Geen musje ter aarde zonder uw Vader
1976-03-12
De bekende tekst over het vallende musje wordt vandaag nog wel eens aangehaald, om ons te laten zien dat wij een verkeerd voorzienigheidsgeloof aanhangen. Het geloof namelijk in Gods albestuur, dat zich met het gebeuren tot in de kleinste détails bezighoudt, zou ten onrechte op dat woord van Jezus zijn gebaseerd, De Heidelbergse Catechismus kan in antwoord één wel zeggen, "dat zonder de wil Mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan" en daarmee de indruk wekken, die tekst uit Mattheüs 10 aan te halen, maar juist dat wat de Catechismus daar leest, staat er niet. Er is in het' oorspronkelijke grieks geen sprake van, dat het uiteindelijk op de wil van de hemelse Vader zou zijn terug te leiden, wanneer er een haar van mijn hoofd of een mus van het dak valt. Er staat immers alleen maar, dat dit niet geschiedt 'zonder Uw Vader' - zegt men.- Jaargang 20
- nummer 11
Wat is het verschil tussen 'zonder de wil van uw hemelse Vader' en 'zonder uw Vader'? Men ziet dit verschil als zeer groot. Laat ik trachten, het met een voorbeeld duidelijk te malen. In het eerste geval is de Here God de directeur van het wereld-bedrijf; alles wat daarin omgaat heeft met Hem te, maken en gaat niet om buiten zijn leiding en bestuur. Maar in het tweede geval is de Here God alleen maar de personeelschef. Hij is voor het wel en wee van het bedrijf niet verantwoordelijk te stellen, maar zijn taak is het om in alle wel en wee bij het personeel te zijn, het er zo goed mogelijk doorheen te leiden, er met zijn liefde en sympathie bij te zijn.
Ben je dus ontslagen, dat wil zeggen: op wat voor manier dan ook door de mangel van het leven gehaald, dan is dat niet omgegaan bui ten de wil van de directeur.
Maar die directeur is even ver en onpersoonlijk als het noodlot. Aan hem is volstrekt niets vaderlijks.
De God van de Bijbel heeft dan ook met hem niets te maken. Nee, de Bijbelse God van Jezus Christus is slechts te herkennen in de personeelschef, die je thuis komt opzoeken, bloemen voor je vrouw meebrengt, sympathiek en begrijpend luistert naar je gemopper op de leiding, eventueel zelfs zijn schouder aanbiedt om tegen uit te huilen. Maar als je hem vraagt: kunt ó er dan niets aan doen?, dan zegt hij, dat hij ook geen ijzer met handen kan breken. Hij is de directeur niet.
Misschien moeten we om de bedoelde opvatting recht te doen nog een ander beeld verzinnen, dat God helemaal van het bedrijf losmaakt.
Bij voorbeeld dat van Florence Nightingale, die in de vorige eeuw met zegenende handen over de slagvelden van de Krimoorlog ging, zonder dat zij met de oorlogvoering zelf iets uitstaande had. Dit beeld redt God van de blaam van een dubbelrol, waaraan Hij in het bedrijf, met welke sympathieke taak ook belast, niet helemaal ontkomt. Hij is dan slechts als de mee-lijdende God in onze wereld aanwezig en wij behoeven Hem niet langer te compromitteren met alles wat daarin misgaat.
Het is duidelijk dat vandaag de schoen wringt bij de belijdenis van Gods almacht. De christelijke kerk kan God in zijn almacht niet langer verdedigen in een wereld die bol staat van leed en onrecht en men meent nu gevonden te hebben dat de Bijbel Hem ook helemaal niet als de Almachtige voorstelt.
God is bescheidener dan men vroeger dacht. En het gebed tot Hem moet ook rekening houden met deze bescheiden maten van Hem; Hij kan maar niet alles.
Het is nu evenwel in deze voorstelling niet zo, dat God van alle almacht afziet. Gods almacht ligt vóór Hem. Hij werkt er zich naar toe. Hij veoht er zich naar toe. Dat is een trek die aan de genoemde voorbeelden van zoëven ontbreekt.
Die gelijkenissen, bijv. die van Florence Nightingale, missen het rebelse, dat de bijbelse God zo eigen is. Hij is een vechter. Hij neemt het niet. Hij zal een keer over alle leed en onrecht triomferen.
En wij met Hem. Als wij tenminste ons door zijn opstanding laten bewegen tot opstandigheid.
Maar de meeste christenen bukken helaas voor de God van het lot en aanvaarden gelijkmoedig wat hun overkomt.
Het geloof in Gods almacht-hier-en-nu stelt men nu wel verantwoordelijk voor deze trek van gezapigheid en berusting, die tot dusver in het christelijk geloof gezeten heeft. Het geloof dat regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede niet bij geval maar van Gods Vaderhand ons toekomen (zondag 10 H.C.), heeft christenen van het accepterende type van ons gemaakt. Dit geloof moet nu nodig plaats maken voor het vertrouwensvol inzicht dat de God van de Bijbel zich bekommert om ook het kleinste en nietigste schepsel, niet om dat te laten vallen (althans daar de hand in te hebben) maar om het op te richten en uiteindelijk te redden. Hij zet Zich er voor in, met de weerloze macht van zijn liefde. En Hij vraagt dat ook van ons.
Ieder voelt dat hier een nieuw geiloof -gepredikt wordt. Nieuw en naar mijn inzicht ook afwijkend van het bijbels getuigenis. Dat kan ik nu in één keer niet allemaal aantonen. Ik ben er in ons blad ook wel eens een beetje mee bezig geweest en zal dat nog wel eens doen. Maar nu dus die ene tekst over dat vallende musje, die vaak genoemd wordt, omdat men meent aan de grondtekst een duidelijk houvast te hebben voor deze nieuwe opvatting. Is dat juist?
Naar mijn inzicht is dit Schriftbewijs schijnbaar. Het lijkt sterk, maar het is dat niet. 'Zonder uw Vader' is wel degelijk een verkorte spreekwijze voor 'zonder de wil van uw Vader'. De uitdrukking is te vergelijken met een andere, die
evenzeer in het Nieuwe Testament voorkomt, te weten: 'naar God', in de betekenis 'naar de wil van God'. Zo heeft Paulus het in 2 Cor.
7 : 10 (volgens de Statenvertaling) over 'de droefheid naar God', wat in de nieuwe vertaling terecht is weergegeven als 'de droefheid naar Gods wil'. Ook daar wordt dit 'wil' niet letterlijk genoemd, maar het moet er wel degelijk bij gedacht worden. We hebben hier gewoon met een stukje grieks taaleigen te doen, waar zeker geen ver reikende theologische conclusies uit getrokken kunnen worden. Als we in de griekse tekst van Amos 3 : 5 de (ietwat gelijkende) woorden lezen: 'zal een vogel op de grond vallen zonder vogelvanger?', dan moet ook daar omschreven worden met 'zonder de wil van' of 'zonder toedoen van de vogelvanger'. De vogelvanger hier als sympathisant van de vallende vogel te zien, is zelfs onzin.
Maar nu geen misverstanden; het is zeer terecht, wanneer men vanuit Mattheüs benadrukt dat de Hemelse Vader er met zijn liefdevolle belangstelling bij is, wanneer een musje ter aarde valt. Zijn schepping gaat Hem tot in het kleinste er harte. Dat zit in zijn Vaderschap opgesloten. Het gaat evenwel fout, wanneer dit meelijden van God tegenover zijn almacht en regering van alle dingen gesteld wordt.
Het vasthouden aan zowel het een als het ander geeft inderdaad aan ons geloof iets moeilijks, want hoe verhouden zich dan die liefde en die almacht tot elkaar? Als Hij almachtig is, waarom is dan zijn liefde niet duidelijker herkenbaar in het gebeuren? Dat zijn vragen, waar iedere gelovige het wel eens zeer te kwaad mee kan hebben.
Toch is het bijbelse getuigenis omtrent Gods leiding en regering van alle dingen te duidelijk, dan dat wij erzomaar aan voorbij zouden kunnen horen.
Overigens is het goed er ook op te wijzen, dat het woord van Jezus zeer genuanceerd is. In de bekende tekst is het gebeuren niet kort gesloten op de wil van God.
Christus zegt niet, dat de mussen van het dak en de haren van het hoofd vallen door de wil van God.
De werkelijkheid is allerminst een spiegel waarin we Gods wil en bedoeling klaar en duidelijk zien.
De Heiland zegt alleen: dat vallen gaat niet zonder de wil van God.
Het gaat niet buiten Hem om. Op een ons verborgen wijze moet het dienstbaar zijn aan zijn plan, dat onze verlossing beoogt. 'Niet zonder' - daar zit een onrechtstreeksheid in, die we ook nagesproken vinden in art. 13 van de Ned. Gel. Bel.: " ... alzo dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijn ordinantie, hoewel nochtans God noch Auteur is noch schuld heeft van de zonde die er geschiedt." 'Niet zonder' - dat belijdt een geloof en spaart tegelijk ruimte uit voor een mysterie.