Op zoek naar de eenheid van alle christgelovigen
1976-04-16
Vindt U het niet wat vreemd, als iemand tegen U legt, dat U op zoek moet gaan naar de eenheid van allen, die geloven in de Naam van Jezus Christus?- Jaargang 20
- nummer 16
Zoeken is een vermoeiende bezigheid.
Je bent je portefeuille kwijlt, je huissleutel, of misschien de genegenheid van je kinderen en je zoekt, hier en daar, bij licht en bij donker. Zal je vinden?
Wat je zoekt, is het er nog wel?
De eenheid van Gods kinderen is, is er, is hier in de bewoonde wereld.
U weet dat zeker. U gelooft dat, omdat het U is geopenbaard.
Maar U moet die eenheid ook zoeken, Want U en ilk, wij gaan een weg: een weg van geloven naar aanschouwen, van belofte naar vervulring, van nu op deze aarde naar de toekomende eeuw op de nieuwe aarde.
Zo is ons zoeken al tijd een zoeken om te vinden.
Wat dat is, zoeken-om-te-vinden, heb ik goed geleerd, toen ik in de jaren 1943 en '44 deel uitmaakte van de Landmeetkundige dienst van Rijkswaterstaat in de Noord-Oost-Polder. Emmeloord, en het wijde land daaromheen, zag er meer dan veertig jaar geleden wel anders uit dan nu.
Geen wegen hier en huizen, maar een onbewoonde vilakte, met bakens en piketten en een houten keet waar je een kop koffie kon krijgen; het land slechts doorsneden met de enkele voorgebaggerde kanalen, Op de drooggevallen zeebodem was gedurende enige jaren een dichte en wilde vegetatie van zeeasters ontstaan, die onder invloed van kwelwater in de omgeving van de dijken overging in riet.
Een vreemd landschap van grote schoonheid, In de bloeitijd een onafzienbare vlakte in paarse tinten, langs de glooiingen van de kanalen afgezet met een zoom van helgele brem, U moet zich die zeeasters niet te klein voorstellen: op veel plaatsen werden ze manshoog, net als het riet.
Een tocht er dwars doorheen was erg vermoeiend. Soms kon je je voeten niet zien. Al gaande moest je de grote sterke planten uiteen buigen, Ze waren als een wijkende muur, die zich achter je weer sloot..
In die wildernis stonden piketten, Dat zijn kleine paaltjes, drie, vier decimeter hoog, die als meetpunten dienst doen.
Ze waren door landmeters in de grond geslagen, kort na het droogvallen van de zeebodem, toen er nog geen noemenswaardige begroeiing was en het gebied zich aan het oog voordeed als een eindeloze, kale, zanderige vlakte.
Voor ons, die enkele jaren later kwamen, waren die piketten even zoveel vaste punten, van waaruit wij onze metingen konden verrichten om de toekomstige plaats van wegen en boerderijen, tochten en duikers, te kunnen aangeven.
Dus moesten wij die piketten weer opzoeken. We kenden hun coördinaten, meer niet. We deden dat, door ze opnieuw in te meten, uitgaande van vaste, zichtbare punten langs de oude kust: het gemaal van Tacozijl, de kerktorens van Lemmer, Kuinre en Blokzijl en als het helder was, het profiel van Urk.
Op het oog zouden we de piketten nooit gevonden hebben.
Zo'n meting kon zich wel over enkele tienta1Uen kilometers uitstrekken, met op onze weg de asters en het riet, overal waar we de bevaarbare kanalen moesten verlaten.
Als we onze weg over het veld geheel hadden moeten kappen, zouden we niet ver gekomen zijn. Dat hoefden we niet, want we waren zozeer gericht op ons doeî, dat we ons er nooit om bekommerden, hoe de planten zich achter ons weer oprichtten, als was ,er nooit iemand gepasseerd; we lieten ons door die prachtige, maar onwillige begroeiing niet ophouden.
Toch was er een man met een zeis in ons gezelschap.
Als we namelijk het punt gevonden hadden, waar naar onze berekeningen en metingen het gezochte piketje moest staan, begon deze man vanuit dat punt in een cirkel te maaien.
Soms hoefde hij niet in actie te komen. Dan zaten we er tot onze grote vreugde zogezegd bovenop, Maar dikwijls was dat anders. Dan hadden we onnauwkeurig gemeten, of fouten gemaakt en dan groeide onze spanning met het afnemen van de eerste teleurstelling: hoe ver zou hij moeten maaien en hoe lang zou dat duren? Zou onze verwachting na dagen van moeizaam werken worden beschaamd?
Eén ding wisten we zeker: zij die de piketten hadden geplaatst waren betrouwbaar en kenden hun vak. AJls we niet vonden, hadden wij gefaald; we zouden dan opnieuw moeten beginnen, vanuit het ons gegeven bestek.
Voor mij is dat alles éoht geweest: zoeken-om-te-vinden, Het zit er allemaal in: de moeite en de vermoeidheid, de schoonheid van die weg en zijn zwaarte, het zich niet laten ophouden en toch soms moeten kappen, de fouten en het falen, de teleurstelling, en de vreugde van het mogen vinden, zien.
Zo is, dacht ik, ook de weg van een mens, die zoekt om de eenheid van Gods kinderen te vinden.
Er is ook verschil. Als je ziek was, of erg moe, hoefde je bij Rijkswaterstaat niet mee en je kon ook wel eens gewoon vrij krijgen.
Net als in het oude Israël, waar één, die pas getrouwd was, om niet in het leger hoefde te gaan, maar een jaar vrij was om vreugde te brengen aan zijn jonge vrouw, Als ik denk aan wat wij in de vrijgemaakte kring de laatste jaren beleefd hebben, dan lijkt het mij nu, dat zelfs de zieken moesten gaan, gedreven door broeders van links of broeders van rechts.
Hoe is dat toch zo onder ons geworden? Hoe kwam het, dat de vrede uit ons midden week, terwijl wij dachten de ware eenheid gevonden te hebben en meenden die te zullen blijven vinden?
Ik vrees, dat wij te veel van onszelf hebben verwacht en te weinig van Jahweh,die meetrekt, strijdt en redt.
We hadden onszelf wijsgemaakt, dat we zelf sterk moesten zijn en gaven geen ruimte in onze kring aan hen, die wat bang waren of zonder moed. We dachten, dat we ons dat niet permitteren konden.
Alleen in een levend besef van afhankelijkheid van de HEERE kun je telgen de zwakken en kleinen zeggen, dat ze rustig thuis mogen blijver, en tegelijkertijd oproepen die vreesachtigheid achter zich te laten: is het niet Jahweh, die strijdt en redt? (vgl. Deut. 20).
We zijn kinderen van onze tijd.
We willen zelf het werk van onze handen bevestigen.
We kunnen het niet verdragen, dat zich achter ons zouden oprichten wat we voor ons hadden weggebogen. Niet binnen onze kring en niet buiten onze kring. We leven permanent in laatste fase.
We worden moe en ziek.
We zijn bijna tot stilstand gekomen, En dat, terwijl het begin van eenheid zich opnieuw zo prachtig onder ons had geopenbaard.
Ik denk, dat we van onze eenheid een idylle hebben gemaakt.
U weet wel wat dat is, een idylle. Het is het schilderij van de herder en het herderinnetje, mooi, onbedorven, zonder gevaren, zonder ziekte, vredig, dicht bij de natuur.
Zulke herders en herderinnetjes staan er .op !het schilderij nooit bij als mensen die gered moeten worden, omdat ze ziek en zondig zijn, omdat ze weten dat dit leven is een gestadige dood; ze staan er bij als de gelukkigen, die het gevonden hebben: wat zouden ze nog zoeken? Van wat zouden ze nog gered moeten worden?
Maar zo is het leven van een herder niet. Lees er de geschiedenis van David en van Jezus maar op na.
De scherpe pen van de schrijver Rijnsdorp heeft het voor ons neergeschreven: de idylle eindigt in paniek.
De verwoesting van de eenheid van vrijgemaakte gemeenten draagt alle kenmerken van paniek Als de kerk van Christus tucht moet oefenen en van het Heilig Avondmaal moet weren, dan doet zij dat als de zonde openbaar, duidelijk, voldragen is. Wie achter Christus gaat ontvangt van Hem het geschenk van de tijd.
Maar wij hadden voor elkaar geen tijd meer. Geen tijd, om binnen het kerkverband bezwaard te zijn over synodebesluiten, al was het maar drie jaren. Net zoals het was in de veertiger jaren.
Typerend voor de verhoudingen was, dat de avondmaalsgemeenschap werd geweigerd, omdat we toch wel synodaal zouden worden en omdat het kwaad moest worden weerstaan bij het begin.
Als de idylle uitmondt in paniek wordt de eenheid als onecht openbaar en gaat verloren.
Wij vrijgemaakte buitenverbanders kunnen van onze eenheid opnieuw Een idylle maken, nu door te zeggen, dat we elkaar nu zoveel christelijke vrijheid gunnen en dat we nu pas echt eenvoudig en ootmoedig geworden zijn. Als het waar zou zijn, van die vrijheid en ootmoed enzo, vanwaar dan de vrees en de pressie in de discussie over een normaal functionerend, doelmatig kerkverband?
Is het vrede, broeders, of wordt het weer paniek?
Zo goed als voor ons en voor iedere kerkelijke gemeenschap, zal ook de eenheid van onze christelijke gereformeerde broeders en zusters trekken van de idylle kunnen gaan aannamen, wanneer die eenheid primair ervaren en gekoesterd zou gaan worden als eenheid in het specifiek c:hristelijlk-gereformeerd eigene, de ligging, de kleur, het klimaat, de wijze van bevindelijke prediking en toeëigening van het heil, het weten van kenmerken of wat dan nok. Als ik sommige artikelen lees in “Bewaar het Pand" over onze wederzijdse contacten bekruipt me opnieuw de vraag: is het vrede broeders, of wordt het weer paniek?
En dat, terwijl een begin van eenheid zich zo prachtig in onze wederzijdse verhouding openbaart.
Het zoeken van de eenheid van alle christgelovigen behoort tot het leven uit de beloften van het Evangelie.
Die eenheid is inhoud van ons geloof.
Het vinden van die eenheid is alleen hierom zeker, omdat de God van het Verbond een trouw Vader is, die zijn Woord houdt en zijn belofte vervult.
De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Deze waarheid is absoluut, andere wegen naar eenheid zijn uitgesloten, De eenheid der christgelovigen is inhoud van het negende artikel van de apostolische geloofsbelijdenis: ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen. En volgens de fijnzinnige formulering van de Heidelbergse Catechismus leren al die twaalf artikelen ons in een hoofdsom, al wat ons in het Evangelie beloofd wordt.
Beloofd.
Het is niet maar zo, dat je de eenheid van Gods kinderen vindt als een soort toegift, wanneer je de weg van Gods geloften gaat.
Maar zo, dat die eenheid zelf belofte is.
De eenheid der gelovigen is en wordt U en mij beloofd.
Door God, onze Vader, die getrouw is en doet wat Hij belooft.
Omdat God de eenheid belooft, kunnen wij die zoeken.
Omdat Hij zijn belofte vervult, zullen wij haar vinden.
Sommigen zeggen, dat je aan een belofte niet veel hebt.
Ze redeneren, dat iets, dat je beloofd wordt, juist aan je leven ontbreekt, omdat je het niet hebt. Als je het hebt, hoeft het immers niet meer beloofd te worden. Ze denken, dat een belofte de dingen maar opschuift naar een verwijderde toekomst.
Wat beloofd wordt, zeggen ze, is niet aanwezig, hier en nu.
Als het waar zou zijn, dat ik aan een belofte niets heb, omdat die be[ofte geen werkelijkheid zou zijn, dan wordt ik gedwongen mijn troost te vinden in wat ik om mij heen zie en in mijzelf vindt.
Dat is verschrikkelijk. Kijk maar om U heen. Als landmeters in de polder keken wij naar het profiel van Urk, Doet U dat, zonder aan Uzelf voorbij te zien, nu ook maar. U ziet kerken en nog eens kerken. Allemaal gereformeerde kerken, synodaal of vrijgemaakt of gewoon christelijk, binnen het verband, buiten het verband, gereformeerd of reformerend.
En het blijkt niet mogelijk eenvoudig samen te komen rondom het éne Woord en samen te breken het éne brood en te drinken de éne wijn.
lk zie daar niet op neer. Urk, dat zijn wijzelf.
Als ik getroost moet worden uit wat ik zie, uit wat aanwezig is, dan wordt het van tweeën één: óf ik maak van die werkelijkheid een idylle en vindt mijn troost in wat geen bestand heeft en de werkelijkheid niet is, óf ik verlies de troost in een gebrokenheid, waar ikzelf onder breek.
De vrijmaking van de veertiger jaren was ongetwijfeld hierin reformatorisch, dat zij leerde: wij moeten terug naar het Woord, we zijn kinderen van, het Verbond, we moeten weer ga·an leven uit de belofte.
Het is een wortelzonde van Gods volk geweest, de eeuwen door, dat het Gods nabijheid anders wilde hebben dan door het Woord.
Gods volk heeft, net als de heidenen, altijd tastbare beelden willen maken, om daaruit getroost te worden.
Wie leeft bij een idylle van kerkelijke eenheid pleegt tenslotte afgoderij en beeldendienst.
Beeldendienst is ook altijd denkbeeldendienst.
De meest geraffineerde beeldendienst is die, welke Gods eigen gaven daartoe misbruikt. Des Heren tempel zijn wij - en is de gemeente geen gave van God? Zweren bij jezelf, of bij het goud van de tempel of bij de offeranden op het altaar. Dan wordt zelfs de ark van !het verbond meegesleurd naar het slagveld en dan komt er een tijd, dat een Hizkia samen met heidense afgodsbeelden ook de koperen slang moet verbrijzelen, die God zelf als een teken van het verbond eenmaal geschonken had.
Die geschiedenis met de koperen slang is verbijsterend en leerzaam.
God gebied Mozes de slang te maken, Hij gebiedt Hizkia de slang te verbrijzelen.
Bij Mozes zegt God: ieder, die daarnaar ziet zal leven.
Bij Hizkia was het: ieder, die daarnaar ziet zal sterven.
Wat is er gebeurd? Is God veranderd? Is de slang, dat koperen ding veranderd? Nee, maar de mensen zijn veranderd. Zij kijken naar de slang met een ander hart, met andere ogen.
In de woestijn waren ze in nood, afhankelijk, ze grepen als het ware naar de slang, zoals een zieke vrouw eens greep naar de zoom van Jezus' kleed. Maar tijdens Hizkia hadden ze de slang in hun greep.
In de woestijn waren ze afhankelijk van een teken van het verbond, van Gods belofte. Tijdens Hizkia hadden ze de slang tot hun God gemaakt.
Geusurpeerd, met geweld en weder rechtelijk zich toegeëigend.
Wij kunnen kennelijk de tekenen van het verbond eigenmachtig aanwenden tot onze ondergang.
Wij kunnen het brood en de wijn - en weet U sprekender tekenen van de belofte van eenheid van Gods kinderen? - eten en drinken tot ons eigen oordeel. Dan scheurt het kleed.
Zelfs kunnen wij doen, alsof wij Jezus zelf in onze greep hebben.
Wij kunnen Hem overweldigen, in plaats van Hij ons.
Dan is Hij niet onze koning, maar dan zeggen wij met het oude bondsvolk: komt, laten wij deze koning over ons maken.
U hoort Paulus wel zeggen: ik jaag er naar, of ik het grijpen mocht, maar nooit: ik jaag er naar, totdat ik het in mijn greep heb.
Onze volstrekte afhankelijkheid van de Here is het scharnier waarom het leven uit de belofte draait.
En wij moeten ons nu maar afvragen, of wij met betrekking tot de eenheid der gelovigen tot hiertoe geleefd hebben uit het geloof in de belofte van eenheid, of uit de zelfbevestiging van het werk van onze handen.
Als het waar is, dat wij zouden moeten zeggen: wij zien bij de gebrokenheid en verscheurdheid van de kerk geen eenheid meer, dan erkennen wij, dat we niet hebben geloofd. Want God is getrouw, hij doet wat hij beloofd heeft.
(wordt vervolgd)