De werkelijkheid, wijsbegeerte, kunst en wij
1976-04-30
- Jaargang 20
- nummer 18
Wij, mensen, zijn aan het begin van onze geschiedenis midden in deze wereld, Gods Schepping, gezet.
Aan ons om in deze wereld ons te oriënteren.
Daarbij is er heel veel onzeker - onze kennis, ons inzicht, is, omdat het menselijk is, betrekkelijk, discutabel, meer hypothese dan zekerheid.
God heeft ons in zijn Openbaring wel de sleutel tot het verstaan van die werkelijkheid gegeven, maar heel veel ook aan onszelf overgelaten, om te ontdekken, te bestuderen, te proberen te begrijpen.
In deze zin is al onze kennis a posteriori; nadenken over het gegevene.
Wij kijken, wij denken, wij praten, naar en over de werkelijkheid. In zekere zin is discussie over de werkelijkheid, of liever, discussie over wat wij menen gezien en begrepen te hebben van die werkelijkheid, het meest wezenlijke van ons menszijn. Daarbij dragen we argumenten aan, en vragen naar de juistheid van onze interpretaties. De geschiedenis van het denken - in wijsbegeerte en litteratuur - en van het kijken - in de (beeldende) kunst is in zekere zin de geestesgeschiedenis van de mensheid. Het blijft natuurlijk niet alleen bij praten. Wij doen ook: we gebruiken de verworven kennis, passen die toe, en als het lukt speelt dat weer op onze discussie in. In en met dat alles vormen we de kaders, de levensvormen, en onze visie op de werkelijkheid.
De wijsgeer en de kunstenaar zijn bezig met de werkelijkheid: de een spreekt in begrippen waarin hij zijn denken poogt weer te geven, uit te drukken, om te communiceren en zo zijn bijdrage in de discussie te kunnen geven, de ander ver-beeldt het geziene en biedt zo hetgeen hij meent gezien te hebben aan in visuele communicatie, evenzogoed ter discussie. Discussie over kunst is dan ook zeer eigenlijk, zowel verbaal als visueel in zoverre ais de ene kunstenaar reageert in zijn beeld op wat de ander aanbood.
Voor we verder gaan twee korte opmerkingen, Wij beperken ons tot één facet van de beeldende kunst nl. de visuele communicatie. Alles wat verder over kunst te zeggen zou zijn, en dat is heel veel laten we hier rusten. En ten tweede: het is natuurlijk wel interessant om na te gaan wat filosofen over kunst gezegd hebben, maar ook dat laten we hier als niet in de eerste plaats ter zake onbesproken.
Wat ons nu interesseert is dat de wijsgeer, welk inzicht hij ook in de kunst heeft, eenvoudig niet zonder de kunst kan denken. (Ook de band met de litteratuur zal vaak veel nauwer zijn dan men veelal denkt, maar daarover nu niet.) Het is namelijk zodat de wijsgeer denkt over de werkelijkheid, dat wil zeggen de werkelijkheid zoals hij die kent en heeft gezien. Maar wat hij en ook zijn toehoorders zich vaak niet realiseren is dat hij daarbij niet een neutraal eenvoudig aanwezig gegeven bekijkt, maar dat zijn zien zelf mede bepaald is door de kunst. Die heeft immers weergegeven wat we in de werkelijkheid kunnen en willen zien, uiteraard op evenzeer menselijke en dus Feilbare wijze. De kunstenaar 'filosofeert' op zijn wijze. d.w.z. met oog en hand, over de werkelijkheid en hij uit zich in taal en begrippen, maar in visuele communicatie in beelden - als zodanig even helder en eenduidig als verbale communicatie in taal; beide wijzen van communiceren hebben hun eigen mogelijkheden en beperkingen.
Het komt erop aan zich te realiseren dat zien geen eenvoudige zaak is. Ook is het niet zo dat al ons weten eenzijdig afhankelijk zou zijn van wat de zintuigen ons aanbieden als de enige wijze om contact met de werkelijkheid te krijgen. Het is niet zo dat we weten wat we zien zoals in de kennistheorie, als b.v. die van Locke en in de grond der zaak in het positivisme vaak is geïmpliceerd. Zien is niet onze enige kenbron. Als dat zo was was de wijsgeleerde met recht aan de kunstenaar overgeleverd.
Het is echter andersom: we zien wat we weten.
We zien wat we weten. Dat betekent dus ook: we zien niet wat we niet weten. Loopt u eens door een boomgaard met een deskundige. U ziet bomen, hij echter ziet dit soort dat soort, verbaast zich over een bepaalde boom die iets van alle andere van zijn soort afwijkends vertoont; hij ziet oolk allerlei insecten en hun werk. Hij kan het ons ook laten zien, leren zien, ook al zal dat soms niet meevallen en zal het een tijd duren voor we inderdaad ook zien wat hij zonder meer als vanzelfsprekend zag. Alle onderwijs is de ogen openen en leren zien. En dat blijkt allerminst eenvoudig te zijn. Het is ons ongeduld, het is te snel willen kijken. Mensen kijken slordig en kijken aan de dingen voorbij. Nog slordiger dan mensen luisteren en lezen.
We zien wat we weten. Dat weten is bepaald door traditie - in het bijzonder kijktradities - en door onze kennis, Tot dat laatste heeft de wijsbegeerte en de wetenschap bijgedragen, zeker. Wij kunnen het zo zeggen: zolang wij minder weten dan de schilder, en wij dus eerder door hem geleerd worden, zien wij wat hij ons wil laten zien als wij tenminste geduldig kijken. Als we echter meer weten dan de schilder kunnen we met hem in discussie treden en hem betrappen op feilen. Iemand die veel weet van anatomie ziet fouten daarin, iemand die heel veel weet van de wijze waarop een zeilschip is opgetuigd ziet waar de schilder van schepen 'het niet goed gezien' heeft, wellicht omdat hij niet begreep hoe het werkte. Kortom, zien en weten, begrijpen en zien hangen uiterst nauw samen.
We zien wat we weten - als dat waar is, zo zal men zeggen, dan zijn we gevangen in onze beperkte kennis en kunnen we nooit echt zien.
Ook kunnen we dan geen beroep doen op wijsbegeerte en wetenschap, want die kunnen ook niet anders dan denken over de werkelijkheid zoals ze die gezien hebben. Zo zouden we dan met zijn allen vastzitten. Maar zo is het niet.
We kunnen namelijk creatief zien. Locke, en met hem zovele anderen hebben te naïef over de waarneming en de zintuigen gedacht. Alsof het zien vanzelfsprekend zou zijn: je ziet toch wat je ziet.
Maar het menselijk zien is allerminst mechanisch, passief registrerend. Wij kunnen actief zien. De weg is niet 'van buiten naar binnen'; ze is evenzeer "van binnen naar buiten'. Als wij kijken gebruiken we onze verbeelding (imaginatie), zoals reeds in de 12de eeuw Hugo van St. Viktor betoogde, en zo kunnen we ontdekkend kijken, creatief 'grijpen' wat ons tevoren ontging, door onze verbeeldingskracht structuur en verband ontdekken in het door de zintuigen gebodene. Inderdaad, wie creatief kijkt, moet zijn ganse verbeeldingskracht inspannen. Als b.v. de bioloog door zijn microscoop een vel bekijkt, moet hij zijn wetenschappelijke verbeeldingskracht gebruiken om iets te zien, te ontdekken, te verstaan van wat hij ziet. De kunsthistoricus moet creatief kijken, om nieuwe dingen te ontdekken in kunstwerken die wellioht al vele malen bekeken zijn. Wonderlijk hoe je dan soms ineens iets gaat zien dat altijd je aandacht ontsnapte.
Kortom, bij kijken heb je creatieve fantasie nodig om te ontdekken wat er te zien is. Natuurlijk kan onze fantasie op hol slaan en kunnen we spoken zien. Maar ook dat staat dan weer ter discussie.
Zo staan wij mensen temidden van deze wereld, onze kosmos, met onze ogen en ons verstand, onze verbeelding en onze creativiteit.
Zo gaan we op onze ontdekkingstocht. Waarbij dwaalwegen niet uitgesloten zijn. Niets menselijks is zeker. Maar in discussie en hernieuwd kijken zullen we verder gaan, soms ook vooruit komen. Waarbij we aantekenen dat ieder punt waar we met enige zekerheid gekomen zijn - of menen gekomen te zijn weer nieuwe vergezichten opent, nieuwe aspecten aan ons zien aanbiedt. De werkelijkheid is onuitputtelijk, oneindig in diepte en verscheidenheid en rijkdom. Uitgekeken zullen we nooit raken. De Here zij geloofd en geprezen, kunnen we daar aan toevoegen.
Op dit punt willen we het tweede hoofdpunt van ons betoog opnemen nl. dat er heel veel is dat vast en zeker is. Want het bovenstaande zou anders de indruk kunnen wekken dat we gevangen waren in een volslagen relativisme, daar alles onzeker zou zijn en altijd weer discutabel.
Neen, de werkelijkheid waarover we denken op grond van ons creatief waarnemen, is een gegeven, dat als zodanig vast en zeker is.
Ook ons menszijn, en de structuur van onze oriëntatie in de werkelijkheid, ons kunnen denken en zien, is vast en zeker, als door God ons in ons geschapen-zijn gegeven. Het is zeker dat wie dit op dit moment leest het leest, er is, lezen kan, meer nog. Nederlands verstaan kan. Anders zou u het niet kunnen lezen, en las u het ook niet. Onze werkelijkheid is vol met zekerheden, die als zodanig het uitgangspunt zijn van al ons werk. Anders uitgedrukt: de wereld is niet een chaos maar een orde, die niet afhankelijk is van ons. Zelfs als ons denken chaotisch in de war is, blijft die vaste werkelijkheid die dan ook iedere maal weer het correctief biedt voor ons denken en kijken. Daarin ligt onze controle. Daar immers gaat de discussie over: of ons denken en ons zien wel in overeenstemming zijn met het gegeven, met de werkelijkheid zelf.
Wie het bovenstaande begrepen heeft zal verstaan dat al ons zien gekleurd is. Ons eigen uitgangspunt, onze subjectiviteit, bepaalt door onze persoonlijke levensgeschiedenis - waar kom je vandaan?, was zijn ie levenservaringen? -, en ons geloof, onze eigen persoonlijkheid ook, kleurt ons zien en ons verstaan.
Maar we mogen hiermede niet in een subjectivisme vervallen, Als vergelijking het volgende.
Koffie, thee, wijn en Coca Cola, zijn alle dranken maar verschillen in uiterlijk en smaak. Dat laatste is ook het essentiële. Toch hebben ze heel veel gemeen. Ze bestaan nl. alle uit meer dan 90% water. Zo is het ook met de mensen: ons inzicht en ons zien is verschillend gekleurd, maar toch is er zoveel wat we gemeen hebben: ons mens-zijn, ons geplaatst zijn in dezelfde kosmos. En daarom kunnen we ook met elkaar communiceren, en behoeven we niet bang te zijn In een chaos van onbegrijpelijkheden en misverstanden te blijven steken.
Neen, meer nog, dit is het allergrootste wonder, een grote ontdekking die ons iedere maal weer verbaast, en die we niet of nauwelijks kunnen verklaren, nl. dat er niet alleen communicatie is ondanks het feit dat we als mensen zo verschillend zijn en ondanks het feit dat onze subjectiviteit zo diep inwerkt op ons verstaan en zien, op onze werkelijkheid zelf, maar dat we de ander kunnen aanhoren of kunnen aanzien wat hij ons wil tonen, daarbij kunnen onderscheiden wat bij de 'kleur' van die ander hoort en dat wat de werkelijke werkelijkheid is die erin vervat is. Onze waarneming is gekleurd, ook onze waarneming van hetgeen de ander met ons communiceert, wat op zich weer bepaald is door diens Meur, en toch kunnen we het werkelijke, het zekere erin ontdekken en onderkennen. Alleen door dit wonderlijke feit van de mogelijkheid van wezenlijke communicatie en het niet gevangen zijn in subjectieve relativiteit kunnen we wezenlijk discussiëren en verder komen. En zo heeft het zin een wijsgeer te lezen en naar hem te luisteren. En zo heeft het zin een schilderij te bekijken, en te ontdekken wat daarin over de werkelijkheid zichtbaar en daarmee duidelijk gemaakt wordt - misschien wel nieuwe nooit eerder vermoede zaken.
De vraag mag thans luiden: wat is er eerst, het denken of het zien, de wijsbegeerte of de (beeldende) kunst? Het is echt niet zo dat dat altijd de filosoof zal zijn. Want het denken is belangrijk, maar het is een denken over et;n werkelijkheid die gezien wordt en als zodanig heeft de kunstenaar ons zien mede bepaald.
Ze hebben elkaar dan ook nodig. De een kan pas vooruit gaan als de ander 'bij' is. Wie eerst is zal wel vaak een vraag zijn als van de kip en het ei.
We denken hier over de kunst van het Duitsland van omstreeks het jaar 1000 de zgn. Ottoonse tijd (naar verschillende keizers van die naam). Nooit is er een kunst geweest die zozeer vergeestelijkt is. De werkelijkheid in de zin van het tastbare en zichtbare is er haast niet en voorzover die er is is die geheel spiritueel.
Lichamen werpen geen schaduwen, maar zijn veeleer zelf licht. Deze kunst, in al haar expressiviteit, is geheel bepaald door de mystiek van een Johannes Duns Scotus. Deze achtste eeuwe theoloog-filosoof had het beelddrager Gods zijn van de mens geheel vergeestelijkt.
Het lichaam zelf is het beeld van het goddelijke beeld in de ziel. Het lichaam is zo een transparant voor geestelijke werkelijkheden.
En deze kunst is de kunst van die transparanties.
Nooit was er een kunst die de allerdiepste christelijke waarheden zo helder kon weergeven, maar evenmin ooit een kunst die zo weinig oog had voor de 'gewone' schoonheid van de 'gewone' dingen, en die daarmee tekort deed aan Gods scheppingswerk als zodanig. Toch hebben deze mensen goed gekeken, zoals uit kleine trekjes blijkt b.v .. in de weergave van wapperende zeilen en dergelijke.
Op een van de hoofdwerken uit die tijd, gemaakt door een kunstenaar wiens naam we weliswaar niet weten maar die tot een van de grootste kunstenaars van adle tijden gerekend moet worden, zien we iets wat we nooit zien met ons alledaagse oog, maar dat tooh waar is, als bijbels gegeven. Wij zeggen ja op zijn visie, dat geen visioen is, maar wezensschouw.
We zien Christus met de boeken des levens op zijn schoot, in zijn goddelijkheid tronen. Hij is ook de bron des levens, en de spreekwoordelijke herten uit de bekende psalm (eronder ook geciteerd) laven zich aan dat water. Hij draagt, letterlijker kan het welhaast niet, het evangelie van Lucas, naar de wijze van die tijd gesymboliseerd door de gevleugelde snier. Erboven zien we Lucas zelf, de bijbelschrijver. Eromheen de oudtestamentische profeten die geciteerd werden, en die tot dat evangelie hebben bijgedragen - hun namen staan erbij. En van dit alles gaat, als van een licht op een kandelaar, licht uit licht weergegeven door die handjes die we uit de wolk van getuigen tevoorschijn zien komen.
Om dat alles heen een decoratieve boog en speelse vogeltjes. Ben grandiose fantasie, maar een ware fantasie, een creatie die ons de eenzijdigheid van dit denken over de werkelijkheid, dat het lichamelijke en materiële door de geest laat opslokken haast doet vergeten.
Van het tweede voorbeeld alleen kort een samenvattingen aanduiding, om naar wij hopen u mee aan het denken te zetten. In de renaissance ontstaat een nieuwe uitbeelding van de ruimte, door middel van de perspectief. Panofsky heeft duidelijk gemaakt dat de oudheid dat nog niet kende doordat ze de ruimte nog niet homogeen zag. De dingen werden toen weliswaar in een soort perspectief, maar dan discontinu, niet duidelijk op elkaar betrokken, weergegeven. Pas met de kustontwikkeling in de hoge en late middeleeuwen ontstaat een nieuwe wijze van ruimteweergave die uitgaat van een continuïteit, waarbij de dingen in hun objectieve verschijning op elkaar betrokken worden, Maar tegelijkertijd, juist omdat het nu objectief is, ook ont-theologiseerd worden en op zichzelf komen te staan. Later, zo zegt Panofsky en wij vallen hem daarin bij, wordt deze ruimte door Descartes gerationaliseerd en nog later door Kant geformaliseerd. *) Dat betekent dat de ruimte waar Kant over spreekt en die hij tot categorie verheft niet zonder meer een gegeven ruimte is, maar een veroverde ruimte, en wel door de mens in zijn kunst. De ruimte waar Kant over spreekt zien we al veel eerder bij een Massacoio of Piero della Francesca. Kant dacht iets te zien, maar was zich waarschijnlijk niet bewust dat wat hij zag interpretatie is, menselijke verworvenheid, en als zodanig ook discutabel.
Een derde voorbeeld vinden we in de kunst van onze tijd. Het absurde, het chaotische en discontinue, het doorbreken van het oude wereldbeeld zien we nergens duidelijker dan in de moderne kunst van het begin van deze eeuw. Dat zal de wijsbegeerte later gaan doordenken.
Soms is de invloed van deze kunst op de filosofen direct aanwijsbaar of althans gemakkelijk als mogelijkheid te veronderstellen: Sartre heeft in de dertiger jaren in een kring om Picasso zich bewogen en zich intensief met diens kunst beziggehouden. Misschien is het begin van zijn wijsbegeerte wel een poging om deze beelden die een nieuwe visie op de wereld uitdrukken te begrijpen en te doordenken. Hij zag de wereld zo, en ging die toen pogen ook in het denken te verstaan.
Dat moderne is tevens het eindpunt van de ontkerstening van de westerse kunst en wijsbegeerte een proces ingezet met de Verlichting.
Hoezeer het christendom als dood beschouwd wordt - om over de dood van God zelf maar te zwijgen - zien we in deze tekening van Picasso een kruisiging, waarin alles bestaat uit doodsbeenderen. Vroeger had men kruisigingen geschilderd, niet zozeer als reconstructies van wat er te zien zou zijn geweest op Golgotha, maar als belijdenis van de voor ons geleden hebbende Christus. Die belijdenis zelf wordt hier als dood ons voorgetekend.
Aan ons nu de taak de werkelijkheid weer opnieuw te ontdekken. De werkelijkheid in haar geschapen-zijn, dus ook in haar openheid naar boven, opnieuw te leren zien en verstaan.
Daartoe dient de christelijke wijsbegeerte.
Daartoe ook een nieuwe kunst, waarvan we hier en daar de eerste prille inzetten kunnen zien. Maar hoe dan ook, willen we ooit de reformatie beleven waarvoor we bidden en werken - een omwenteling zo diep dat wij die nooit zullen kunnen 'maken' maar die ons door God gegeven moet worden - dan zal het nodig zijn zowel het denken als het zien te vernieuwen, zowel de wijsbegeerte als de kunst. Het lichaam van Christus kan niet alleen hart zijn - geloof - noch alleen hoofd zijn - wijsbegeerte en wetenschap en theologie - noch ook alleen mond zijn - prediking - noch ook alleen hand en been zijn - onze activiteiten - maar het zal ook ogen moeten hebben, en daartoe dient de kunst. Het een kan nu eenmaal niet zonder het ander. In alle tijden heeft de Here aan zijn kerk zowel het een als het ander gegeven. Aan ons om deze gaven dankbaar te aanvaarden en onze talenten te ontplooien. In een nooit stilstaand denken, en in een kunstactiviteit die onze ogen letterlijk weet te openen voor de openheid en diepte van een werkelijkheid die meer is dan alleen autonome atomen of levenscellen die niet alleen ook het menselijke bevat maar daarbovenuit nog zoveel meer geestelijke machten en krachten.
E. Panofsky, Die Perspektive als Symbolische Form, Aufsätze zu Grundfragen der Kunstwissenschaft, Berlin 1964, p. 99-168.
Dit artikel van prof. dr H. R. Rookmaaker hebben wij met toestemming van de schrijver en de redaktie overgenomen uit het blad "Beweging".
Zoals u wellicht bekend zal zijn is dat het blad van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.
Deze vereniging bestaat reeds 40 jaar en viert dit jaar dus een jubileum.
De overname van bovenstaand artikel uit het jubileumnummer mag dan ook worden opgevat als een welgemeende felicitatie aan het adres van de redaktie van "Beweging" en het bestuur van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.
De lezers van ons blad willen wij in overweging geven zich op "Beweging" te abonneren en zo deze vereniging te steunen. Het adres is Postbus 7804 te Amsterdam. Ook kunt u door middel van een gift het werk van deze vereniging steunen: giro 30037 ten name van: Stichting Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte te Amsterdam.