Op zoek naar de eenheid van alle christgelovigen (2 - slot)

1976-04-23
  • Jaargang 20
  • nummer 17
Wij kunnen de eenheid maken tot een werk van onze handen op duizend en een manieren.
We kunnen zweren bij het instituut en roepen: de registers van de kerk en haar papieren, dat is het.
We kunnen zweren bij het kerkverband en zeggen: die gemeenten van dat verband, die zijn het.
Hoeveel kinderen van God kennen elkaar niet meer, omdat ze niet geschreven staan in de registers van die kerk? Hoeveel plaatselijke gemeenten kunnen niet tot eenheid komen, omdat ze behoren tot verschillende kerkverbanden?
Wie iets heeft gezien van de verwoesting, die het kerkelijk institutionalisme heeft aangericht, zou met Rijnsdorp om een David roepen, die een slingersteen opneemt om het in het voorhoofd te treffen.
Moet alles dan weg? De kerkverbanden, de instituten, en onontkoombaar voor wie zo denkt, de formulieren, belijdenisschriften, de ambten?
Zeker niet.
lik moet er met klem op wijzen, dat wij de eenheid ook gelegen en gegarandeerd kunnen achten in het niet-hebben van instituten verbanden, formulieren en ambten. Een dergelijke gedachtengang, die typisch samenhangt met allerlei roepen om openheid in onze dagen, is weinig anders dan contra-institutionalisme.
Dat is alleen maar een ándere idylle. Wij vinden geen genezing van institutionalisme, door een beweging te worden; geen bevrijding uit confessionalisme door de belijdenis af te schaffen; geen verlossing van synodalisme door het kerkverband op te heffen.
Wij worden niet mondig door de ambten af te schaffen.
We moeten oppassen, dat we niet voor christelijk aanzien wat niet anders is dan een echo van de tijd, Maar wij moeten leven uit Gods belofte van eenheid. In die gesteldheid van het hart moeten wij die eenheid' zoeken en vinden.

Laat ik U er aan mogen herinneren, hoe God in de woestijn aan zijn volk het manna heeft gegeven.
God had beloofd voor zijn volk te zorgen. En hij vervulde die belofte, zelfs toen door zonde en dwaasheid de tocht een veertig jaren langer werd.
God gaf het manna, iedere dag opnieuw.
Dát is het, iedere dag opnieuw.
U kent het eigenaardige gebod: men mocht maar zoeken voor één dag.
Wat betekende dat? Was dat niet vreemd?
Mag je dan van Gods eigen gaven niet zoveel vergaren als Je kunt?
Je moet toch ook zorgen?
Moeten wij vandaag dan niet zorgen, dat we morgen en overmorgen één zijn?
Nee, dat moeten we niet. We mogen het zelfs niet.
En doen we het toch, dan komt het bederf er in.
Mensen, kijk naar de leliën van het veld en de vogels van de hemel!
In de geschiedenis van het manna wordt ons het geheimenis van het leven in het verbond onthuld.
God vervult zijn belofte iedere dag. De belofte wordt vandaag vervuld en blijft voor morgen gelden.
Niet meer verzamelen dan voor één dag betekent: zeker weten dat de hemelse Vader er morgen weer is. Wie zo leeft, grijpt vrijmoedig het manna, maar houdt het niet in zijn greep.
In de belofte die vervuld wordt en toch belofte blijft, ligt mijn afhankelijkheid van mijn God.
In kerkelijk institutionalisme, organisatiedrift en beheersingszucht hebben wij op zijn best het manna van de eenheid - want zonder of buiten de eenheid der gelovigen kunnen wij niet leven - voor vele dagen willen vergaren.
Nee, vindt vandaag de eenheid met de broeders, die U zocht.
Morgen is God er weer.
Wij moeten ons afvragen of het niet zo geworden is, dat wij vandaag de eenheid niet kunnen vinden, omdat wij bang zijn die morgen en overmorgen niet te zullen hebben. Alsof de Geest ons niet zou toe-eigenen, hetgeen wij in Christus, dat is ook in de belofte, hebben.

Als het dan zo is, dat wij de eenheid en de broederschap dagelijks uit Gods hand moeten ontvangen en dat wij die niet zelf kunnen en mogen bewerkstelligen; als het zo is, dat wij zelf strikt genomen niets kunnen doen en alle activisme ons vreemd moet zijn, dan mag er wel een wonder gebeuren, wil het met de eenheid nog wat worden, zou je zeggen.
Ik. zou daarvan willen beginnen te zeggen: wees niet ondankbaar en blind voor wat God U nog dagelijks doet vinden. De eenheid van Gods kinderen vindt U iedere dag, in Uw christelijk gezin, op het werk met een broeder, in het ziekenhuls met een verpleegster, in de kerkelijke gemeente waar U lid van bent.
Die eenheid is geen eenheid van de vrijgemaakte gelovigen, of van de christelijk gereformeerde gelovigen, maar is de eenheid van alle gelovigen.
Wij kunnen Goddank niet meer breken dan God toelaat.
Tenslotte is het zo, dat overal waar het brood gebroken en de wijn vergoten en de dood van de Heer verkondigd wordt, totdat Hij komt, de ene eenheid is. Om maar iets te noemen, in de binnenverbandse kerk zitten de broeders aan dezelfde avondmaalstafel als in de binnenverbandse, Wij hebben altijd de neiging om te zeggen, dat het verschillende tafels zijn, maar dat is een vergissing. Het is dezelfde.
Die ene tafel wordt echter niet aangericht op dezelfde plaats en dezelfde tijd, voor de ene ongebroken kring. En dat is een groot verdriet.
Maar, zolang wij buigen voor het Woord en leven uit de belofte en vluchten naar Christus blijft het dezelfde tafel. Wij zijn één, en moeten het daarom weer worden. lik ben een metgezel van allen die Uw Naam eerbiedig vrezen. Maar toch, ziende de gebrokenheid en gescheurdheid van Gods kerk zeg je: er mag wel een wonder gebeuren.
Nu, dat is ook zo. Zonder wonderen zal er geen eenheid zijn.
We menen het zelf te moeten doen vast overtuigd als we zijn dat de tijd van wonderen voorbij is. Die gedachte is een ernstige en gevaarlijke vergissing, Wij hebben een theorie, dat alleen dan van een wonder gesproken kan worden als er iets gebeurt, dat in het licht van de natuurwetten onverklaarbaar is en waarbij menselijke activiteit is uitgeschakeld.
Op een van mijn tochten als landmeter door de polder vond ik tot mijn grote verrassing op een kleine open plek tussen de manshoge zeeasters een tomatenplant. een ranke stengel met er aan één helrode tomaat.
Zoiets, op een drooggevallen zeebodem, die nog geen cultuur van mensenhanden heeft gezien, is een wonder.
Maar dan komen de betweters, die zeggen, dat het helemaal geen wonder is. Een pit van een tomaat is met de uitwerpselen vaneen zeevogel op een beschutte plek terechtgekomen en de zon en regen hebben de rest gedaan. Geen wonder.
Als iemand ernstig ziek is en beter wordt heet dat een wonder, als het herstel kom via een chirurg heet het geen wonder.
Als de bliksem slaat op een boerderij en er komt geen brand, dan is er een wonder geschied en als hetzelfde gebeurt met een goede bliksemafleider op het dak dan is er geen wonder geschied.
Als de Rode Zee droogvalt dan is dat een wonder, als het pad werd gebaand door een storm, dan was het geen wonder.
Alsof de wind Gods adem niet zou zijn.
Als de Jordaan bij Jericho drooggevallen zou zijn, omdat een heel eind naar het noorden kalkrotsen in de rivier zouden zijn gestort, dan is er bij Jericho geen wonder geschiedt, zegt men.
Hoe dieper de wetenschap doordringt in de schepping en haar wetten, hoe meer dat onverklaarbaar was, verklaard kan worden, hoe dieper het geloof van velen wordt geschokt. Vorige generaties zagen Gods hand wonderen doen, de simpele zielen. Maar volwassen als de moderne mens geworden is, weet hij wel beter.
Van deze gedachtengangen. die zo goed passen in een eeuw van aanbidding van wetenschap en techniek, moeten wij terwille van ons behoud radicaal af.
Overal waar de krachten van de schepping opnieuw dienstbaar worden aan het leven uit en met God, daar is het wonder.
Het kan een geweldige bevrijding betekenen, wanneer [e weet, gelooft en ervaart, dat God met betrekking tot de eenheid van zijn kinderen iedere dag wonderen wil doen, kan doen en zal doen als wij hem daarom bidden.
Tot de wetten van de schepping behoren ook die, waarmee een wetenschap als de sociologie zich bezig houdt.
Wie de samenhang van wetten van tussenmenselijk verkeer en de reformatie van de kerk op het spoor komt, wordt niet geschokt maar zegt in aanbidding: hier is een wonder geschied: sociale en culturele structuren konden meewerken aan de reformatie van de kerk Daarom moet een christen, die het wonder van de eenheid dagelijks verwacht, zijn tijd kennen.
Gods Woord is een licht op het pad, het schijnt niet ins blaue hinein; een lamp voor de voet, dat is waar ik vandaag ga, vlak bij.
Het Koninkrijk Gods is nabij U.
Een koning, een rijk, dat zijn uitdrukking van eenheid: daar hoort één volk bij, de kerk.
De eenheid is nabij U, niet ver weg in de ruwte of in de tijd.
U hoeft niet af te daden in het dodenrijk om de eenheid van het Godsrijk te zoeken en te vinden. Noch op te stijgen naar de hemel. Het is toch niet zo, dat wij een leven lang vruchteloos de eenheid moeten zoeken totdat we op onze stervensdag er als het ware onopvallend tussenuit knijpen om in een hemel te vinden wat wij op de aarde tevergeefs zochten.
Het Woord is nabij U, in Uw mond en in Uw hart, om het te doen.
De eenheid moet je doen Die moet [e zoeken en vinden.
We kunnen de eenheid vinden, omdat we mogen zoeken; we kunnen de eenheid zoeken, omdat wij haar vinden. Als manna iedere dag in de woestijn van dit leven.
We zoeken wat we vinden en vinden wat we zoeken. We worden wat we zijn en zijn wat we worden. Dat is een wet van Gods Koninkrijk.

Tenslotte, de eenheid vinden betekent, dat de eenheid zichtbaar is; de eenheid zoeken betekent, dat de eenheid zichtbaar wordt.
De eenheid der gelovigen is niet maar een interkerkelijk probleem, Niet maar een zaakje, dat leden van verschillende kerken onderling moeten zien te klaren.
De kerk is geen club, maar de kerk is het volk van Gods Rijk.
De kerk is de nieuwe mensheid.
Als de eenheid van Gods kinderen verduisterd wordt, onvindbaar en onzichtbaar gemaakt in deze wereld, dan is er voor die wereld geen redding meer.
En om de redding van de wereld is Jezus gekomen.
Zelf kunnen wij deze verantwoordelijkheid niet dragen. We zouden er onder breken.
Wat moeten we dan doen?
Laat ik het U en mezelf mogen voorhouden uit het Woord: Bidt en U zal gegeven worden; klopt en er zal worden opengedaan; zoekt en gij zult vinden.
Want l wie bidt verkrijgt, voor wie klopt, wordt opengedaan, en wie zoekt, vindt.
Kijk maar, wie er naast U zit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief