"Knoeien met de wet"

1976-05-07
  • Jaargang 20
  • nummer 19
Zoals iedereen die een beetje meeleeft met wat op het gebied van het onderwijs gaande is weet, voltrekken zich daarin grote veranderingen en worden daarin nog grotere voorbereid. En die veranderingen zijn van die aard dat van alle voorstanders van het "bijzondere", en met name van het "bijzonder christelijke onderwijs, grote waakzaamheid wordt geëist.
Minister Van Kemenade is met evenveel enthousiasme als bekwaamheid bezig deze veranderingen te ‘realiseren in zijn geest.’ Wie enigszins op de hoogte is van de geschiedenis van het onderwijs weet dat krachtens de grondwet van 1848 in ons land vrijheid van onderwijs bestaat en gewaarborgd is. Dat wil zeggen: vrijheid om "bijzondere", niet onder het bestuur van de overheid staande, scholen op te richten. Iedere vereniging of stichting kan zo'n school in het leven roepen en is daarbij wat de “richting", de "inrichting", het "karakter" van de scholen volkomen vrij. De overheid heeft daarover niets te zeggen.
Zij moet krachtens de grondwet alléén toezicht houden, althans voor wat het lagere en middelbare onderwijs betreft, op "de bekwaamheid en de zedelijkheid des onderwijzers." Voorts zijn er bij de wet een aantal regels vastgesteld waaraan bijzondere scholen moeten voldoen om subsidie van de overheid te ontvangen, b.v. wat het aantal leerlingen en de "vakken" waarin onderwijs gegeven wordt, enz.
Een "bijzondere" school kan allerlei "kleur" hebben. Ze kan gereformeerd, protestants-christelijk, rooms-katholiek, humanistisch, enz.. zijn. Als ik goed ingelicht ben zijn er b,v. ook antroposofische bijzondere scholen. Maar daar heeft de overheid niets mee te maken. Want nog eens: wat de "richting", de "inrichting van hun scholen betreft, zijn de besturende instanties van alle soorten "bijzonder' onderwijs geheel vrij. De "openbare" scholen, de scholen waarvan het bestuur in handen van de overheid ligt zijn in dit opzicht niet vrij. Die moeten "neutraal" zijn. Daarin moet onderwijs gegeven worden met "eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen'"

Nu is de heer Van Kemenade een fervente voorstander van de zgn."samenwerkingsschool". D.w.z. van een schooi waarin mensen van verschillende godsdienstige of wereldbeschouwelijke overtuiging samenwerken. Hij zei daarover in een interview in "Trouw" eens o.a.
het volgende: "Minister Van Kernenadé vindt dat naast de vormen van verzuild onderwijs ook de samenwerkingsschool, waarin verschillende levensbeschouwelijke richtingen samenwerken, een kans moet krijgen.
Een groeiende groep ouders kiest voor de samenwerkingsschool en ais minister van onderwijs moet ik ook zorgen voor de vrijheid van onderwijs van deze groep. Maar ik ben het niet eens met mijn partijgenoot Van Ooyen of met oud-staatssecretaris Schelfhout, dat daarvoor herziening van de grondwet nodig is. De bestaande mogelijkheden (een bestuurscommissie volgens de gemeentewet of een stichting of vereniging) zijn ruim genoeg."
Deze uitlating van de minister is in meer dan één opzicht vreemd.
Ik noem nu slechts één ding. Namelijk dit dat hij zegt dat hij ook moet zorgen voor de "vrijheid van onderwijs" van "de vrij groep"!
Want deze vrijheid is er! Nog wel krachtens de grondwet!
Als er een aantal mensen zijn: bv. een aantal protestanten, rooms-katholieken, humanisten, atheïsten enz. die samen zo'n school willen oprichten hebben ze daartoe de volle vrijheid. Uiteraard ais er voor zo'n school voldoende leerlingen zijn enz.
Maar uit de uitspraak van Van Kemenade blijkt dat hij met het oog op de realisering van zijn lievelingsidee omtrent een "samenwerkingsschool"
op iets bijzonders het oog heeft. En daarover schreef het "Friesch Dagblad" een artikel dat tot opschrift heeft wat boven deze "Persschouw" staat. Hier volgt het:

Er is een wetsontwerp ingediend onder verantwoordelijkheid van drie ministers: De Minister-president, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Een wetsontwerp tot herziening van de Grondwet betreffende de bepalingen inzake het onderwijs. Over dit wetsontwerp is véél te zeggen en evenzeer over de memorie van toelichting. In dat laatste stuik: komt ook ter sprake de eenmaal door de staatssecretaris van onderwijs Schelfhout gelanceerde gedachte aan een "tertium", een derde mogelijkheid. Er is openbaar onderwijs, gegeven in opdracht van de staat. Er is bijzonder onderwijs.
met het bestuur van een vereniging of stichting als het bevoegd gezag. De "richting" van het openbaar onderwijs staat vast.
Want dat openbaar onderwijs wordt bij. de wet geregeld. En reeds in de grondwet staat het nodige over die richting: het openbaar onderwijs word- van staatswege gegeven met "eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen."
Over de "richting" van het bijzonder onderwijs staat niets in de grondwet. Noch in de onderwijswet.
Het kan zo neutraal mogelijk zijn, maar ook humanistisch, of Gereformeerd in confessionele zin, of Rooms-Katholiek, of Mohammedaans.
De wetgever moet daar buiten blijven.
Alleen ligt het voor de hand, dat men niet zo gemakkelijk overgaat tot het stichten van een bijzondere school met een signatuur gelijk of vrijwel gelijk aan die van een openbare school. De bijzondere school wordt juist gesticht, omdat de openbare school wordt afgewezen.
Als regel niet, omdat het een stáátsschool is, maar om de richting van die staatsschool.
Nu komen de drie ministers in de memorie van toelichting te spreken over dat tertium, waarvan vroeger de staatssecretaris van onderwijs, de heer Schelfhout al beloofde, dat het bij een herziening van de grondwet aan de orde zou kunnen worden gesteld. De drie ministers schrijven over dat "tertium", over die "samenwerkingsschool" het volgende: "Met de samenwerkingsschool werd gedoeld op de onderwijskundige samenwerking van een of meer richtingen in het bijzonder onderwijs met de gemeente, in de hoedanigheid van verzorgster van openbaar onderwijs , onder gezamenlijk beheer van de deelnemende partijen."
Het gaat dus om "deelnemende partijen". Een of meer van die partijen worden genoemd "richtingen in het bijzonder onderwijs".
De partij is de burgerlijke gemeente, als verzorgster van het openbaar onderwijs. Wanneer het gaat om richtingen in het bij ronder onderwijs, dan gaat het uiteraard om "richtingen", die bezwaar hebben tegen de richting van het openbaar onderwijs. Die het openbaar onderwijs, zoals het door de wet is geregeld, in principe afwijzen.

Die richtingen worden nu, (wij volgen het merkwaardige spraakgebruik van de ministers) partijen, déélnemende partijen in het gezamenlijk beheer van een school, waarin ook de gemeente samenwerkende partij is. De gemeente werkt samen met "richtingen".
Niet met verenigingen of stichtingen, maar met richtingen.
Richtingen in het bijzonder onderwijs.

De gemeente draagt de verantwoordelijkheid voor tweeërlei scholen:

1. openbare scholen, waarbij zij gebonden is aan de wettelijke voorschriften omtrent geest en karakter van het openbaar onderwijs,
2. scholen, waarvoor zij samen met richtingen in het bijzonder onderwijs verantwoordelijkheid draagt en samen met die richtingen de grondslag van de school bepaalt.

Waarbij één ding bij voorbaat zou mogen worden verwacht (anders heeft de gehele zaak geen zin) nl. dat de richting van de onder 2 genoemde scholen anders is dan die van de openbare school. De gemeente aanvaardt dàn dus de verantwoordelijkheid voor tweeërlei scholen, van verschillende richting. En B. en W. kunnen voor de gang van zaken op beiderlei scholen door de Raad ter verantwoorden worden geroepen. Maart nu volgt er in de redenering van de drie ministers 'n hoogst merkwaardig gevo1g,een in Ziekere zin juist venhaal en dáárom zo merkwaardig, De drie ministers schrijven nl.: "Een dergelijke samenwerking kan gestalte krijgen onder een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke beheersvorm. Een in de praktijk voorkomende publiekrechtelijke rechtsfiguur voor de samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs is dat ineen door de gemeenteraad ingevolge artikel 61 gemeentewet Ingestelde commissie voor het beheer van school vertegenwoordigers van het bijzonder onderwijs worden benoemd."
En voerder: "Op de publiekrechtelijke vorm zijn de bepalingen van het openbaar onderwijs van toepassing."
Zéér juist, zeggen wij. Het is gewoon een openbare school, door de gemeente in het leven geroepen en alles wat in de onderwijswet van het openbaar onderwijs staat, is op deze school van toepassing.
De inspectie heeft er op toe te zien, dat all die bepalingen worden nageleefd. Het is en het blijft een openbare school. Dat hebben de drie ministers goed begrepen.
En dat er in de commissie van "beheer", een commissie door de gemeente benoemd en alleen aan haar verantwoordelijk, ook "vertegenwoordigers" zijn benoemd, die voorstanders zijn van de bijzondere school, verandert daaraan niets. Maakt het alleen maar een beetje gek. Een openbare school, in het Teven geroepen door de gemeente, beheerd door een commissie in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de gemeente, onderworpen aan alle bepalingen voor het openbaar onderwijs wordt door de drie ministers voorgedragen als een rechtsfiguur voor de samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs."
Het is verbazingwekkend.
Juist is de erkenning, dat het integraal gaat om een openbare school. En zonder blikken of blozen wordt bewéérd, dat die openbare school een samenwerkingsschool is tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Onder bijzonder onderwijs wordt dan blijkens het verband verstaan dàt bijronder onderwijs, dat principieel van het openbaar onderwijs verschilt.
En zo werken dan volgens de drie ministers het openbaar onderwijs en dàt bijzon der onderwijs samen in een openbare school met het gemeentebestuur als het bevoegd gezag."
Inderdaad, dit is een evident knoeien met de wet.
Maar in dit knoeien openbaart zich het oeroude streven van "de staat'" namelijk om ook de richting" van het onderwijs op de scholen te beheersen en naar eigen hand te zetten.
Want laat men niet over het hoofd zien dat die "samenwerkingsschool' van een zeer bepaalde "filosofie", speciaal wat opvoeding en onderwijs betreft, uitgaat. De "samenwerkingsschool" is van deze "filosofie" de concrete gestalte.
En deze gaat de overheid bevorderen.
Tegenover allen die van deze school niet gediend zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief