Onze eigenheid

1976-04-16
  • Jaargang 20
  • nummer 16
1. Met dit opschrift doelen we op de identiteit of eigenheid van onze buitenverbandse gereformeerde kerken.
Aanleiding tot het publiceren van de volgende overwegingen waren uitlatingen in de pers. In de eerste plaats wat Jan Bouma, beroepen predikant, in "Opbouw" van 29-2-'76 schreef over dit onderwerp: Hij schreef zinnen als de volgende: "Ons bestaansrecht staat of valt niet met '67 (de verwikkelingen rondom de Open Brief)", en "De eigen identiteit is daarom belangrijk omdat alleen dan een goede houding ten opzichte van anderen bepaald kan worden,"
Ook deze zin: "Wij mogen echt wel zoeken naar eigenheid.
Onze meningen profiel geven. We behoeven 'echt onze mening niet bij voorbaat af te stemmen op opvattingen die leven in de kerken waarmee we zouden willen optrekken."

Ook wat Ds O. Mooiweer heeft geschreven in het Kerkblad van Ensehede-N. van 20-12-'75, hetgeen onder mijn ogen kwam door middel van het Kerkblad van de Geref. Kerken in N. en O. Nederland van 19-3-'76, behoorde voor mij tot de aanleiding. Hij schreef o.a, dat wij met elkaar zullen moeten samenstemmen dat de belijdenis gehandhaafd moet worden met judiciële tucht (een uitspraak en oordeelt en ook met justitionele tucht (vonnissen en schorsing enz.) in geval het centrale en fundamentele schriftwaarheden betreft. Maar over de vraag Of daartoe voldoende grond aanwezig is ... zou broederlijk gediscussieerd moeten kunnen worden.
Kortom - zo besluit hij "wanneer men in de kerk om wil gaan zoals de Heer en de apostelen ons dat hebben aangegeven dan zal samenleven mogelijk zijn, En anders... dan helpt men de mogelijkheid om zeep."

Ten laatste was ook aanleiding tot het volgende, de discussie, die enkele weken geleden tussen Ir. J. v. d. Graaf en Ds A. A. Spijkerboer in "Woord en Dienst" gevoerd is over de positie van de Geref. Bond in de Herv. Kerk èn dat wat ik las van de vele reacties op deze discussie, Wat een verschil is er in de hervormde kringen over het verstaan van God en zijn Woord en over het zicht op de belijdenis en het wezenlijke van het kerk-zijn, schreef Van der Graaf, de vele reacties overziende.
Uit de reacties die opgenomen waren in de Waarheidsvriend, trof mij o.a. die van een predikant (namen laat Ik achterwege) die schreef "Wat is handhaven van Schrift en belijdenis? Het is zo dat ons verstaan van de Schrift altijd voor de Schrift zelf geschoven kan worden. Dit gevaar is er voor alle richtingen." De bedoeling zal zijn van de orthodoxie tot de vrijzinnigheid toe, Een ander schreef: "Het is de ziekte van de theologie geweest, dat zij zich aan abstracte discussies wijdde."
Een derde schreef: Het verschil zit hem niet alleen in de verschillende fronten, maar ook in de verschillende denkmethoden van de eeuwen, die van de zestiende en de twintigste. "De bonder hoort het evangelie alleen in het aristotelisch-scholastische begrippenkader, dat de reformatietijd tot zijn beschikking had, terwijl wie mentaal na Kant en Hegel leeft een geschakeerder begrippenapparaat heeft om het evangelie te vertolken."

2. Voor een discussie over onze eigenheid lijkt mij nuttig dat wij ons allereerst bezinnen over de grondslag van onze gemeenten of kerken. De grondslag is het fundament waarop wij allen staan als gemeenten en als individuele christenen.
De grondslag van onze kerken is geen theoretische zaak, niet een zaak van ons denken in de zin dat wij door ons menselijk denken en bezinnen haar hebben geconstrueerd.
Zij is niet een ideologie.
Geen zaak van theologie in de betekenis van wetenschappelijk theologisch bezig zijn. De grondslag van het christelijk geloof.
Wat is deze grondslag?
Het fundament van Gods beloften en Zijn verbond. Het is de vaste grondslag waarover de apostel Paulus in de Brief aan de Romeinen schrijft in het bekende 5 : 1.
Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door Wien wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade, waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.
Dezelfde apostel bezigt in 1 Cor. 3 de uitdrukking fundament voor de genade waarin wij staan. Hij schrijft daar dat hij, de apostel, als een kundig bouwmeester het fundament gelegd heeft. Op dat fundament bouwen wij, Een ieder zie wel toe hoe hij op dat fundament bouwt. Want een ander fundament, dan er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.

Tussen fundament en bouw op het fundament doen we goed wel terdege te onderscheiden.
Paulus gaat ons daarin voor, Hij zegt dat we op dit fundament kunnen bouwen met goud, zilver en kostelijk gesteente, maar ook met hout, hooi of stroo. Het zal aan het licht komen waarmee wij hebben gebouwd in de dag van het goddelijk gericht. Hoedanig ieders bouwwerk geweest is, dat zal het vuur van het goddelijk gericht wel uitmaken. Als het werk dat wij op het fundament gebouwd hebben, stand houdt, zullen we loon ontvangen, maar als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden als door vuur heen.
Wat een beslistheid ten aanzien van het fundament. Er is maar één fundament dat gelegd is en er is geen ander. Wat een relativering met betrekking tot ons bouwen!
Het fundament dat gelegd is, is door God gelegd. Helemaal en compleet. Het verbond en de genade Gods zijn niet een resultaat van samenwerking tussen Hem en ons. Het komt van God. Hij heeft in zijn wonderlijke liefde ons liefgehad en ons opgezocht en zijn Zoon voor ons gegeven. Hierin is de liefde, niet dat wij Hem hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft Iiefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden. 1 Joh. 4: 10, Van die liefde Gods jegens ons getuigt heel de Schrift zowel die van het oude als die van het nieuwe testament. Het oude is vol van de Christus. Gods verbond en woorden zijn vervuild van deze liefde Gods.

Ons bouwen op dit fundament is mensenwerk en blijft mensenwerk, hoezeer de Geest des Heren ons moge vervullen. Daarom blijft ons werk gebrekkig in hoge mate.
Tot ons bouwwerk behoort wel in de eerste plaats ons kerkewerk, ons institutioneren, ons ambtelijk bedrijf. Het komt mij voor dat deze hoogst belangrijke onderscheiding tussen het fundament dat gelegd is èn ons bouwen op dat fundament één van de dingen is die we in onze kerken door en op de weg, die wij hebben moeten afleggen, geleerd hebben. Dat is niet toevallig. We zijn niet toevallig buitenverbandse kerken geworden.
Achter het conflict rondom de Open Brief in de jaren '67 en daarna, lag deze zaak van oog hebben voor de onderscheiding tussen het fundament dat gelegd is èn ons boven op dat fundament.
Misschien is deze achtergrond toen, in de hitte van de strijd, niet altijd en niet voldoende duidelijk voor het voetlicht gekomen.
Dat laat ik rusten.

Het is goed ons te realiseren. dat deze grondslag van de kerk als Gods verbond en beloften, primair, niet een zaak is van onze ervaring maar van God zelf in zijn openbaarde Woord. Niet een zaak van onze subjectieve meningen, maar van het objectieve, van buiten ons komende Woord Het subjectivisme vergeet dit of wil dit niet. Dat legt in de velerlei vormen die het aanneemt altijd primair het accent op beide gelijkelijk of zoals meestal, het accent helemaal op onze ervaring van de beloften Gods als werkelijk. Vaak stelt men in de kringen waar het subjectivisme heerst, dat de beloften Gods pas werkelijkheid (voor mij) woorden wanneer ik persoonlijk ervaar dat zij echt (voor mij) zijn. Dat bijvoorbeeld de beloften die in de heilige doop worden beloofd en verzegeld pas echt beloften worden wanneer ik geloof.
Op deze wijze wordt de waariheid van het evangelie en van het fundament dat gelegd is afhankelijk gesteld van mijn subjectieve en individuele geloofsbeleving.
Het subjectivisme in de christelijke religie is zeer oud. In de nieuwe tijd, laten we zeggen ná Kant en Hegel, heeft het een zeer sterke impuls gekregen door het Kantiaanse denken Kant stelde dat de werkelijkheid zelve niet kenbaar is; dat wij uitsluitend te doen hebben in ons kennen met het beeld, de reflex van onze zintuigen.
Die reflex nemen we waar.
De werkelijkheid buiten ons (das Ding an sich) is niet kenbaar. Ons kennen van de werkelijkheid is volledig teruggebracht tot onze subjectieve ervaring. Dit geldt nog sterker t.a.v. de zogenoemde metafysische werkelijkheid. God is helemaal niet kenbaar en zijn Woord evenmin als 'n objectieve werkelijkheid buiten ons. "Onze zaligheid buiten ons zelf" zoeken, dat is zoals die éne inzender in "de Waarheidsvriend" reageerde, iets uit het begrippenkader van de zestiende eeuw. Religiositeit is een zaak die volledig behoort tot het subjectieve, tot onze ervaring en bevinding. Dit betekent de wetenschappelijke instelling heerst over het Woord. De konsekwentie is dat het fundament dat gelegd is, om Paulus nog eens te citeren, helemaal verdwijnt. Het wordt vervangen door onze subjectieve menselijke religieuze ervaring en beleving, Het objectieve werk Gods in zijn verbond en woorden en in Jezus Christus, heeft plaats gemaakt voor onze religieusiteit. Religieusiteit vindt je natuurlijk bij vele, zo niet bij alle godsdiensten. Als religieus verschijnsel is het in de mensenwereld waar lijk niet zonder nut en belang. "Zonder geloof vaart niemand wel" - van Kuitert, spreekt in deze subjectivistische zin over geloof. Het vaste fundament Gods dat gelegd is, is vervangen door het moeras van menselijke beleving. Vroeger noemde men dat in de gereformeerde wereld: vrijzinnigheid.
Vergissen we ons niet. Het is niet iets dat in de twintigste eeuw voor het eerst naar voren is gekomen.
De Groninger theologie van Hofstede de Groot waartegen Hendrik de Cock in het begin van de vorige eeuw zich verzette, had ook de na-kantiaanse achtergrond.
Hofstede de Groot was ook van mening, dat de bijbelse begrippen van Hendrik de Cock behoorden
bot het begrippenkader van de zestiende eeuw Op dit punt is er niet, veel nieuws bij de nieuwste theologie.
Tegenover deze na-kantiaanse opstelling blijft de gemeente van Christus belijden, dat zij de HERE kent uit zijn Woord als de God van zijn verbond en woorden, de God van de apostelen en profeten, Die zijn Zoon in deze wereld gezonden heeft tot een verzoening van onze zonden. Dit is de belijdenis der Waarheid. De apostolische belijdenis bevat deze belijdenis.
De gereformeerde belijdenisgeschriften eveneens.
Deze Waarheid is de onveranderlijke grondslag van de gemeente van Christus.

3. We willen nog iets toevoegen aan het bovenstaande dat ook te maken hreeft met de eigenheid van onze kerk.

Deze grondslag is het fundament van het de christelijke kerk.
Op dit fundament staan onze kerken.
Geen particulier, apart, afzonderlijk fundament hebben we.
Zo even schreef ik dat de gereformeerde belijdenis de belijdenis der Waarheid bevat. En dat deze Waarheid de onveranderlijke grondslag van de gemeente is. Ik schreef dit opzettelijk zo in deze bewoordingen. Ik schreef niet dat de belijdenis de onveranderlijke grondslag der gemeente is. Wel dat de Waarheid, die we in de belijdenis belijden, dat is.

Het is een bekende zegswijs dat onze kerken dienen te staan op de grondslag van Schrift en Belijdenis.
Hoe goed ook bedoeld en hoe nuttig misschien en hoe bruikbaar in bepaalde situaties soms, is deze formulering van het fundament der kerk toch niet zonder bezwaren.

Ik noem er een paar.

1. Deze wijze van omschrijven van de grondslag der kerk, leidt gemakkelijk tot een formalistisch hanteren van een begrip "Schrift en Belijdenis". Nogmaals met goede bedoelingen en onbewust, wordt de zegswijs gebruikt om eigen inzicht in de Schrift en eigen visie op de belijdenis, voor de Schrift en voor de belijdenis te schuiven.
Voorgevend anderer mening te toetsen aan de Schrift en de belijdenis, toetst men in werkelijkheid anderer mening aan eigen inzicht in de Schrift en de belijdenis. En dat doende wordt men "verblind" als het ware voor de werkelijke stand van zaken in een geschil.
Uit de jongste tijd zijn zeer bekend de kerkelijke veroordelingen als afwijking van Schrift en Belijdenis, van inzichten die niet afweken van de openbaring noch van de belijdenis, sleehts van de inzichten en interpretaties van de bovendrijvende groepering terzake.
En in de kerkelijke gebeurtenissen rondom 1944 èn in die van 1967 '68 was dit aan de orde. In beide gevallen zijn mensen buiten de gereformeerde kerken geplaatst of gemanoevreerd op een wijze die kennelijk in strijd is met de openbaring Gods en de kerkelijke belijdenis en de kerkenorde die toen vigeerde.

2. We dienen wel te onderscheiden tussen de grondslag der kerk èn hetgeen wij christenen op die grondslag bouwen. Onze kerkelijke bouwsels zijn nimmer te vereenzelvigen met de grondslag. We dienen nog meer op onze hoede te zijn, dat we de verhouding grondslag èn ons bouwwerk, niet omkeren en ons bouwsel gaan aanzien voor de grondslag, In dit laatste geval stichten we onontwarbare verwarring onder belijders van de Naam des Heren. Als we ons bouwsel gaan verwisselen met het fundament dat gelegd is Jezus Christus, maken we dramatische en onherstelbare vergissingen.
Wij buitenverbanders, zijn met deze dramatische vergissingen op een uiterst droevige manier geconfronteerd geworden. De Formalistische hantering van de zegswijze: wij staan op de grondslag ven Schrift en Belijdenis èn wij handhaven Schrift en Belijdenis, leidt gemakkelijk tot dergelijke intens smartelijke ongelukken in de gemeente van Christus en bedroeft de heilige Geest Gods.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief