Voor mensen van goede wil
1976-03-12
De afgelopen zomer kocht ik in Amsterdam van een soldaat van het Leger des Heils een boekje met bovengenoemde titel. In het voorwoord staat o.a.: "Dit is het verhaal van vijfentwintig jaar werk in een wijk die meer dan zevenhonderd jaar oud is. Met als hoofdpersoon een vrouw die de zestig al gepasseerd is, maar nog rustig doorgaat, Wat duidelijker gezegd: dit is het verhaal van vijfentwintig jaar Goodwilll-werk in de Oude Binnenstad van Amsterdam, onder leiding van kolonel Bosshardt."- Jaargang 20
- nummer 11
Als iemand van het Leger des Heils me een bus onder de neus houdt of iets wil verkopen, kan ik nooit weigeren. Eigenlijk ben ik altijd wat beschaamd. Want die mensen van het Leger dóen wat kerkmens en zouden moeten doen.
Over het begin van het werk vertelt kolonel Bosshardt het volgende: "De eerste bijeenkomstzaal voor de zondagse Legerdiensten: "We vonden eindelijk een zaaltje in de O.Z. Armsteeg, de steeg naast ons huis. Het bleek het achterzaaltje te zijn van een café in de Warmoesstraat, waarmee het dooreen gang verbonden was. De huurprijs was vijf gulden per keer. Er konden ongeveer dertig mensen in. In het zaaltje was nog een uitbouw, een soort grote kast.
Daarin sliepen de kinderen van de caféhouders. Maar het begon pas goed toen we 's avonds samenkomsten begonnen te houden. Dat is ook een geestelijke doorbraak geworden - er kwamen zondag op zondag mensen tot bekering.
Maar ook dat ging in een eigen sfeer. Ik weet nog op een zondagavond dat er een aantal mannen aan de zondaarsbank geknield lag en dat er nog meer naar voren wilden komen. En dat tante Coba, die prostituée was geweést, maar nu bekeerd, toen zei: 'Daar komt niks van in, deze zondag niet meer, ze heeft nou al met genoeg kerels gebeden, 't is geen doen voor dat mens!' En we hadden dikwijls dat onder onze preektafel een dronken man lag te slapen.
Dat kwam ook door dat wonderlijke tussengangetje. dat van onze zaal naar het café liep.
In het gangetje zaten de toiletten.
En zo over en weer liepen ze dan van ons wel eens via het toilet naar het café, om er eentje te pikken. En omgekeerd liep er ook wel 's eentje van de kroeg via het toilet dom naar 'ons. Hopelijk pikte hij daar wat van mee ...
Dikwijls hadden we die vier ;kinderen van de kastelein in hun nachthemden op de eerste Tij ... Als pa dat merkte, draaide hij de stoppen er uit en zaten we allemaal in het donker, Pas als zijn kroost op bed lag, kregen we weer licht en konden we doorgaan ...
Op een goeie dag had de kastelein de brouwerij niet betaald en die hadden alle meubilair weglaten halen ... daar stonden we op zondagmorgen ...
zonder een stoel om op te zitten.
Nee, 't werd hoog tijd dat er wat anders kwam ... "
Over de godsdienstigheid van de mensen staat in het boekje het volgende te lezen: ,,Ik vind maar weinig mensen die helemaal niet op het geloof aanspreekbaar zijn, Het is altijd weer verbazingwekkend hoe gemakkelijk je er met mensen over in gesprek komt. En hoe zeilden het voorkomt dat ze dan zeggen: mij niet gezien. Maar de mensen koppelen godsdienstige gevoelens niet meer zo automatisch als vroeger aan de kerk.
Ze hebben heel vaalk wel degelijk iets van een duidelijke Godsbeleving. Maar dan zeggen ze er vaak bij dat ze daarom nog lang niet hardhollend achter de kerk aan lopen ...
Ik begrijp dat natuurlijk best.
Maar helemaal lekker zit me zoiets niet ... het christendom is een godsdienst die in zijn vormgeving eenvoudig niet zonder gemeenschap kan ... "
Zo werken die heilsoldaten door.
Ze hebben een woord voor ieder.
En de deuren van de gebouwen van het Leger staan open voor ieder. En ze komen.
"De man die zo'n beetje zwerft en een bakje koffie wil.
De vrouw die door haar man bedrogen is en troost wil.
Het meisje dat in verwachting is en raad wil.
De zeeman die een kater heeft en aspirine wil.
De provincieman wiens portefeuille gerold is en een treinkaartje wil.
Een jongen die onder de drugs zat en er vanaf wil."
Dit werk van het Leger des Heils gaat door.
Of ik dan geen kritiek heb op het Leger? 0 jawel, maar kritiek behoeft niet altijd geuit te worden.
En als we 's avonds bij de warme kachel zitten, kunnen we misschien eens denken aan die mannen en vrouwen, die er op uit trekken. In de kou en in de duisternis met een boodschap van warmte en licht.
Want: "Maar één ding zal blijven: de boodschap die dit werk door spreken en doen wil uitdragen.
De boodschap dat God liefde is.
Dat hij ieder van ons liefheeft.
Dat wij in een persoonlijke relatie tot God staan.
Dat die relatie ook onze verhouding tot onze medemens bepaald.
Dat God ons in het geloof kracht geeft om de zonde te overwinnen.
In onszelf, in de wereld.
Dat het leven dat ons als een opdracht is gegeven, geen onvervulbare taak is. Dat we er iets goeds van kunnen maken.
En dat er daarom hoop is.
Voor alle mensen van goede wil ... "