Psalm 67

1976-04-23
  • Jaargang 20
  • nummer 17
- Eb na vloed

Vermoeidheid legt zich loom als een grauwe wade over de mensen.
Voorjaarsmoeheid? Ik krijg de laatste tijd het idee, dat het voor velen een chronisch verschijnsel dreigt te worden. Een verschijnsel dat niet meer aan één seizoen gebonden is. Jules de Corte vroeg lang geleden al: waarom zijn de mensen zo moe?
Vandaag zou ik zeggen: omdat we het gevoel hebben tegen de bierkaai te vechten. Omdat we zien aankomen dat we het niet redden.
Omdat we onmachtig zijn het tij te keren. Stijgende werkloosheid en dalende geldswaarde demonstreren dat de vloed van welvaart voorbij is. Daar is voor in de plaats gekomen een wegebben van zekerheden op materieel gebied.
En hoe hard een mens ook werkt, op zijn eentje kan hij dit tij niet keren. Er zijn te veel factoren in het spel waarop de eenling geen enkele invloed, heeft. Bovendien zijn we wat realistischer geworden.
Al wàs er nu een Colijn die ons verzekerde, dat we rustig konden gaan slapen, we zouden hem niet geloven.
De garantie van de gouden standaard is definitief verleden tijd. Het zou zinloos zijn daar doekjes om te winden. Zeker een gelovige dient met open ogen te 'leven.

- Nationale feestdag?

Psalm 67 heeft in de Nieuwe Vertaling een opschrift: danklied voor de oogst. 11klaat in het midden of dat juist is. Sommigen zeggen: het is een lied voor de biddag - 't hangt er nl. maar vanaf hoe je de werkwoordsvormen vertaalt.
Het doet er mijns inziens niet zoveel toe. Want wat is de kern van dit korte lied? Waar draait het om bij de dichter - bij Israël, bij Gods volk? Dat blijkt uit het korte refrein van vs. 4 en 6. Hoor maar: dat de volken U loven, 0 God; dat de volken altegader U loven!
Israël bedoelt méér dan een "nationale feestdag". Het wil er een (niet dé) internationale van gemaakt zien. De lof is betamelijk in het land van melk en honing.
Maar nog betamelijker is dat de hele wereld het loflied overneemt.
Iedereen moet kunnen feestvieren.
De vreugde is niet compleet als niet allen in de vreugde delen (Jes. 2S : 6-12).
Dat leidt de aandacht een beetje af, af van jezelf, van je eigen problemen.
Dat wist dat oude volk al lang - daarvoor behoef je niet in 1976 te leven. Wilt u er eens over nadenken? Over dat "iedereen moet kunnen feestvieren"?

- Klinkende munt

Nu is "feestvieren" ook al gedevalueerd.
Zo erg zelfs, dat een mens het feesten beu wordt. Het wordt vaak zo opgeschroefd.
Overdaad brengt walging met zich mee.
Maar feestvieren is in Israëls mond dan ook heel wat meer. Het is God loven - een "lof zij de Heer". Niet dat je dit om de andere zin gaat zeggen. Het is eerder met innige dankbaarheid aan God denken, over Hem spreken, met Hem leven. De intense vreugde van de herkenning van "de Ander". Daar is een blik, een gebaar, een woord al voldoende voor. "Dat de volken altegader U loven" - begrijpt u wat Israël bezielt?
In dàt kader brengt Israël zichzelf ter sprake. Luister maar: God zij ons genadig en zegene ons - Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten.
Blijkbaar een ritueel gebed van de tempelgangerofferaar, als je er Mal. 1 : 9 naast legt. Anderzijds herinneren de woorden sprekend aan de zegen-formule van Num.
6 : 24-26. Met één verschil. Dáár is het de hogepriester, de voorganger, die aan het volk Gods zegen oplegt. Maar ah het goed is maakt die voorganger zichzelf bijna overbodig, doordat de gemeente, mondig wordend, de woorden zelf in de mond neemt.
Als het "God met ons" de klinkende munt van de gemeente wordt. Munten kunnen devalueren - het "God met ons" blijft lichten als de zon.

- Gebed zonder grenzen

Delen in Gods zegen betekent niet: nooit meer moeilijkheden. Dat merkt u trouwens vanzelf wel.
Zelfs daar waar Gods zegen gevraagd en gegeven wordt, sta je tussen ruïnes naar de gebrokenheid, van de kerk te kijken ... En ook dat is vermoeiend. Maar dank zij het "God met ons" blijken vermoeiden als op arendsvleugelen te kunnen gaan (Jes. 40).
We kunnen nog veel van dat oude Israël leren. Het isoleerde zich veel minder dan wij wel eens denken.
Waarom vroeg het om Gods zegen? Om er zelf beter van te worden? Ik laat de dichter van Psalm 67 aan het woord en in hem Israël zelf: opdat men op aarde uw weg kenne, onder alle volken uw heil!
Hier eindigt de bidder niet bij de vraag om Gods genade en zegen, maar hij stelt zich een doel. En dat doel is wereldwijd.
Israël kon en mocht bidden om en danken voor gewas: de aarde gaf haar gewas - God, onze God, zegent ons (vs. 7). Maar ze keken verder dan hun akker lang was: hun blik ging hunkerend naar de horizon, naar de einden der aarde.
Hoor maar weer: God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen. Zo bezien is een gebed voor het eigen gewas een gebed zonder grenzen.

- Farao's voetenbankje en Israëls gebed

Wij zitten nog al eens met de vraag in hoeverre onze kerkelijke situatie, en dus ook ons gebed, egoïstisch is.
Komt het niet neer op de verworvenheid van het hebben van Gods zegen? Is het niet passender jezelf helemaal weg te cijferen, alles weg te geven wat je hebt?
Moet het egoïsme niet vervangen worden door altruïsme, het "ik" door "de ander"?
Israël wist beter. Ondanks de vijandschap, de jalouzie die Gods aanwezigheid met zich meebracht bij de buren. Israël wist zich de plaats waar God zijn zegen, zijn heil, zijn wegen demonstreerde ..
Zelfs en juist in zijn gezegende staat wist het zich instrument van God tot heil van de wereld. In Israël bracht God aan het licht hoe Hij tegenover de wereld wilde staan. Daar profiteerde Israël wel van. Toen Israël uit Egypte's slavernij werd- gevoerd, bleven ... de negers als slaven achter. De voetenbankjes der farao's spelen een duidelijke taal ... daar stonden de overwonnen volken van diverse rassen keurig op afgebeeld. En farao's voeten daar bovenop laten weinig te raden over. De symboliek is meer dan duidelijk en belooft bepaald geen heil en vrede!
De eerste vraag is: heeft God die vrijheid of niet? Israël werd gebracht in het land van melk en honing. Die negers bleven achter in de vurige oven van Egypte ...
De volgende vraag is: was Israël dan zoveel beter? Mozes geeft daar, in Deut. 7, een afdoend antwoord op.
En Gods volk kan in dezen ook geen stap verder komen dan door Gods souvereiniteit met vreze en beven te erkennen. Terwijl het zich eindeloos blijft verwonderen over Gods trouw aan "Abraham, Izaäk en Jacob" en de belofte hun gedaan.
Wat overblijft is met dankzegging te genieten van Gods gaven en uit te zien naar, te bidden om Zijn voltooiing van Zijn werk: dat àlle volken op aarde Zijn weg kennen en Zijn heil!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief