JEREMIA
1976-04-23
De Here begint met een herinnering aan het verleden: de geschieden: is van de uittocht uit Egypte en de verbondssluiting op de Sinaï (vs. 2). Dat waren Israëls wittebroodsweken.- Jaargang 20
- nummer 17
Daarvan zegt Jahweh: Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd.
De verhouding van de Here tot Zijn volk wordt in de Schrift meer dan eens vergeleken met een huwelijk vgl. Hosea 1-3; Ezech. 16 : 8 v.v.).
Het bijbelse woord "gedenken" betekent meer dan alleen maar ergens een gedachte aan wijden.
Het is meer dan een herinnering.
Het wil zeggen: iets uit het verleden weer als een levende realiteit op je laten afkomen en op je in laten werken. Jahweh ziet het weer helemaal voor zich. Hij beleeft het a.h.w. weer opnieuw: die begintijd van het verbond, van het huwelijk tussen Hem en Israël. De genegenheid van Israël uit die tijd staat levensgroot voor Zijn aandacht.
Het woord "genegenheid" kun je ook vertalen met verbondstrouw.
Het duidt de houding aan van iemand die zich in heel zijn optreden laat beheersen door het verbond .dat hij met de ander heeft.
Zo was het toen met Israël. Jahweh had op de Sinaï Zijn verbond gesloten. Toen, in die tijd, bewees Israël Hem de trouw, de genegenheid, die als uitvloeisel van het verbond van Israël verwacht mocht worden, De Here drukt zich nog sterker uit: er was toen bij Israël sprake van liefde van de bruidstijd. Het waren geweldige wittebroodsweken. Wie de geschiedenis van Israël in de woestijn kent, is geneigd bij deze woorden kritische vragen te stellen. Stelt de Here de zaken hier niet te rooskleurig voor? Is er bij Hem sprake van idealisering van het verleden?
Is Hij de geschiedenis van het gouden kalf dan vergeten of het ongeloof van het volk aan de grenzen van Kanaän? Was het allemaal wel zo mooi als het hier wordt voorgesteld?
Mensen kunnen het verleden sterk idealiseren, Vroeger, zeggen ze dan, was het allemaal veel beter. Dat was de goede, oude tijd. Toen was het allemaal rozegeur en maneschijn.
Natuurlijk is dat niet waar. Als je de mensen die nu zo hoog van vroeger opgeven, in die zo zeer geprezen tijd zelf had meegemaakt, Zul je gemerkt hebben dat ze ook toen boordevol kritiek zaten en helemaal niet zo gelukkig en tevreden waren.
Is datzelfde bij Jahweh het geval?
Krijgt dat verleden bij Hem de glans van een irreële idylle, die de werkelijkheid geweld aandoet?
Dat is niet het geval. Natuurlijk weet Jahweh ook wel, dat in die begintijd ook niet alles koek en ei was. Hij weet best dat er ook toen de nodige zonden waren bij het volk en verzet tegen Hem. Maar toch was het toen anders dan in de tijd van Jeremia. Er was wel zonde.
Er waren wel situaties waarin het ongeloof de kop opstak, Maar het volk zat nog niet vastgeroest in afval en ongeloof.
Wanneer het volk zich tegen de Here verzet had en Hij met zijn straf kwam, was er weer terugkeer tot de Here en erkenning van schuld. Dat was in de tijd van Jeremia niet meer zo. Het volk had zich vastgebeten in de afval en in de afgodendienst. Het had de profeten maar laten praten. Daarom kan Jahweh zeggen: In de begintijd was het anders. Toen was er sprake van genegenheid en liefde" jegens mij. Toen was er, ondanks allerlei momenten van ongeloof, toch een volgen van Mij. En van mijn kant was er toen een stuk bescherming van Israël, gaat de Here verder (vs. 3). Ik had mijn hand op het valk gelegd. Ik had het voor Mij apart gezet. Het was mijn eigendom. En iedereen die het durfde wagen dat volk aan te raken en te benadelen, kreeg met Mij te doen.
Onbegrijpelijk ...
Hoe komt het nu toch, vraagt de Here dan, dat daarin zo'n radicale verandering gekomen is?
Hoe is dat toch mogelijk? Wat voor onrecht hebben uw vaderen (want bij hen is het al begonnen) toch in Mij gevonden? (vs. 5).
De Here snapt er helemaal niets van. Het is voor Hem een volkomen raadsel dat Israël zich zo van Hem kan afkeren. Ik heb toch in alles goed voor u gezorgd, zegt Hij. Ik heb u toch in een vruchtbaar land gebracht, dwars door de woestijn van de dood heen. En Ik heb u toch overvloed van eten en drinken gegeven (vs. 6, 7).
Wat mankeerde eraan? Wat heb Ik verkeerd gedaan?
Jahweh begrijpt er niets van. Het is ook niet te begrijpen. Want er mankeerde helemaal niets aan de zorg die Hij aan Israël had besteed.
Hij had zichzelf helemaal aan Israël gegeven. En toch had Israël zich ver van Hem verwijderd.
Dat is en blijft een onbegrijpelijke zaak. Vooral als je ziet, wat ze voor Hem in de plaats namen: ze zijn het nietige achterna gelopen, (vs. 5).
Het woord dat hier met "het nietige" vertaald is, betekent ook: ademtocht, wind. Israël loopt achter de wind aan. En wind kun je nooit grijpen, daar kun je nooit houvast aan krijgen. De Israëlieten hebben de Here die hen concreet en tastbaar verlost en gered had en die hen verzorgde, ingeruild voor een fata morgana, een luchtspiegeling. Zo'n luchtspiegeling lijkt wel heel wat, maar is helemaal niets. Als je erop af gaat, is er plotseling niets meer van te zien. Dan is ze in het niets opgelost.
Zulke luchtspiegelingen zijn de afgoden.
Je kunt ze niet grijpen. Ze hebben niets te bieden. En hen is Israël achterna gelopen. Niet alleen het volk heeft dat gedaan, maar ook de leidslieden: de priesters, de profeten en de herders, d.w.z. de koningen (vs. 8). Zij zijn het volk voorgegaan in de afval van Jahweh, in het achterna lopen van de afgoden, die nog eens ten overvloede worden aangeduid als degenen die geert baat brengen. Afgoden zetten geen zoden aan de dijk.
Maar de Here laat dat niet zonder meer over zijn kant gaan. Ik zal nog met u een rechtsgeding voeren (vs. 9). De Here accepteert het niet dat men hem opzij schuift en van zijn plaats dringt door luchtspiegelingen.
Dat moeten we ons ook vandaag bewust blijven. Alles waarop we onze zekerheid bouwen, naast of in plaats van Christus, zowel in ons persoonlijk leven als in ons leven als gemeente, is een luchtspiegeling.
Het lijkt misschien heel wat en we verwachten er misschien veel van. Maar in werkelijkheid heeft het niets om het lijf.
Het laat je in de kou staan, als het erop aan komt. Wat doe je met geld en rijkdom en luxe als je oog in oog staat met de dood? Wat doe je met een revolutionaire ideologie of met een marxistische filosofie of met een kerkelijke organisatie of met een godsdienstige traditie, als de dokter je vertelt dat je kanker hebt of als je man is omgekomen bij een ongeluk? Je doet er helemaal niets mee. De enige die dan nog iets te betekenen heeft is Christus. En als je je zekerheid gezocht hebt in iets naast Hem en je daardoor hebt laten inkapselen, sta je op zulke momenten met lege handen. Alles waarop je gaat vertrouwen en dat voor een deel of helemaal Christus' plaats gaat innemen, blijkt op het kritieke moment een fata morgana te zijn.
Huiveringwekkend
Dat mensen Jahweh en Christus kunnen inruilen voor zelfgemaakte zekerheden, is iets waarover je je kunt ontzeten en waarvan je kunt huiveren. Dat Israël zo gemakkelijk overstapte op andere goden, blijft voor de Here onbegrijpelijk.
Zoiets vind je bij de heidenen niet, zegt Hij (vs. 11).
Kijk maar eens bij de Kittieten (Griekse volkeren) en ga maar eens naar Kedar, naar de ismaëlietische nomaden (vs. 10).
Die verruilen hun goden niet. En dat zijn dan nog niet eens goden!
Wat de Here hier zegt, is waar.
Wie iets weet van de situatie op de zendingsterreinen, moet dat beamen.
Daar kom je onder de indruk van de taaiheid van het heidendom en sta je te kijken van de vaste greep die de oude goden en voorvadergeesten op de mensen hebben. En als je daarnaast dan ziet hoe gemakkelijk kerkmens en hun geloof afschudden en Christus inruilen voor een ideologie of voor de welvaart, dan moet je wel instemmen met de woorden van Jahweh in vs. 12: Ontzet u daarover, 0 hemelen, huivert en weest ten diepste ontroerd.
Water
In vs. 13 vat de Here nog eens keer samen wat er aan de hand is.
Israël heeft twee boze, goddeloze dingen gedaan. In de eerste plaats hebben Zie Jahweh, de bron van levend water, verlaten. En in de tweede plaats hebben ze zichzelf bakken uitgehouwen die geen water houden. Die twee dingen gaan altijd samen. Waar men de Here verlaat, neemt men altijd iets of iemand anders voor Hem in de plaats. Maar dat leidt wel tot de ondergang.
Wie in Palestina voor zijn watervoorziening aangewezen was op een waterreservoir dat zo lek was als een zeef, was gedoemd om van dorst om te komen. En wie een bron van levend water die een ongestoorde watervoorziening garandeert, inruilt voor zo'n lek reservoir, begaat het toppunt van dwaasheid. We hebben water nodig om te kunnen leven. Dan moet je bij Mij zijn, zegt Jahweh.
Ik ben de bron van levend water, die nooit opdroogt en nooit teleurstelt.
Bij Mij kun je altijd terecht.
Later zegt Jezus iets degelijks: Als iemand dorst heeft, laat hij dan tot Mij komen en drinken (Joh. 7 : 37).
En op de nieuwe aarde stroomt een rivier van levend water, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam (Op. 22 : 1), wals Ezechiël al had geprofeteerd (Ez. 47: 1-12). Het is zoals Psalm 36 : 10 zegt: bij U is de bron van het leven.