"Gezangen" (3)
1976-04-02
We zouden nóg een paar opmerkingen maken over het zingen van gezangen in de eredienst.- Jaargang 20
- nummer 14
Ik wil in de eerste plaats wijzen op een verschijnsel dat bij het samenstellen van zo'n bundel steeds valt op te merken. Het betreft iets dat daarbij onvermijdelijk is.
Ik kan dat het best aantonen door te wijzen op het ontstaan van de nu afgedankte, Hervormde Gezangenbundel.
Deze werd samengesteld door een commissie die bestond uit predikanten en ouderlingen die daartoe waren "gecommitteerd'" en "geautoriseerd" door de negen provinciale synoden van de Gereformeerde Kerken uit het begin van de vorige eeuw. Dat gebeurde in de tijd vóór Koning Willem I de fatale hiërarchische collegialistische kerkelijke organisatie aan de Gereformeerde Kerken oplegde. De leden van die commissie waren door de provinciale synoden benoemd omdat er ten gevolge van de overheidsbemoeiing met de kerken na de Dordtse synode van 1618-19 geen generale synode meer werd gehouden.
Vóór 1816 moesten voorts alle a.s. predikanten vóór hun intree in de kerken de bekende formule waarin ze hartelijk instemden met de drie formulieren ondertekenen.
Daarin kwam na 1816 verandering.
Maar zo ver was het in de jaren 1803-1805 waarin de gezangenbundel werd vastgesteld nog niet.
In de "Verklaring gevoegd achter het authentique Afschrift der Evangelische Gezangen" leest men nu o.a. het volgende: De ondergetekende predikanten die de gezangenbundel hebben samengesteld verklaren dat zij "met alle nauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mogte voorkomen, eenigszins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsene Hervormde Kerk, zoo als die naar Gods Woord in den Heidelbergschen
Catechismus, de Belijdenis des geloods en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordtrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk (zij) ook in gemoede verlclaren, dat in dezelve niets gevonden wordt, in het alIerminste afwijkende van de bovengenoemde Formulieren van eenigheid: het welk alles (zij) getuigen met ondertekening (hunner) handen."
Men merkt: dit is niet mis! In de door hen verzamelde gezangen is naar hun oordeel niets dat ook maar in het aller geringste afwijkt van de confessie. En - dat spreekt van zelf - dat hebben deze mannen van harte gemeend!
Maar hoe was de werkelijkheid?
Zeker, er staan prachtige gezangen in deze bundel. Maar als geheel is zij de verklanking van de oppervlakkige optimistische, moralistische, zelfgenoegzame, brave geest welke toen in de kerken heerste. Ik zal enkele uit vele voorbeelden daarvan noemen.
Gezang 31, het gezang dat tot opschrift heeft "Onze bestemming" en dat het eerste is van de afdeling die liederen bevat over "EIllende en Verlossing". Het eerste gezang van deze afdeling heeft als eerste strofe dit fraais:
O sterveling! gevoel uw waarde;
Wat u in 't stof nog vleit,
Uw hart is veel te groot voor d' aarde,
Gij leeft voor d' eeuwigheid;
De tijd, die alles weg doet zinken,
Bepaalt 1) uw grootheid niet;
Gij ziet voor uw volmaking blinken
Een eindloos verschiet.
Een gezang over "Waakzaamheid"(73) begint zo:
Neen, 'k heb den prijs nog niet verkregen,
Nog zwak blijft hier de beste deugd,
Maar, waakzaam steeds op al mijn wegen,
Jaag ik dat kleinood na met vreugd:
Ons hart ontbloot van waakzaamheid,
Wordt tot zorgloosheid ligt verleid.
In gezang 78 "De ware Christen de beste burger" wordt dit schoons gezegd:
Komt, Christen toont met woord en daad,
Dat, wie de ware godsvrucht smaad,
Een Christen zonder huichlarij
Altijd de beste burger zij.
Zoo bidden w' U, voor wie regeert,
Wie Regter is, wie Godsdienst leert,
Zoo bidden w' U voor eIken stand
Geef orde; heil zij 't vaderland!
Gezang 98 draagt tot opschrift: "Na den doop". En daarin moet de gemeente o..a. zingen:
Wij bidden U wil ons om Jezus hooren,
Aanschouw het kroost, thans door den doop herboren! (!!)
Dat hen uw Geest, uw Heilige Geest regeer',
Opdat het, vroom en Christlijk opgetogen,
In ware deugd steeds wandle voor Uw oogen,
En wassen moog' in Christus hunnen Heer.
In een gezang dat tot titel heeft "In vrede" wordt de gemeente o.a. deze poëzie op de lippen gelegd:
Land- en veeman looft nu God,
Juicht in uw gezegend lot!
Zendt uw rundren in de wei,
Drijft uw schapen in de hei',
Gaat gerust uw akkers zaaijen;
's Vijands hand sleept thans uw vee
Langer niet geweldig meê,
Gij zult zelv' uw koren maaijen.
Stedelingen! looft den Heer!
Hoopt op d' oude welvaart weêr!
Voor den koopman druk vertier,
Nering voor den winkelier, Bezigheid voor handwerkslien,
En, voor schamel' armen, brood,
God die ons den vreê gebood,
Wil zijn heil daartoe gebieden!
Ik kan mij heel goed voorstellen dat de lezers zich afvragen: waarom vertelt die man dat verhaal over een gezangenbundel die reeds lang geleden is afgeschaft?
Graag geef ik op die vraag een antwoord.
Uit wat aan die gezangen is op te merken kan men namelijk als "in levenden lijve" constateren welk gevaar aan de invoering van een gezangenbundel, bijna onlosmakelijk, verbonden is.
Wat toch is het geval?
Een bepaalde volksgemeenschap, soms zelfs een gemeenschap van veel volken wordt steeds in een bepaald tijdperk beheerst door een voor die tijd typische "geest".
Een eeuw geleden was dat de zelfgenoegzame, gezaplge, intolerante “geest" van het liberalisme, Nu is dat de geest van het even zelfgenoegzame, intolerante en revolutionaire "geest" van de steeds voortschrijdende normloosheid, het "messiaanse" activisme, de sekularisatle, het neo-marxisme enz.
Die "geest" bepaalt de geestelijke atmosfeer, het geestelijke milieu waarin de mensen van die tijd' leven.
Hij doortrekt dan heel het menselijk leven en samenleven: in de staat, de maatschappij, het onderwijs, de wetenschap, de kunst, enz.
Deze "geest" - de "geest der eeuw" - oefent nu altijd ook invloed uit op de christenheid, de kerk. Uiteraard op subtiele wijze, "gechristianiseerd"! Veelal ook zo dat de daardoor geïnfecteerden zich dat zelf niet eens bewust zijn.
Vaak denken ze zelfs dat zij pas het echte christendom hebben ontdekt!
Die "geest der eeuw" oefent invloed uit op heel het christelijke en kerkelijke leven. Op de theologie, de prediking, de vroomheid, de "spiritualiteit" enz.
En die "geest" manifesteert zich nu ook, en niet het minst, in het "geestelijke lied" dat in die tijd wordt gemaakt en bij voorkeur gezongen.
Dit verschijnsel nu treedt overduidelijk - vooral achteraf! - aan de dag bij de invoering van de besproken gezangenbundel.
En dat moet ons voorzichtig en uiterst kritisch doen staan ten opzichte van de invoering van "gezangen"
in de kerkedienst. Vooral als die op de ,,oecumenische" kerkelijke markt worden gebracht!
Wat dan te doen?
Daarover in een volgend nummer nog wat.