DE PLAATS VAN DE VROUW
1976-04-30
In Christus is geen sprake van man of vrouw. - Jaargang 20
- nummer 18
Gal. 3 : 28.
Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw.
1 Cor. 11 : 12.
Na mijn artikel van 26-3-76 "De Vrouw en Wij" kwamen er diverse reacties. De goede hoofdzakelijk van vrouwen, zusteren genaamd; ik heb dezelve onmiddellijk vermaand, dat mijn artikel duidelijk alleen voor mannen geschreven was en dus geenszins door haar mocht worden misbruikt. Maar, om in evenwicht te blijven, er kwamen ook andere reacties binnen, hoofdzakelijk van mannen, broederen genaamd. Een ervan, H. de Rijk van Aalten, zond me een artikel van zijn hand; oorspronkelijk voor zijn kerkblad geschreven. Hij schreef me steeds mijn bijdragen in Opbouw met belangstelling te genieten, maar ditmaal een andere zienswijze naar voren te willen brengen.
Daar ben ik dankbaar voor. Juist die andere zienswijze is mij dierbaar; omdat "andere zienswijzen" dan de alom aanvaarde dikwijls onze gesprekken vooruit kunnen helpen. Zodra wij open staan voor "andere zienswijzen" dan de onze, raken we aan het denken, En al denkende komen wij tot twee, drie mogelijkheden. Of we hadden het bij het rechte eind en kunnen daar gelukkig mee zijn. Of we zien, dat die andere zienswijze juister is dan de onze en kunnen er ons denken mee verrijken. Of zelfs: we merken dat onze zienswijze fout was, dat de ander er ook niet helemaal uit is en dat we verder moeten denken en onderzoeken.
Zo. Dit ter inleiding. En nu gaat u een goed stuk lezen van br H. de Rijk uit Aalten. Aan het slot komt er misschien nog wel een spotlight van mij aan te pas (ik zei niet een spotlicht), maar U kunt het onderwerp nader en breder overdenken.
"Om de plaats van de man en die van de vrouw zuiver te leren zien, zullen wij terug moeten naar de orde van de schepping, zoals die door de Schepper zelf is gesteld.
"Op de laatste scheppingsdag riep God eerst de man tot aanzijn. Adam stond dus alleen op de wereld en ontdekte, dat het onderscheid tussen hem én de dieren ontzaglijk groot was. In tegenstelling tot alle andere schepselen had God de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Hij had hem met verstand en wil begiftigd. Zo hoog stak de mens boven de dieren uit, dat hij met hen geen enkele gemeenschap kon onderhouden. Met hen kon hij niet spreken, over wat 'er in zijn hart leefde. Zij konden hem niet helpen bij het werk, dat God hem opgedragen had: het tot cultuur brengen van de aarde. Zij hadden hun eigen leven, hun eigen taak, zonder het zich bewust te zijn. Zo alleen stond Adam ...
"Waarom, zo vragen wij ons af, wachtte God zo lang om hem een "hulp te maken, die bij hem paste"? 1)
"Wel, Adam moest het niet als vanzelfsprekend gaan beschouwen, dat hij met zijn vrouw als gezellin door het leven mocht gaan. Hij moest haar zien als een rijk geschenk, uit Gods vaderhand ontvangen. God wilde geëerd wordren, om datgene wat Hij schonk. En God kwam bij Adam tot zijn eer door het loflied uit Adam's mond: "Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal Mannin heten; omdat zij uit de man genomen is".
"In het beschouwen van de dierenwereld was Adam zich bewust geworden, wat hem tot nu toe ontbroken had: iemand, met wie hij samen door het leven kon gaan en die hem in het volbrengen van zijn opdracht terzijde zou staan. Voor zichzelf v6nd hij immers geen hulp, die bij hem paste.
"Zij was dus mens, zoals de man mens was. Hier staat dus vast, dat zij geschapen was als gelijkwaardige van de man. Dat staat ook in Genesis 1 : 27, 28. waar God zegt: dat Hij de man zowel als de vrouw naar Zijn beeld geschapen heeft.
"Als gelijkwaardige - maar dat wil niet zeggen: als gelijkgerechtigde! Wel gelijk aan de man, maar niet in rangorde 2).
Deze rangorde mogen we niet uit het oog verliezen.
Want ook daarin voorziet de Schrift. Het is van grote betekenis, dat niet de vrouw, doch de man het eerst is geschapen en dat daarná de vrouw uit de man genomen is.
Eerst Adam, daarna de vrouw als een hulp die bij hem past, doch niet als een andersoortig schepsel dan de man. Zij is, evenals hij, mens; alleen geslachtelijk verschillend. 3) "Aanvaarden wij nu het scheppingsverhaal, zoals het er staat, dan staat het volgende onomstotelijk vast: de man heeft wel zonder de vrouw geëxisteerd, zijn bestaan kunnen leven; de vrouw heeft niet geëxisteerd zonder de man. Eerst de man, daarna de vrouw. De man gaat voorop, de vrouw volgt. 4) On-omkeerbaar, deze volgorde dus.
"En dat wij met deze conclusie op het goede spoor zijn, wordt door dezelfde Schrift bevestigd. Lees 1 Cor. 11 : 8, 9 "de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man".
"Nu even het verband van deze Paulinische uitspraak. Beginnen we bij vers 3: "ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd van de vrouw is de man en het hoofd van Christus is God".
"In het oudtestamentisch spraakgebruik betekent het woordje hoofd vaak het begin, of de eerste; en daarom de voornaamste. En aan het "hoofd" behoort de leiding. Hij geeft de koers aan. Wie "hoofd" heet staat aan het begin; hij is de eerste geborene; hij is de eerste en de beste van de reeks, die na hem komt.
"Maar dat wil niet zeggen, dat hij heerser is. Nee; hij is voorganger, het voorbeeld, dat gevolgd wordt door wie na hem komt. In deze zin is Christus het hoofd van de man, de eerstgeborene van de ganse schepping, schrijft Paulus ergens. Hij gaat voor, Hij is de Leidsman.
"De man heeft zich naar Hem te richten, zich aan Zijn leiding over te geven. En precies zo is het met de man ten opzichte van de vrouw. Naar hem heeft zij zich te richten. Zo heeft ze zijn leiding te aanvaarden. Hij gaat voor op de weg, hij stippelt de koers uit en zij vergezelt hem als zijn hulpe. Zo schrijft Paulus, is de rangorde."
Even een onderbreking in het betoog van br De Rijk. Om nu enkele kanttekeningen te plaatsen.
Bij de vraag "waarom wachtte God zo lang?" zette ik het teken 1).
Want daar zou ik willen zeggen: het nu volgende antwoord staat niet in de Bijbel. Het is door meer of min betrouwbare theologen geconstrueerd en door een lange reeks van broederen getrouwelijk overgenomen.
Maar het blijft een speculatie, antwoorden te geven, die alleen God had kunnen geven; als Hij dat gewild had.
Wanneer gelijkwaardig iets anders is dan gelijkgerechtigd, zou ik als opmerking 2) willen zeggen: wel spits bedacht, en zeker niet in het brein ener vrouw opgeklommen! Ze is namelijk, zegt psalm 8, evenals de man een weinig (korte tijd) beneden de engelen geplaatst. Ik dacht: wanneer we met zoveel sterren op onze kraag lopen, maakt dan één ster meer of minder nog veel verschil' in rangorde uit? In elk geval, gerechtigd of niet, de vrouw mag van dezelfde genade leven als de man. En dat is heel wat, dacht ik.
3) Die mindere plaats in onze rechtsorde klopt niet helemaal met wat we lezen in Genesis 1. Als we dan toch naar de beginne teruggaan, laten we dan niet bij hoofdstuk 2 : 18-25 stilstaan, Want in 1 : 25 staat dat de wereld "goed" was ... voordat de mens er bij kwam. Om tot een "zeer goed" te komen dacht God aan mensen, meervoud. Aan vruchtbare mensen, man en vrouw dus. Aan mensen, die zouden heersen over de schepping, zowel de man als de vrouw. En die naar Gods beeld zouden uitzien, zowel man als vrouw. Laten we de verzen uit Gen. 1 : 26-28 maar nemen zoals ze er staan. Dan blijkt hier niets van de mindere gerechtigdheid van de vrouw. Wel dat de wereld goed existeerde zonder de man en de vrouw.
4) En als de vrouw de vooropgaande man te volgen heeft, schiet me te binnen het beeld van een orthodox Joods gezin, dat ik vroeger kende.
Hij ging voorop naar de synagoge, zijn vrouwen dochter een halve pas achteraankomend, Zoals in Urk nog gebeurt. - Maar nu gaat br De Rijk verder.
"Zeker niet minder duidelijk spreekt 1 Tim. 2 : 13. Hier gaat het om de eredienst.
Daar moet het gebed plaats vinden en als tweede element: de onderwijzing. Dat onderwijzen komt niet aan de vrouw toe, zo schrijft hij. (Paulus). Wanneer de onderwijzing plaats vindt dient de vrouw te zwijgen. Want dat onderwijzen draagt het spreken met gezag; en het gezag oefenen, het leiding nemen, het voorgaan (ook over mannen) dat is niet voor de vrouw weggelegd.6) "Waarom niet? Ook hier grijpt Paulus naar de beginne: eerst is Adam geformeerd en daarna de vrouw. Daarom berust de leiding niet bij de vrouw, maar bij de man. Hier is dus ook weer de bevestiging van de conclusie, die wij uit Gen. 1 en 2 trokken: de man heeft wel geëxisteerd zonder de vrouw, maar niet andersom.
"De vrouw gelijkwaardig geschapen aan de man. Niet als zijn ondergeschikte, laat staan zijn slavin, doch zijn gezellin, zijn mede-arbeidster, zijn kameraad. Dit vooropstellend blijft het verschil in rangorde. De rangorde, door God Zelf in de schepping gelegd.
"Vandaar dat het, wanneer zij de leiding neemt, grondig mis loopt. Dan voltrok zich de catastrophe in de zondeval, waarin de vrouw de leiding nam door eerst te eten en vervolgens de man te leiden naar de boom der kennis... en hem te verleiden om mee te zondigen.
"Ongehoorzaamheid aan de leider leidt tot catastrophe ... ! 5) Duidelijk wordt nu, dat God in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid het zo beschikt heeft, dat geen vrouw ooit in het ambt kan worden toegelaten. Het is haar aard niet. paar is zij niet voor geschapen. Zij is bestemd tot een hulpe tegenover de man. De leiding, het onderwijzen, het regerend dienen berust bij de kerkeraad. welke bestaat uit mannen, die naar hun aard, hun in de schepping gegeven, naar het voorbeeld van Christus voorgaan; leidslieden zijn ook van de vrouwen der gemeente. Dwars tegen de scheppingsordinantie in zou het zijn, indien de vrouwen deze taak zouden krijgen toegewezen en leiding zouden geven, zouden regeren, voorgaan, leidsvrouwen zijn, ook van de mannen.
"De specifieke taak van de vrouw, in de schepping gegeven, en na de zondeval verlaagd tot het in feite slavin zijn van de man, is door het heerlijk verlossingswerk van Jezus Christus gelukkig hersteld".
Zo. Dat zijn allemaal goed bekende klanken. En deels ook in de Schrift gegeven, deels daaruit geconcludeerd. Toch enkele spotlights, als het mag. En wel (5): de ongehoorzaamheid heeft tot catastrophe geleid.
Maar daarna? We kennen een rechtsregel: wie een fout maakt moet hem zelf ook herstellen. Denk nu eens aan de vrouw van Mozes, ik bedoel Zippora. Mozes, die het toch goed wenen moest, Faalde. En Zippora besneed haar kind! Hetgeen het kind rot gerechtigheid is gerekend. Debora, de profetes, was richteres bij het oude bondsvólk: en ze deed het nog goed ook. De moeder van Lemuel schreef het 31e hoofdstuk van de Spreuken; een van de beste hoofdstukken uit de Bijbel, dacht ik. Hanna, de moeder van Samuel, zong een Magnificat; ze was niet alleen dichteres maar ook profetes: Maria heeft in haar Magnificat de woorden van Hanna geleend. Deze vrouwen, en nog vele anderen, hebben Gods daden bezongen en het heil aangekondigd voor Gods volk. Waar mannen faalden ...
6). Het wordt tijd voor een afsluiting. Dat "spreken met gezag", dat aan mannen zou zijn voorbehouden. Ik geloof, dat hier de bres in de Kuyperiaanse muur zit. Met welk gezag spreken mannen, ambtsdragers) in de gemeente? Met hun eigen gezag? Nee. Met het gezag, dat met het ambt meekomt? Nee. Ze spreken alleen met het gezag van God de Heere; met geen ander gezag. Ze moeten zelfs kritisch worden aangehoord: of ze werkelijk Gods Woord spreken. Náspreken! Want ze hebben geen eigen gezag, geen eigen zegje; maar àls ze spreken moeten het "woorden als van God" zijn.
Dat blijft er over van ambtsdragers. Ze zijn loopjongens van God de Heere. En in hoeverre een loopjongen belangrijker is dan een loopmeisje ... is niet duidelijk.
Inderdaad, mannelijke ambtsdragers zijn er aangesteld, in de Bijbel.
Van de aanstelling van vrouwelijke ambtsdragers rept de Bijbel geloof ik niet. Maar ze komen wel in de Bijbel voor, die vrouwelijke ambtsdragers.
Moeders in Israël. Laat dat genoeg zijn.