IN DE SPREEUWPOT
1976-02-29
Buiten ons huis, maar wel onder de kap, hangt een echte spreeuwpot.- Jaargang 20
- nummer 9
Wat is dat nu weer voor een ding, vraagt u? Rustig maar, dat wil ik u juist vertellen.
Als u van Dale naslaat ziet u, dat een spreeuwpot is: een middeleeuws keramiek vaatwerk, bizonder een nestkastje. En nu begrijpt u meteen, wat die gekke potten aan de gevels van Oudhollandse huizen inhielden.
U vindt ze op schilderijen van Breughel en Avercamp. Naast een bovenvenster of dakruitje hingen die spreeuwpotten. Waartoe? Om jonge spreeuwen te oogsten, als de tijd daar rijp voor was. Waarom? Omdat jonge vogels erg lekker moeten zijn en een welkome aanvulling op het menu betekenden in de gezinnen. U weet toch, dat zangvogels en jonge vogels tot op de huidige dag in zuidelijke landen - van België tot de Balkan - bij honderdduizenden geconsumeerd worden? En Mozes doelde hier op, toen hij zei: dat we met de jonge vogels niet tegelijk de moeder mogen vangen. Eén generatie doden kan nodig zijn; maar er moet een overblijfsel zijn.
Zo zit dat met die spreeuwpot. Maar die onder ons dak wordt niet als vangkooi gebruikt - stel u gerust. Die is echt om vogels te herbergen en te beschutten. U zult vragen: hoe komt u aan dat exemplaar?
Wel, een van mijn medewerkers zat destijds in een pottenbakkersclub.
En daar hadden ze de rage om spreeuwpotten te bakken: gesloten nestkastjes van aardewerk, op te hangen aan de gevel. Hij bakte een bizonder fraai exemplaar, die goede man, hing het aan de gevel en noemde zijn huis op zijn Oudhollands: In De Spreupot. Later, toen hij verhuisde, kon hij hem niet meer plaatsen en wilde hem ook niet achterlaten. Dies bood hij hem mij aan. De spreeuwpot kwam onder de kap van ons dak te hangen. Zodoende.
We hebben wel tal van houten nestkastjes en die worden ook jaarlijks gebruikt. Maar ze hebben alle het bezwaar, dat de vliegende gaaien ze te vaak uithalen. Zijn de jonge vogels zowat vliegvlug, dan gaat daar zo'n gaai op het dakje zitten, klopt even, wacht of een hongerige jonge vogel zijn kop uit het vlieggat steekt, pakt hem in een dodelijke greep vast, sleurt het krijsende jong naar buiten en maakt zich uit de voeten.
Keer op keer. Soms vijf maal op een dag. Daar word je tureluurs van.
Want al trachten we de gaaien kort te houden, met alle wettelijke middelen plus een speciale vergunning, de natuur is vaak harder dan wij.
En kijk: zo'n spreeuwpot biedt een beschermend hoekje, vlak onder de dakrand, vlak bij een raam, waarachter mensen wonen. Daar vliegen jonge vogels nog wel eens gezond uit: braamsluipers, mezen in alle soorten, maten en kwaliteiten, roodborstjes, winterkoninkjes en nog ander kleingoed. Nog maar eenmaal is er een broedsel overstuur gegaan: van het eerste zwaluwenpaar, dat daar huishield.
Wat is die spreeuw toch eigenlijk een merkwaardige vogel. Hoort hier eigenlijk heel niet thuis: een vogel uit de Aziatische steppe meen ik, die hier per ongeluk is verzeild geraakt. In mijn lagere schooljaren heette de spreeuw nog een trekvogel. En het trekken zit er nog goed in - al komt het er meestal niet uit. Aan de Amsterdamse singels hebben ze er weet van: wanneer in het najaar de spreeuwen zich bij duizenden in de grachtenbomen verzamelen. Dan drommen ze luid converserend samen, beheersen de ether, maken met hun witte kalkproducten uw auto in een kwartier onherkenbaar. Ook in de polder ziet u ze met duizenden zwermen; als u ze eindeloos nawaart ziet u de wolk zich verdichten tot kikkerdril - zich daarna uitzetten tot u bijna geen stipje meer ziet, om dan op een heel andere plaats ineens weer te concentreren. Maar ondanks dat massale rondvliegen trekken de spreeuwen vrijwel niet meer naar het zoele Zuiden. De trekvogel is een standvogel geworden, heeft zich aangepast aan onze weersomstandigheden.
Hij is al heel oud, deze vogel; dat is te zeggen: al heel lang bekend.
Want zijn naam is al heel oud, in alle talen. En hoe zou hij aan die naam komen: is die afgeleid van zijn roep? Vroeger sprak men van spra (zeg sproa) en ook sprêa (zeg maar sprihhe) maar als u met het laatste woord de Friese naam denkt te hebben bent u mis: in Friesland zeggen ze prottr tegen hem. In Schot- en Ierland zeggen ze sprawa (iets als sproawwe). Maar het is moeilijk de afkomst van die naam op te sporen. Want die naam lijkt ook al op sparrow, hetgeen mus betekent; houdt bovendien verband met sperwer, wat weer heel iets anders is.
Over dat aanpassen van de spreeuwen. Ja, niet alleen past hij zich aan bij ons klimaat, onze bomen, heesters, landbouwproducten en ons stadsvuil - maar ook past de spreeuw zich aan bij zijn vliegende omgeving.
Weinig vogels kunnen zo bedrieglijk de zang van andere vogels nabootsen als de spreeuw. Hij geeft de zang van vogels weer, die maanden geleden in zijn buurt hebben gebroed. En als een vogelkenner een bepaalde zangvogel niet met zekerheid kan thuisbrengen. .. gaat hij aan een spreeuw denken!
En nu het laatste avontuur met de spreeuwpot. In de koude weken van januari en februari hadden de vogels het hard in de natuur. Je snapt toch al niet waar ze van leven, als alles onder de sneeuw zit. En hoe ze het uithouden met die barre kou overdag, maar vooral 's nachts. Wel - de spreeuwpot bracht enig antwoord althans op de laatste vraag.
Op een koude, vorstige namiddag, tegen donker, ging een vogeltje langs ons raam, richting spreeuwpot. Dat kan. Dat woninkje staat de hele winter te huur voor toevallige bezoekers. Maar even later ging weer zo'n geruisloos donsballetje langs het raam. Richting spreeuwpot. En nog een en nog een. Er kwam er wel eens een terug - maar dan gingen er twee weer richting spreeuwpot. Het leek een vergadering. Welgeteld konden er negen vogeltjes in de spreeuwpot. Er gaan veel makke schapen in een hok en veel koude vogeltjes in een nestkastje. Ze hielden elkaar warm en gezond. De volgende namiddag ging het van voren af aan; alle dagen dat het zo koud was. Het was een verheugenis des harten, zulks te zien. Hun oplossing tegen de moordende kou. Salomo vroeg zich al af: hoe kan een alleen warm worden? Maar het Evangelie zegt: kijk naar de vogels, ze zaaien niet en ze spinnen niet, maar ze overleven.
In België worden twee spreeuwen voor een frankslee verkocht, maar de hemelse Vader zorgt ervoor, dat er niet een doodvriest zonder dat Hij het gedoogt.
U vraagt tenslotte, wat het voor vogeltjes waren, die daar in onze spreeuwpot overnachtten? Nu, vanwege de invallende duisternis kan het antwoord niet helemaal zeker worden gegeven. Maar vrijwel zeker kan ik u melden, dat het een kolonie goudhaantjes is geweest.
Dat goudhaantje, met een variëteit van vuurgoudhaantje, is een winterse gast uit het Noorden. Ze komen met grote troepen op de Veluwe overwinteren.
Eenmaal hebben we een luchtig avontuur met een goudhaantje gehad, dat ik u nog net even kan vertellen.
Zittende voor het raam zagen we tijdens het middagmaal een vogeltje in de sneeuw liggen. Het werd binnen gezet, want bleek nog te leven.
In de warmte kwam het bij, gaf een geluidje, fladderde door het vertrek, zocht een landingsplaats in de haardos van HKH en bleef daar innig vergenoegd zitten. Je zult ook maar de kans krijgen, een dame op de kop te zitten ...
Na enige tijd is het door een inmiddels opengezet raam vertrokken. Het liet niets meer van zich horen. Of het moest zijn, dat het in ons sparrenlaantje is gaan nestelen. Daar woei namelijk in een hevige voorjaarsstorm een minuscuul nestje naar beneden met nog een eitje erin: zo klein als u nimmer gezien hebt. Volgens een vogelhandboek was het ei van de goudhaan, 2 1/2 mm groot. Deze vogel blijft namelijk wel eens over om te nestelen. Maar als regel wonen ze in Siberië en andere Noordelijke streken. Hier komen ze gewoonlijk slechts om te overwinteren. Als u er meer van wilt weten: u zou een spreeuwpot kunnen bakken en zien of u de vogeltjes er ook in krijgt.