INZICHT
1976-04-30
• "Wat u zegt ... "- Jaargang 20
- nummer 18
Woorden zijn even grappige als merkwaardige dingen. Zowel als je let op hun vorm en klank als wanneer je nieuwsgierig bent naar hun betekenis, Mag ik u plagen met een latijns zinnetje? Tenslotte heb ik het, in een grijs verleden, niet voor niets geleerd. En wijlen prof. dr A. Sizoo sloeg u hoog aan, gezien de titel van zijn boekje: "Ook u spreekt Griek sen Latijn".
Dan nu dat zinnetje: verba valent usu. Hetwelk, volgens de dikke Van Dale, betekent: de betekenis der woorden is die welke het gebruik wettigt. Anders gezegd: de betekenis der woorden wordt bepaald door hun gebruik.
Aardig gevonden, denkt u, maar wat doe je ermee (dé vraag van onze tijd). Goed. Neem nu eens het woordje "gezag". Het is simpel afgeleid van "zeggen". Let op!
Ik zeg dit en hij zegt dat. Maar de patriarch der familie laat of liet zijn gezag gelden met de vuist op tafel: "waarom? omdat Ik het zeg". De zeggingskracht reikt in dit geval niet verder dan die vuist: machtsvertoon. Natuurlijk werd hier gesproken van "wettig gezag", maar de vraag is of dit altijd gewettigd is ...
Een woordenboek-met-een-deftige-naam (etymologisch) vertelt: "gezag is afgeleid van zeggen, vgI. het 'zeggensrecht' hebben". U merkt: hier is sprake van recht in plaats van macht. Laten we dat in gedachten houden als we het op de een of andere manier "voor het zeggen" hebben. Zelfs als we bedenken dat in het hebreeuws woord en daad nauw met elkaar verbonden zijn.
• Gezag
Het nieuwe Jeruzalem, het huis met de vele woningen wordt in gereedheid gebracht voor "een schare die niemand tellen kan".
Dacht u dat een samenleving van zoveel mensen buiten gezag kan?
Zelfs in de meest ideale omstandigheden?
Voor de goede orde zullen er altijd mensen zijn die het "te zeggen hebben" over anderen. De vraag is alleen of dat ervaren moet worden als een knellende band, als machtsmisbruik. Zonder zondeval zouden we ook moeten hebben samenleven met erkenning van gezag. Hier aarzel ik even. Niet omdat ik de stelling te speculatief vind. Engelen zijn er in legioenen en ook dáár is sprake van tronen en machten. De aarzeling betrof de woordkeuze. En dan kiesik toch voor het woord "gezag". Bij de bouw van een huis zijn opperlieden en opzichters nodig. De eersten zijn denkelijk niet wat u dacht. Het zijn nl. de helpers van de metselaars, die kalk en stenen aanvoeren. De opzichters spreken voor zichzelf. Zij geven aanwijzingen waar wat heen moet. Vanaf de architect tot aan de opperman heeft ieder zijn eigen taak en verantwoordelijkheid.
Waarbij ieder op zijn eigen plaats voor het zeggen heeft. Als deze orde ontbreekt komt er geen huis (laat staan de stad en toren van Babel) klaar.
• Aan wie is het antwoord?
De vorige week heb ik u een vraag in de maag gesplitst (hoe dat ook in zijn werk moge gaan).
Paulus schreef immers aan de gemeente van Efeze: weest elkander onderdanig. Drievoudig onderstreept: gij vrouwen ... , gij kinderen ... , gij slaven.. De vraag was: zo is het van den beginne niet geweest - moet het wél tot het einde zo blijven? En dat in het reeds komende Koninkrijk, in het nederdalende Jeruzalem? Oftewel: identificeren we het Koninkrijk met de gevestigde orde, met de bestaande maatschappij?
Het stellen van die vraag stempelt iemand niet als links of rechts, progressief of conservatief, Zelfs niet als deze vraag naast vele andere ook in de wereld aan de orde wordt gesteld, Van de kerk mag een antwoord worden verwacht. Dat antwoord heeft in de gemeente van Christus alles te maken met christelijke vrijheid, genuanceerd denken, mondigheid. Dus ook met de verantwoordelijkheden de volwassenheid van de gelovige. Na een kleine twee duizend jaar groei van die mondigheid! .
Misschien moet dan wel geconstateerd worden, dat de kerk meer uitgeput dan uitputtend de onontkoombare vragen te lijf gaat? In de zin van: de ouden hebben gezegd.
.. Of: stil maar, wacht maar ...
Zijn de letterlijke voorschriften van Paulus (bijv. inzake de haardracht van de vrouw) het laatste woord in deze bedeling? Of moet de gemeente steeds opnieuw haar positie bepalen vanuit de totaalvisie, die God in héél zijn openbaring haar geschonken heeft? Is het symptomatisch, dat het belijden der kerk (in belijdenisgeschriften) drie-en-een-halve-eeuw geleden tot stilstand is gekomen?
• Gods visie doorslaggevend
Wie, bijvoorbeeld, vraagt naar de taak en positie van de vrouw, behoeft niet hulpeloos of woedend te kijken naar wat vakbonden of dolle mina's daarop antwoorden.
Het antwoord ligt niet in menselijke ontwerpen of programma's, maar in het beeld dat God voor ogen staat. T.a.v. vrouwen man, kinderen en ouders, slaven en heren.
En zoveel meer. Wat zou de HERE God ervan zeggen? Een ander antwoord past de mens, zijn beeld en gelijkenis niet, Let nu nog eens op Paulus in zijn brief aan de gemeente te Efeze.
Accoord - hij schrijft: weest elkander onderdanig. Maar dan wel: in de vreze van Christus. Hij spitst het toe op vrouwen, kinderen, slaven. Maar u moet eens lezen onder welke druk hij mannen, vaders, heren zet! Precies zoals hij aan Philemon diens weggelopen slaaf terugzendt met de boodschap erbij: "een geliefde broeder".
Hij gaat niet revolutionair tekeer tegen een maatschappij die slaven als slachtvee behandelt. Hij laat wel Philemon Gods visie op Onesimus zien en werkt zo mee aan de restauratie, de wederherstelling van alle dingen. Dáár waar Gods visie doorslaggevend geacht mag worden: in Christus' gemeente.
Dáár waar het Koninkrijk en het nieuwe Jeruzalem vorm krijgt.
Wie zich dan afvraagt wat de plaats der vrouw behoort te zijn na duizenden jaren onderwaardering, moet toch nog eens luisteren naar wat God zelf zegt: een hulpe tegenover hem. En ook naar Paulus' vertolking van Gods visie in een wereld waarin machtswellust het voor het zeggen had: in Christus is noch man noch vrouw, noch heer noch slaaf, noch Jood noch Griek. Of ook: bij God is geen aanzien des persoons. Hij trekt niemand voor en stelt niemand ten achter ,omdat hij man, omdat zij vrouw is. Ik weet, dat ik nu veel vragen open laat. Expres. Want wij moeten elkaar de christelijke vrijheid gunnen als mondige mensen genuanceerd over vragen en antwoorden door te denken. Wij moeten elkaar de ruimte laten voor het proberen een antwoord te zoeken en te geven. Wij moeten de moed opbrengen te erkennen, dat onze vaderen er naast zaten. Of dat wij zelf ernaast zitten. Zowel voor het een als het ander is durf nodig.
Maar voor ieder geldt de bemoediging van het "onderzoekt de Schriften". Niet voor niets is, twintig jaar geleden, daarvoor de eerste pagina gereserveerd. De eerste pagina? Het hele blad!