoogste tijd om de rijen te sluiten en een eigen ordelijk kerkelijk leven op te bouwen of moeten we pas op de plaats maken en ons allereerst oriënteren op die kerken, waarmee we ons verwant weten?
Over deze vragen wil ik een paar opmerkingen maken.

1) Weten we nu al waarover gesproken moet worden? Ook al staan we op het oog dicht bij elkaar, de naam binnen- en buiten verband suggereert tenminste zoiets, toch zijn er meer verschillen, dan die welke inde pers naar voren komen. Want is er behalve wat er in de 60er jaren is gebeurd niet meer dat ons doet verschillen?
Ik stel het als vraag, maar is het een gekke vraag?

2) Opvallend is ook dat degenen, die ingaan op de diskussie juist die mensen zijn, die er min of meer op een afstand bij betrokken waren. Ik bedoel niet dat het langs hen heen gegaan is, maar dat ze niet direkt in de frontlinie lagen, Dat geldt zowel voor binnen- als buitenverbanders. Degenen die aan den lijve de realiteit van de breulk gevoeld hebben blijven op een afstand. En is dat verwonderlijk?
Zij, en dat geldt voor beide kanten, die voor allerlei procedures gespaard bleven voelen nu misschien ook het eerst aan dat de lucht wat is opgeklaard.
Maar is dat wel helemaal waar?
In die gemeenten, waar binnen en buiten verband naast elkaar leven, en ik praat dan over de amsterdamse situatie, is weinig of geen kontaktoefendng.

3) Een eveneens opvallend verschijnsel is dat de jeugd er niet werkelijk bij betrokken is. Een eventueel gesprek zal bij hen weinig of geen weerklank vinden.
Wanneer de jongeren niet op de hoogte zijn van wat er gebeurd is, en wie praat daar in binnen- en buiten verband nu nog over, dan zal hun interesse minimaal zijn.
Hopelijk vergis ik me hierin grondig en zal juist bij hen, omdat zij de breuk zelf niet bewust hebben meegemaakt, de illustratie ontbreken.
In dit opzicht zal ook de houding van de ouderen tegenover de jongeren een rol spelen. In hoeverre wordt hun de breuk als een status quo, het is nu eenmaal zo, voorgehouden?
Dezelfde situatie doet zich dan voor als na de vrijmaking, toen de breuk ook al heel vlug als een voldongen feit werd voorgesteld.
Als jongen, geboren na de Vrijmaking maar wel bewust vrijgemaakt opgevoed, heb ik me lang vervreemd gevoeld van alles wat maar naar "synodaal” rook, Ditzelfde gold ook ten opzichte van de Chr. Geref., hoewel in mindere mate.
Een gesprek nu kan, mijns inziens, daarom slechts zin hebben voor hen die hun frustraties zijn kwijtgeraakt of die er van gevrijwaard zijn gebleven. Daarbij zal ook het zich bewust zijn van een eigen identiteit een belangrijke rol spelen.

4) Een volgende vraag geldt onze eigen kerken, Is een dialoog nu op zijn plaats? Doorkruist het niet het zoeken naar een eigen identiteit?
De vraag waarom ieder persoonlijk buiten-verband is geworden is niet gelijkelijk te beantwoorden.
Zoals ook in de vrijmaking het waarom niet gelijkelijk beantwoord kon worden. Dit verschil speelt een niet onbelangrijke rol in de vraag naar de eigen identiteit, als ook in de vraag naar het "wat nu '. (kerkverband, opleiding enz.).

5) De eigen identiteit. Ons bestaansrecht staar of valt niet met '67 (de verwikkelingen rondom de Open Brief). De breuk toen rechtvaardigt niet ons bestaansrecht nu, althans niet meer volkomen, De jongeren onder ons, en ik den:k dan aan de schoolgaande jeugd, vragen nu al naar die reden van ons bestaan, waarom zijn we er?
Wanneer deze vraag enkel met een verwijzing naar de geschiedenis beantwoord wordt, zullen we spoedig weer in een identiteitskrisis verzeild raken, omdat dat antwoord de jongeren geen genoegdoening geeft. Wil men zijn bestaan rechtvaardigen door een simpel beroep op de historie, dan wordt de historie tot een stuik geloofsgoed.
Het door de Open Brief als zodanig aangeduide vrijmakinggeloof was daarom ook echt geen onzinnige opmerking.

6) De eigen identiteit is daarom belangrijk omdat alleen dan een goede houding t.o.v. anderen bepaald kan worden. Wanneer onze identiteit bepaald wordt door de misschien wel grote verschillen, dan moeten die verschillen door ons serieus onder ogen gezien worden.
Ze behoeven niet gebagatelliseerd te worden, dat frustreert, ook niet te worden opgeblazen, er is altijd nog meer dat ons bindt. Onze eenheid hebben we immers in Christus, het Hoofd der kerk. Deze verschillen leiden er wellicht toe dat de buitenverbanders meer dan één kant uitkijken. Er zijn er die wat zien in een gesprek met binnenverband, anderen zien dat liever met de Ohr. Geref., weer anderen met de Geref. Kerken (al dan niet verontrust). Hiervoor behoeven we de ogen toch niet te sluiten? Misschien is daarom een al te haastige oriëntering op anderen nu ook wel wat voorbarig.
Het gesprek onder ons is immers nog nauwelijks op gang en komt dan ook niet meer zo gemakkelijk op gang.
Is men van mening dat onze verhouding tot anderen voorop staat, dan kunnen we op onze konventvergaderingen zgn. gewichtige zaken (akkoord van kerkelijk samenleven, de opleiding of begeleiding enz.) beter achterwege laten. Willen we echter serieus onze zaken op het konvent behandelen dan heeft het gesprek met elkaar in onze kerken de voorrang. De verschillen zullen uitgesproken kunnen worden en kunnen dan ook naast elkaar bestaan. Het gesprek met anderen behoeft niet uitgedraaid te worden, maar zal in alle nuchterheid gevoerd worden. Een goede verhouding en verstandhouding kan daarvan zeker de vrucht zijn.

7) We mogen echt wel zoeken naar eigenheid. Onze meningen profiel geven. We behoeven echt onze mening niet bij voorbaat al af te stemmen op opvattingen die leven in de kerken waarmee wij zouden willen optrekken, maar doen we er goed aan herkenbaar te blijven (zowel wat organisatie als denken betreft). Het schept immers ook voor anderen duidelijkheid wanneer we ons eigen gezicht tonen. Al die meningen die er bij ons zijn mogen terwille van de duidelijkheid en de herkenbaarheid best eens naar voren komen.
Zonder dat zouden we anderen immers opschepen met een gemeenschap met verborgen gebreken.

8) Konkreet denk ik daarbij aan wat de laatste jaren in Opbouw is geschreven. Dat is niet ronder waarde geweest. Niet altijd kwam even duidelijk over wat de redaktie bedoelde. Maar het op gang brengen van een diskussie over allerlei in geding zijnde onderwerpen is geen verloren zaak geweest.
Ik denk bijv. aan de wijze waarop een verschillende taxatie van de verontrusting aan de orde kwam, het gesprek over het kerkverband.
de wijze waarop wat onder ons geschreven wordt besproken wordt, hoe een weg gezocht wordt in de vragen van de ethiek. Wat ons samenbindt, het geloof in de Here Jezus en de eerbiedige omgang met de Schrift, voerde in deze diskussies, zo proef ik het tenminste, de boventoon. Jammer is dat verschillende aangegane gesprekken niet zijn voltooid. Waaraan zou dat toch liggen, vraag je je af. Voor de Schriftstudie, de vragen van de ethiek en de waardering van onze tijd is het toch niet nodig dat we allereerst kijken naar de binnenverbanders of Chr. Geref. om daar onze mening op af te stemmen? Het is goed wanneer we elkaar kritisch, en dan ook echt kritisch, blijven volgen.

9) De begeleiding. Een wat ondergewaardeerde zaak bij ons.
Zonder me aan vleierij schuldig te maken durf ik te stellen dat we blij mogen zijn dat deze mogelijkheid er is. Spontaan gegroeid vanuit een situatie die er om vroeg.
Ook in onze kerkdiensten en in ons persoondijk gebed mogen we daar best eens voor danken. Al is kritiek mogelijk, en een kritische begeleiding vanuit de kerken zal zeker gewaardeerd worden, toch vervult de Theologische Studie Begeleiding (T.S.H.) een belangrijke funktie. Wat mij persoonlijk betreft, en ik weet echt wel wat ik zeg, ik ben blij dat er op deze wijze stuur gegeven wordt aan ons theologisch bezig-zijn. Ik beschouw de beide begeleiders niet minder als mijn leermeesters dan de hoogleraren door wie ik wordt opgeleid tot predikant. Wat zij aan energie, denkkracht, Iiefde en eerbied voor de Schrift geïnvesteerd hebben, daar zullen de gemeenten in de komende jaren de vruchten van kunnen plukken.
Het lijkt overdreven, maar het moet toch eens gezegd worden. De begeleiding is het waard dat ze serieus genomen wordt.

Dit zijn een aantal punten die, mijns inziens, het overwegen waard zijn, wanneer we elkaar de vraag stellen waarom we nog bij elkaar zitten. Laat in een tijd van oriëntatie en heroriëntatie het vertrouwen in elkaar het mogen winnen, want we hebben elkaar gevonden op de naam van Jezus Christus. En dat houdt een belofte in (Hand. 2 : 38-40).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief