Iets over zendingsprediking in Afrika (4 - slot)

1976-03-05
  • Jaargang 20
  • nummer 10
Gemeenschap en verbond

In vorige artikelen hebben we gezien hoe in Afrika de gemeenschap dikwijls een goddelijk accent ontvangt, Hier zit dan ook de moeite van vele jonge Christenen die de moed niet hebben om, waar dat van hen gevraagd wordt, in eigen christelijke verantwoordelijkheid desnoods tegen de gemeenschap in te handelen. Dit gemeenschapsmensen ontneemt een mens dan ook dikwijls alle initiatief.
Maar tegenover ons westerse individualisme ziet het vaak scherper de samenhang van 't menselijk geslacht. Is de erfzonde voor ons een onverteerbare brok die op catechisaties bergen vragen oproept, in een Bantoekerk is dat zomaar duidelijk. Als vaststaat dat Adam onze voorvader is en in ronde viel, dan spreekt het vanzelf dat wij ook met en in hem schuldig zijn tegenover God. Je treft dan ook in Bantoekerken soms een gemeenschapsleven aan dat ons die van het Westen zijn vreemd is en tot jaloersheid moest verwekken.
De geweldige bijbelse gedachte dat God met de mens in gemeenschap treedt, een verbond opricht en Zich een valk verwerft, doet de individualistische Westerling eerdier vreemd aan dan de Afrikaan.
Het is zeer te betreuren dat een bepaald type prediking van het Westen met een nadruk buiten alle bijbelse proporties op de individuele verantwoordelijkheid, seculariserend werkt in Afrika; de gezinsgemeenschap wordt opgebroken in een aantal individuen die ellk voor zichzelf verantwoordelijk zijn en niet voor elkaar. Een vertekend beeld van wat de Bijbel beoogt is het resultaat. Niet een gemeenschapsarm samenzijn van individuen maar een tot elkaar willend behorend volk van God.
Wat geeft de zendingsprediking een gezonde hervorming van het afrikaanse gemeenschapsbegrip.
Gaat de mens als persoon onder in de gemeenschap inclusief zijn verantwoordelijkheid, de prediking van het verbond haalt hem er niet uit maar brengt hem naar voren als lid van de gemeenschap met eigen taak en verantwoordelijkheid in de gemeenschap. Prediking van het Evangelie en modern politiek leiderschap in Afrika hebben wel iets met elkaar te maken.
Heeft de westerse kerk wel het één en ander te leren van wat gemeenschap is, de afrikaanse kerk moet niet vergeten wat persoonlijke verantwoordelijkheid is.

.. geduld is zulk een schone zaak ...

Het zal iemand, die de moeite nam mij tot hiertoe te volgen, niet verbazen van mij te vernemen dat je jarenlang kunt preken zonder dat iemand ooit hoorde. Wanneer je als zendingsarbeider je niet bekommert om de typische problemen van de Afrikaan als vrees om betoverd te worden, de veeleisende voorvadergeesten, de aarzeling om jezelf bloot te geven in de gemeenschap, het stigma van onvruchtbaarheid en wat niet al, en wanneer je je als prediker niet voortdurend afvraagt wat dat Bantoe-oor nu precies opvangt, omdat de misverstanden immers zovele kunnen zijn, dàn kun je makkelijk Bijbelverhalen vertellen met vele toepassingen zonder tolk, maar zonder dat de hoorder ooit dóór heeft dat Jezus Christus de Bantoe-Heer en Broeder wil zijn in al die problemen waarvan wij geen notie hebben. Laten we het niet vergeten: de Heilige Geest verricht geen hoorwonder: het aansluiten van het Bantoe-oor op de golflengte van het Evangelie is een moeizaam, tijdrovend en geduld vragend werk. En dat is ons werk! Pas wanneer gehóórd wordt mag de prediker aan de kant gaan staan en zeggen: Heilige Geest, wilt U het wonder van bekering nu werken alstublieft.
Het thuisfront moet dan ook niet ongeduldig op 'resultaten' zitten wachten: evenmin mag de zendingsarbeider zich laten verleiden om te gauw verhalen te schrijven over Afrikanen die de Here Jezus aannamen; al te spoedig zou immers het vervolg geschreven moeten worden namelijk dat zij nu de Here Jezus verlaten hebben, terwijl in werkelijkheid oog geen confrontatie met het Evangelie had plaatsgevonden. Zendelingen gaan hier lang niet vrijuit - tenminste ikzelf niet.
Er zou hier in de marge van ons onderwerp het een en ander gezegd kunnen worden over de moeilijke vraag van -de verhouding van zendingsprediking en de opkomst van de honderden zwarte secten in Afrika. Men late zich hier niet te snel imponeren door één bepaald antwoord als door Sundkler indertijd gegeven, namelijk de rassenverhouding in zuidelijk Afrika. Ons onderwerp van de zendingsprediking heeft er ook het één en ander mee te maken.
Vele zwarte buitenstaanders wier heidense overtuigingen het in 1975 ook maar zwaar te verduren hebben, wenden zich met een hart vol hoop tot de kerk maar voelen zich schijnbaar niet aangesproken en richten zich nu tot één of andere secte die op het smalle randje van Christendom en heidendom balanceert.
Ook zouden kanttekeningen gemaakt kunnen worden over de wenselijkheid zolang mogelijk het zendingswerk te blijven dienen.
Een zendeling die er na een paar jaar weer vandoor gaat - maar wat weet ik van barre omstandigheden? - kan nauwelijks toekomen aan relevante prediking.

Naar een eigen kerkelijk leven

Een zendeling dient zichzelf zo gauw mogelijk de deur uit te werken.
Hij behoort steeds in het oog te houden dat zijn aanwezigheid ondier het vreemde volk een noodzakelijk kwaad is. De beste preken kunnen niet door hem gehouden worden want hoezeer hij de vreemde Bantoetalen ook beheerst, hoeveel hij ook weet van de mensen onder wie hij mag werken, voelen als een Bantoe voelt kan hij nooit. Je kunt op zijn best raden naar wat het is onder de klem te zitten van voorvadergeesten; je kunt als zendeling heel wat vertellen over de heimelijk uitgesproken vervloeking van de boze tovenaar maar de bedreiging ervan voelen, dàt kun je niet. Daarom kan een man van het eigen volk de pijl van het Evangelie ook beter richten dan de buitenstaander.
De zendeling zij zich dat steeds bewust. Zijn werk moet eens aflopen. Hoewel politieke overwegingen in het Koninkrijk het laatste woord niet mogen hebben, hebben ze een stem, en zeker in het woelige zuidelijke Afrika.
De Nederlander roepe hier niet te hard. Hoe lang zou in een nederlandse gemeente een Marokkaanse gastprediker onbelemmerd kunnen werken?
De beste dienst die de oude kerk aan de jonge kan leveren, is het opleiden van inheemse predikers.
Natuurlijk begint de zending daarmee niet. De zendeling begint hoe zou het anders kunnen? met het bij elkaar brengen van schapen voor de Here Jezus, met veldwerk dus. Na verloop van tijd heeft hij zijn medewerkers gekregen, doet een stapje terug uit dat veldwerk en concentreert zich meer en meer op de toerusting van die medewerkers opdat deze het Evangeliewerk voor hun rekening nemen hetzij als ouderlingen hetzij als vrouwenleidsters hetzij als evangelisten of hoe dan ook. Het doel moet immers dit zijn: de opbouw van het lidhaam van Christus (Ef. 4) onder die bepaalde stam of dat bepaalde volk, De steiger - en dat is de zendelingmoet eens worden weggenomen.
Wanneer? In het Koninkrijk kijken we niet voortdurend op de kalender - dat deden ze in Thessalonica maar werden ook behoorlijk vermaand - liever wachten we op Gods tijd.
Niet onredelijk is echter de vraag: heeft de zendingsprediking van onze Kamper zending al zoverre vrucht gedragen dat we al aan die toerusting van medewerkers toe zijn? Als antwoord diene het volgende: in de eerste plaats moeten we beseffen dat onze Kamper zending nog maar een baby is.
We mogen dan nu 3 zendelingen onder de Zoeloes aan het werk hebben, maar het is pas een jaar of 16 dat we begonnen zijn.
Op gevaar af voor dramatisch te worden versleten zeg ik toch maar: wat is zo'n paar jaar met Christus na een twintig eeuwen zonder Hem? In de tweede plaats mag ik de voortgang aflezen aan de verschillende situaties op het zendingsveld tijdens mijn 3 verloven.
Pas nu ik voor de 3e maal met verlof in Nederland ben, ben ik me van die ontwikkeling bewust.
Toen ik in 1963 voor de eerste maal met verlof was, moest vrijwel elke dienst door mijn blanke kollega, toen ds M. R. v. d. Berg, worden waargenomen. Medewerkers waren er eigenlijk niet. In 1969 nam mijn kollega ds A. H. Reitsemia 'mijn' kerken in zijn preekschema op en deed de speciale huisbezoeken. Er waren toen zeker medewerkers, maar de blanke hield een oogje in het zeil. Nu ik voor de derde maal in Nedertand ben, is er geen van mijn blanke kollega's die in 'mijn' kerken preekt, huisbezoeken doet of catechisaties waarneemt. Onze zwarte broeders verzongen dat alles. Als ik straks terugga naar Zoeloeland zal ik mij voor een zeer groot deel - naar besluit van de zendende kerk en de steunbiedende kerken - moeten toeleggen op de toerusting van de verschillende medewerkers, hun aantal proberen te vergroten en het veldwerk meer en meer aan anderen overlaten.
Want op den duur zal het woord 'zending' helemaal uit het woord in het opschrift boven deze artikelen – zendingsprediking moeten verdwijnen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief