God zorgt voor zijn kerk wereldwijd
2012-09-15
Reizen met Open Doors is voor mij uitgegroeid tot een gezonde verslaving. Ik ben in de meest vreemde landen geweest. Landen waarvan ik nooit had gedacht dat ik daar ooit zou komen, zo streng en gesloten als ze zijn. Maar hoe schrijnend de situaties daar soms ook waren, keer op keer mocht ik ondervinden dat God zorgt voor zijn kerk wereldwijd. Op een heel bijzondere manier. - Jaargang 56
- nummer 18
‘God heeft je niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar van kracht, liefde en bezonnenheid!’ Deze woorden uit 2 Timoteüs 1:7 zei een vervolgde christen jaren geleden tegen me. Sindsdien loopt dat bijbelvers als een rode draad door mijn leven.
Die christen ontmoette ik tijdens één van mijn eerste reizen met Open Doors. Daarna volgden nog vele reizen meer, naar de meest vreemde landen. Van strenge moslimlanden tot Noord-Korea.
Tijdens mijn laatste presentatie over mijn reizen, bij een groep in Zwolle, realiseerde ik me weer dat er nog altijd een grote groep mensen is die niet weet dat er christenen – geloofsgenoten – zijn die worden vervolgd om hun geloof. Ik vertelde over mijn ontmoetingen met vervolgde christenen en dat er in een aantal landen in de wereld geen godsdienstvrijheid is.
Voor een aantal toehoorders ging er een wereld open. ‘Gebeurt dit echt?’ Ja, het gebeurt echt, kan ik dan uit eigen ervaring vertellen. Ik heb de christenen persoonlijk ontmoet. Ik mocht de pijn en angst in hun ogen zien. Maar wat me het meest raakte, was hun liefde voor de Here Jezus.
Die liefde mag alles kosten, zelfs als dat inhoudt dat iemand jaren in de gevangenis moet doorbrengen. Zelfs wanneer het betekent dat je je leven moet geven.
Douanier
Voor veel christenen is het erg moeilijk om aan een bijbel te komen.
Daarom neem ik graag bijbels en ander studiemateriaal mee als ik op reis ga. Dat is best spannend, want het land waar je naartoe gaat, is niet altijd even blij met deze bijbels en boeken.
Soms zijn ze simpelweg verboden.
Ik herinner me een reis naar een zeer gesloten moslimland. Op Schiphol keek ik hoe mijn koffer er op de scan uitzag, want er zat 12 kilo aan boeken in, die niet waren bedoeld om in een weekje vakantie te lezen. Het waren boeken die het land van mijn bestemming eigenlijk niet in mochten. Voor we het vliegtuig in gingen, werd er voor me gebeden. We baden of God de ogen van de douaniers wilde sluiten en vol vertrouwen stapte ik het vliegtuig in.
Daar aangekomen liep ik met mijn bagagekar met koffers naar een loket waar mijn spullen gescand zouden worden. En tot mijn grote verbazing zat de douanier te slapen! Ik twijfelde even of ik hem wakker moest maken; dit was een situatie waar ik me niet op had voorbereid. Maar ineens dacht ik aan ons gebed op Schiphol. God had deze man letterlijk de ogen gesloten en ik dacht eraan om hem wakker te maken… Ik ben gauw doorgelopen en zo kwam mijn 12 kilo aan materiaal veilig het land in.
Kruisje
Een land dat werkelijk niet te begrijpen is, is Noord-Korea. In dat land gaat alles anders dan je denkt. Daar voel je continu de hete adem van de veiligheidsdiensten in je nek. In principe kun je er geen christenen ontmoeten en ga je ernaartoe om te bidden voor een volk dat verschrikkelijk wordt onderdrukt. Ook christenen hebben het daar vreselijk zwaar, omdat er simpelweg geen godsdienst in het land wordt geaccepteerd.
Via een ondergronds netwerk had een groep christenen in Noord-Korea gehoord dat een aantal buitenlandse christenen door het land zou trekken.
Die wetenschap zorgde voor bijzondere ontmoetingen.
Op een parkeerplaats kwam een man recht op me af lopen. Hij keek me strak aan en klopte met zijn hand op zijn borst. Ik was druk bezig te bedenken of hij me links of rechts zou passeren en op het laatste moment deed hij een stap naar links. Op dat moment drong het tot me door wat hij deed. Hij klopte met zijn hand op de plek waar ik mijn goed zichtbare ketting met een kruisje had hangen.
Ik draaide me om – ik wilde hem aan zijn jas trekken – maar gelukkig rende de man een gebouw in. Ik had hem in mijn impulsiviteit bijna verraden.
Ik wilde hem daarna zo graag laten weten dat ik hem als ‘broer’ herkend had, dat ik bad tot God of ik hem nog een keer mocht zien. Een poosje later kwam hij met anderen uit het gebouw en keek me weer aan. Ik bedacht wat ik kon doen om hem te laten weten dat ik hem begrepen had, en dat op een manier die hem niet in gevaar zou brengen. Het enige wat ik kon doen, was wat hij gedaan had, namelijk te kloppen op mijn ketting met het kruisje.
Later die week wilde ik een klein jongetje op de foto zetten. Het jochie zat op de trappen bij een monument waar we waren geweest. Hij was bang voor me en begon te huilen. Ik gebaarde dat ik hem niet op de foto zou zetten, maar zijn vader begon enthousiast te gebaren dat ik hem wél op de foto moest zetten. Ik maakte een foto van hen samen om de vader gerust te stellen en ik zag dat het jongetje rustiger werd. Ik maakte nog een paar foto’s en liet het jongetje mijn display zien, zodat hij de foto’s van zichzelf kon zien. De vader zat er enthousiast bij.
Ik werd opgehaald door een reisgenote en ik groette het jongetje en de vader met een zwaai ten afscheid. Ik zag dat de man mijn reisgenote een hand gaf en toen ze naast me liep, zei ze: ‘Weet je wat die man deed? Hij tekende met zijn vinger een kruis op mijn hand.’ Ik denk nog vaak aan de man en zijn zoontje. Ik moest vanwege hun veiligheid de foto’s van mijn toestel verwijderen, maar ik heb één foto van het jongetje kunnen meenemen. Deze foto hangt in mijn kamer. Wanneer ik het jongetje in de ogen kijk, komen er allerlei emoties boven die me doen denken aan de christenen in Noord-Korea en sijgt een gebed op naar de hemel. Zou het jongetje de hemelse Vader van zijn vader leren kennen?
Ik weet dat het gevaar zo groot is dat kinderen hun ouders in hun onschuld verraden.
Toen we weer vertrokken uit dit land, wat voor mij één grote gevangenis was, stond ik op het perron te wachten op de trein. Ik wilde zo graag nog iets doen voor het land. Ik hief mijn handen op en zegende het. Tot mijn grote verrassing zag ik achter het hek de armen van een man in een zegenend gebaar omhoog gaan.
Tijdens de terugreis op 5 mei stuurde ik mijn man een berichtje met de woorden: ‘5 mei, wij zijn vrij, en zij… niet…’ Wat vond ik het moeilijk om dit land te verlaten. Ik stapte de trein in en reed de vrijheid tegemoet. Maar deze mensen zijn gedwongen om in Noord-Korea te blijven en onderdrukt te worden. Christenen kennen door de liefde van Jezus de vrijheid in hun hart, maar wat was het moeilijk om hen achter te laten.
Kokosboom
In andere landen kan het zijn dat je meer persoonlijke ontmoetingen hebt met vervolgde christenen. Zo ontmoette ik in een gesloten moslimland een man die ik Daniël noem. Daniël vertelde dat hij moslim was en door dromen tot geloof was gekomen. Hij kwam onverwachts bij ons toen we in een kerkje waren waar vanwege vervolging geen kerkdiensten meer werden gehouden. We hadden er gebeden en gezongen en iedereen uit de groep was geschokt door het feit dat de gemeente die hier ooit samenkwam dat niet meer kon doen.
Ineens stond Daniël bij ons en vertelde zijn verhaal. Hij droomde dat hij twee bomen had, een nepkokosboom en een echte kokosboom. Aan de ‘nepper’ zat nu juist wel een kokosnoot en hij had wel zin in de kokosmelk, dus gaf hij de nepkokosboom water. Er gebeurde niets, maar hij bleef de boom water geven.
Toen zijn geduld opraakte, besloot hij de echte boom water te gaan geven, ook al zat er geen noot aan. De boom begon door het water te groeien en kreeg vruchten. Toen de kokosnoten rijp waren, vielen ze in de handen van de man en kon hij genieten van de heerlijke kokosmelk. Hij begreep de droom niet, maar moest er wel steeds aan denken.
Toen kreeg hij weer een droom. Hij stond in een gang waar twee deuren in zaten. Op de ene deur stond ‘islam’ en op de andere deur stond ‘christendom’. Als moslim klopte hij natuurlijk aan bij de deur van de islam. De deur bleef dicht. Hij bleef maar kloppen en kloppen, maar er kwam geen beweging in de deur.
Op het laatst was hij zo moe van het kloppen dat hij omviel. Hij viel tegen de deur van het christendom aan en deze deur ging direct open.
Daniël was in de war, want wat betekenden deze dromen? Het bleef hem bezighouden en hij ging op zoek naar een kerk. Hij kwam in het kerkje waar we op dat moment stonden en hij kwam in gesprek met een christen die hem vertelde over de God van liefde. Daniël kwam tot geloof en vertelde ons dat dit kerkgebouw leeg was, maar dat de ondergrondse gemeente van Jezus Christus in die stad bestond uit 10.000 christenen, die in huisgemeenten bij elkaar kwamen!
Wat zorgt God op een bijzondere manier voor zijn kerk wereldwijd! En wat voel ik mij gezegend dat ik deze broeders en zusters mag ontmoeten, hen mag bemoedigen en nog meer bemoedigd mag worden door hen.
In Johannes 3:16-17 staat: ‘Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem die Zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters.
Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden?’ Laten we als vrije christenen bidden om kracht en standvastigheid voor onze broers en zussen wereldwijd!
Om veiligheidsredenen wordt de naam van de auteur van dit artikel niet genoemd, maar deze naam is bekend bij de redactie.