Reformatorische Politieke Federatie
1976-03-19
- Jaargang 20
- nummer 12
• Opbouw en Politiek
Van de zijde van de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) kwam het verzoek in Opbouw aandacht te geven aan de ontwikkeling van deze federatie.
Enkele maanden geleden verschenen een aantal artikelen over het CDA. Het lijkt me goed, dat ook aan deze kleinere politieke concentratie.
die zich presenteert als een beter alternatief van het CDA, aandacht geschonken wordt.
Nu vraagt het schrijven over een politieke organisatie in Opbouw wel enige beperking. Het is een niet te miskennen realiteit, dat t.a.v. de politieke partijkeus bij de lezers van Opbouw nog al wat divergentie bestaat. Het is niet de taak van Opbouw keus te maken voor een bepaalde christelijke partij, met afwijzing van alle andere partijen. In het verleden heeft het exclusief kiezen van de vrijgemaakte pers voor het GPV veel ellende veroorzaakt, ja zelfs meegewerkt aan een breuk in de vrijgemaakte kerken.
We moeten in Opbouw deze kant niet op. Ik zal mij bv. dan ook onthouden van een vergelijking tussen CDA en RPF. Ook als we ons wat betreft het partij kiezen beperkingen opleggen, is er nog genoeg te schrijven, in opbouwende zin, over politieke vraagstukken en ontwikkelingen.
Overigens realiseer ik mij, dat het voor mij als lid van de ARP niet zo eenvoudig is onbevooroordeeld over de RPF te schrijven.
• De Oprichting
De RPF, officieel opgericht op 15 maart 1975, is een federatie van het NEV, de Gespreksgroep van AR-Gezinden, het Reformatorisch Jongeren Contact en een aantal zelfstandige kiesverenigingen. In deze federatie behouden de samenwerkende organisatie hun zelfstandigheid, all zal men op den duur wel aankoersen op één organisatie.
Het officiële orgaan van de federatie is Nieuw Nederland Eenzelfde naam droeg een in 1945 opgericht weekblad, dat onder hoofdredactie van prof. dr H. Dooyeweerd een aantal jaren voortreffelijke artikelen publiceerde.
In de strijd tegen de doorbraakgedachte had dit blad een belangrijk aandeel.
Helaas heeft het slechts enkele jaren bestaan. De artikelen van prof. Dooyeweerd zijn later opnieuw uitgegeven in "Vernieuwing en Bezinning".
Het orgaan van de RPF wil gaan in het spoor van dat eerste "Nieuw Nederland". Daarbij wil men zich ook richten tegen de tweede doorbraak die thans plaats vindt in het maatschappelijke en politieke leven in ons Land.
Onder het comité van aanbeveling voor de RPF, waaronder verscheiden namen van "buitenverbanders"
staan, vinden we ook namen van vooraanstaande figuren uit de kring van de Calvinistische Wijsbegeerte. Ik noem prof. Popma, prof. Troost en prof. Vollenhoven.
• De Grondslag
Toen de RPF tot stand kwam, is er enige discussie geweest over de grondslag.
Hoe kan het ook anders bij een christelijke politieke federatie.
Uit Nieuw Nederland (mijn voornaamste bron over de RPF) blijkt, dat art. 2 van de ontwerp statuten luidde: de RPF wil zich bij haar politieke arbeid laten leiden door de christelijke of reformatorische levensovertuiging aangaande Schepping, Zondeval en Verlossing door Jezus Christus, zoals geopenbaard in de Bijbel, Ze aanvaardt als enige norm voor haar politieke handelen het gezaghebbende en betrouwbare Woord van God.
Het bleek echter, dat een zeer ruime meerderheid in deze grondslag behalve de H. Schrift ook die confessie zoals beleden in de Drie Formulieren van Enigheid wilde zien opgenomen.
De grondslag is nu als volgt: De RPF aanvaardt als enige norm voor haar denken en handelen het onfeilbare en gezaghebbende Woord van God zoals ten aanzien daarvan ook beleden wordt in de 3 formulieren van Enigheid. Zij wil zich daarbij laten leiden door de christelijke levensovertuiging zoals die in het reformatorisch grondmotief van Schepping, zondeval en verlossing door Jezus Christus tot uitdrukking wordt gebracht. Men was van oordeel, dat op deze wijze het contact met GPV en SGP gemakkelijker zouden lopen.
Deze keus om de confessie ook in de grondslag op te nemen ligt in de lijn van het NEV, een der partners in de federatie. Het NEV heeft deze grondslag al, terwijl men ook het program van richtlijnen van het GPV hanteert.
Door deze keus heeft men zich echter wel verwijderd van de ARopvatting, die de binding van een politieke partij aan een kerkelijke confessie afwijst. Het heeft mij dan ook verbaasd, dat werd uitgesproken, dat men niet bang was door deze grondslag bepaalde medechristenen te verhinderen deel te nemen aan de RPF. Weet men niet van de discussie, die in vroege jaren tussen GPV en AR-aanhangers over deze grondslagkwestie werd gevoerd?
Door deze keus sluit men niet alleen hen uit, die op principiële gronden een kerkelijke confessie niet willen aanvaarden als grondslag voor een politieke partij, maar ook allen, die de gereformeerde belijdenis niet volledig onderschrijven, Waarom kan b.v. in de EO wel, wat nu in de RPF wordt afgewezen?
Zo op het oog ligt men met deze grondslag wat dichter bij het GPV en het SGP, met welke partijen men zoekt samen te werken.
Maar juist die confessie kan in de praktijk wel eens een struikelblok betekenen.
Het SGP stelt zich op de grondslag van de H. Schrift en staat mitsdien voor de handhaving van het onverkorte art. 36 NGB. Een standpunt, dat door de RPF wel niet zal worden gedeeld.
Met het GPV komt men in botsing t.a.v, de interpretatie van de artikelen 28 e.v. NGB.
Zal deze grondslag ook in eigen kring niet tot moeilijkheden leiden?
In Nieuw Nederland schreef B. S. van der Bijl: "Roe moeten we reformeren, dan kan ik u alleen maar verwijzen naar art. 29 NBG.
Daarin staan duidelijk de merktekenen van de ware kerk van onze Here Jezus Christus beschreven.
Aan de hand van de merktekenen moet u iedere kerk toetsen en beoordelen. Dan zal u blijken, dat er in ons land Gode zij dank nog Geref. Kerken zijn die aan de bijbelse voorwaarden geheel voldoen. U behoeft daar echt niet lang naar te zoeken."
Met een dergelijke uitspraak heb ik toch echt wel enige moeite. Het is de vertolking van een visie, die er mede toe heeft geleid, dat 28000 kerkleden buiten het verband kwamen te staan. Gelukkig deelde J. G. van der Land mee, dat de redactie van Bezinning voor dit artikel niet verantwoordelijk is.
Het is echter duidelijk, dat het "ware kerk probleem" levensgroot aanwezig is.
• Hoe verder?
De R.P.F. streeft naar bundeling van organisaties, die van dezelfde norm uitgaan. Men denkt daarbij dan vooral aan het GPV en SGP.
Men kijkt daar mooi wat te optimistisch tegenaan.
Niet in die zin, dat men in de praktische politiek niet zou kunnen samenwerken. Mijn ervaring in de provo staten in Overijssel is, dat we zelfs als chr. democratische fractie goed kunnen samenwerken met GPV- en SGP-fractie.
Dat is echter nog wat anders dan samen optrekken b.v. in federatief verband. Het gevaar is dan groot, dat de RPF geen eigen gezicht krijgt, en men op die andere partijen gaat leunen.
Wat betreft de politieke doelstellingen is de neiging merkbaar om evenals het NEV de politieke richtlijnen van het GPV al dan niet aangepast te gaan gebruiken.
Het lijkt me voor AR-gezinden toch moeilijk deze richtlijnen als politieke doelstelling te aanvaarden.
Art. 6 b.v., waarbij de overheid de taak krijgt door haar beleid en wetgeving uitvoering te geven aan de Tien geboden lijkt me nog al aanvechtbaar.
Daar zijn ongetwijfeld een aantal verontruste AR-leden, die zoeken naar een ander politiek onderdak.
Voor de meesten bieden SGP en GPV geen alternatief. Het GPV is dat voor niet-vrijgemaakten niet door haar exclusief kerkelijk denken. Het SGP is weinig aantrekkelijk door de opvatting over art. 36 NGB en ook de afwijzing van de verzekeringsgedachte, om maar niet meer te noemen.
Een RPF met een eigen gezicht kan voor deze mensen wel een alternatief zijn.
De RPF kan in de korte tijd van haar bestaan dan ook al melding maken van groei. Een 14-tal kiesverenigingen hebben zich tot nu toe aangesloten en er zullen nog wel meerdere volgen.
Of deze groei zich zal voortzetten is moeilijk te voorspellen en zal mede afhangen van de ontwikkelingen in het CDA.
Naar mijn opvatting, maar ik ben slechts een buitenstaander, zou de RPF het meeste perspectief bieden, wanneer men de gedachten ontwikkeld in "Nieuw Nederland" van prof. Dooyeweerd verder ging ontwikkelen, Dat geeft een beter vooruitzicht, dan leunen op of zich afzetten tegen andere partijen, Maar het is wel een moeilijker weg.