Vergeving – en dan?
2012-09-15
Vergeving. Daar draait het ten eerste en ten laatste om in de Bijbel, zo stelde drs. Henk de Jong in een recent verschenen boek. Maar blijft het daarbij of is er meer? Waartoe worden onze zonden vergeven? De profeet Haggai geeft een opmerkelijk actueel antwoord op die vraag, schrijft Bob Wielenga in deel één van een tweeluik.- Jaargang 56
- nummer 18
Drs. Henk de Jong publiceerde een mooie studie over het bijbelse kernwoord ‘vergeving’. Hij wil ons terugroepen naar waar het uiteindelijk om draait in de Bijbel: vergeving van zonde en verzoening met God door het bloed van Jezus Christus.
De Jong meent dat het nodig is ons vandaag weer te bepalen bij verzoening door voldoening. En daarmee stem ik in. Elke dag, tot op de laatste dag, draait het christelijke leven daar om.
Wij blijven leven in de schaduw van het kruis. Dat moet ons steeds weer aangezegd worden.
Daar blijft het echter niet bij, voeg ik eraan toe. Dat wil ik laten zien aan de hand van de profeet Haggai. De titel van deze aflevering ontleen ik aan het boek After you believe van Tom Wright. Daarin beschrijft hij het christelijke leven nadat men tot geloof gekomen is. De titel van zijn boek zou ik willen vertalen als: tot geloof gekomen – en nu?
Er ligt een heel christelijk leven tussen het moment van bekering en onze toekomst met de Heer. Zo is het ook met de vergeving. Daar draait het wel om, maar gáát het daar ook om? Waartoe worden onze zonden ons vergeven en wordt onze relatie met God hersteld?
Wat komt erna, elke dag weer, tot op de laatste dag?
Het antwoord van Haggai, een profeet van na de ballingschap, is in dit verband opmerkelijk actueel. In zijn woorden: het is fijn om een altaar te hebben, maar waar blijft de tempel? De tempel was veel meer dan het altaar.
Zoals het christelijke leven over veel meer gaat dan de vergeving.
Henk de Jong is het hier natuurlijk mee eens. Ik bouw voort op wat hij schreef, met de bedoeling te voorkomen dat iemand met zijn woord vereenzijdigend aan de haal gaat. Een profetisch woord wordt op zijn tijd – dat is: op de juiste tijd – gesproken.
Het is zeker tijdig dat we over vergeving horen spreken. Maar dat woord kan niet op zichzelf blijven staan, willen we verantwoord tot onze tijd spreken.
Offers
Het waren niet de minsten die uit ballingschap terugkeerden naar Jeruzalem, in 539 voor Christus. Ze vormden het ware Israël, de rest met wie God zijn toekomst inging onder leiding van Zerubabel, de Perzische gouverneur van Davidische afkomst, en Jozua, de hogepriester (Ezra 3). Menselijk bezien gingen ze een onzekere toekomst tegemoet, maar in geloof ondernamen ze de terugtocht.
Eén van de eerste dingen die ze deden na aankomst was het herstellen van het brandofferaltaar in de ruïnes van de verwoeste tempel. Daarna vierden ze het Loofhuttenfeest. Ze loofden de God van hun vaderen die hen uit Egypte door de woestijn veilig in het beloofde land had gebracht en die hun opnieuw zijn trouw had bewezen, en ze herstelden de altaardienst.
Vooral brandoffers werden er gebracht (Ezra 3:3-6). Dat waren de offers die nodig waren om de zondevergeving te verzekeren. Maar ook de andere offers (bekend uit Leviticus 1-7) werden niet vergeten. Bijvoorbeeld de vredeoffers, waarmee men de vrede met God en met elkaar vierde, waarna men gezegend door de dienstdoende priester naar huis terugkeerde. Een prachtig nieuw begin!
Vijanden van buitenaf slaagden er echter in koning Xerxes te overtuigen het decreet van zijn voorganger Cyrus (Ezra 1:1-4) te neutraliseren. Het werd de Joden verboden de tempel te herbouwen. Pas onder koning Darius I werd dit besluit teruggedraaid en werd het oorspronkelijke decreet weer rechtsgeldig verklaard (Ezra 6:6).
Bijna 18 jaar lag de herbouw stil, maar er is geen reden om aan te nemen dat de altaardienst eveneens werd stilgelegd.
Deze vond ongestoord voortgang.
Er waren priesters, er waren levieten, er was een altaar. De terugkeerlingen bleven hun godsdienstige verplichtingen nakomen. Maar was dat afdoende in Gods ogen?
Heilige aanwezigheid
Dat de herbouw van de tempel al spoedig na de terugkeer stil kwam te liggen en lange tijd niet hervat werd, was begrijpelijk. In het verarmde en politiek machteloze Juda was het leven loodzwaar. Het Perzische rijk hief zware belastingen (het bezettingsleger moest ook nog onderhouden worden), waardoor de opbouw van het leven moeizaam verliep. Toen ook nog eens vijanden het leven van de Israëlieten moeilijk en de herbouw van de tempel onmogelijk maakten, sloeg de teleurstelling toe. Denkend aan de schitterende visioenen van de profeet Ezechiël (40-48) viel het nieuwe begin in Jeruzalem zwaar tegen.
Het was dan ook geen materialisme dat de Joden verkeerde prioriteten deed stellen. Het huis van God werd niet uit ongeloof vergeten. Het was de matheid van het kleingeloof dat toesloeg. Men kon niet tegen de situatie op en viel terug op de altaardienst. Die was er tenminste nog. Vergeving van zonde en verzoening door voldoening bleven overeind in de crisis.
Ook de andere offers werden trouw gebracht.
De vrede van God en de zegen van de priester nam men mee naar huis. Maar dat werd op den duur dood kapitaal. Het werkte niet meer door als zoutend zout in de samenleving. Aan de horizon van hun leven waren Gods bedoelingen verdwenen. Wat over bleef, was hun persoonlijke relatie met God. Het was misschien niet zoals het moest, maar dit was wat mogelijk was. Een altaardienst zonder tempel.
In Israël bestond het altaar echter nooit zonder tempel (of tabernakel).
Althans, dat was zo sinds de uittocht uit Egypte en de vestiging in het beloofde land.
God wilde onder zijn volk wonen (Exodus 25:8). Om dat mogelijk te maken, werd de offerdienst ingesteld.
Want de heilige God te midden van een zondig volk, dat kon niet goed gaan als de vergeving van zonden en de verzoening met God niet van meet af aan goed geregeld was.
De altaardienst stond echter niet op zichzelf, maar was gericht op Gods heilige aanwezigheid in de tempel, onder zijn volk. Met God de Almachtige zegenend in zijn midden moest Israël uitgroeien tot een heilige natie onder de volken, een koninkrijk van priesters op aarde (Exodus 19:6). Zo zou Israël de wereld zegenend ten goede kunnen komen (Genesis 12:3).
Met het oog daarop had God ook zijn Wet (Thora) gegeven, vond er in de tempel onderricht plaats uit die Thora en werden er door profeten woorden van God gesproken, om zo richting te geven aan het volk. Ook was de tempel een plek waar de dienst der gebeden werd onderhouden en waar recht werd gesproken voor Gods aangezicht. De altaardienst nam dus zijn plaats in onder de andere bedieningen in de tempel, als een middel tot een doel.
Zonder tempel verloor de altaardienst daarom zijn functie en zijn kracht. De verzoenende kracht van het offerbloed werd tenietgedaan.
Crisis
Dit hadden de priesters niet door, al kenden ze Gods Thora op dit punt van buiten en van binnen. Dat blijkt uit wat Haggai erover zegt (2:11-14). Offers werken niet automatisch, wisten de priesters uit het boek Leviticus. Als onreine mensen offers aan God brengen, worden de offers ook onrein en hebben ze geen kracht.
Op die wijze werd het God onmogelijk gemaakt zegenend onder de Israëlieten te wonen en te werken aan zijn toekomst. En dat had zijn uitwerking op het volk. Behalve met een economische crisis kreeg men ook met een geestelijke crisis te maken.
De afwezigheid van de tempel zette de priesters niet aan het denken toen het steeds moeilijker werd het hoofd boven water te houden. Ze letten niet op toen ondanks de altaardienst Gods Woord in de Thora aan gezag en kracht inboette. Dat de relatie met God, het verbond, onder zware druk stond, had men niet door. Dat de verbondsvloek uit Leviticus 26 in werking was getreden (droogte, de bedreiging van de bestaanszekerheid) was hen ontgaan. Op het altaar ging de vergeving in rook op. En het volk leefde in zalige onwetendheid.
Heeft deze stand van zaken ons vandaag iets te zeggen in verband met ons onderzoek naar vergeving als kern van het christelijke leven? Daarover de volgende keer.
Ds. Bob Wielenga woont in Zuid-Afrika en is emeritus-predikant van de NGK Kampen.