2. Werkelijkheid en Geschiedenis
1976-05-14
- Jaargang 20
- nummer 20
Als we in de bijbel over de roeping van Abram lezen, dan mogen we er best eens even bij stilstaan, dat God met geen woord spreekt over Abram's persoonlijke behoudenis Over zijn strikt individuele verlossing.
God openbaart aan Abram, dat Hij (nog steeds) deze wereld lief heeft en dat Hij (nog steeds) van plan is de wereld, die Hij geschapen heeft, heen te leiden naar een toekomstige heerlijkheid. Hij openbaart tevens, dat Hij dat niet anders wil doen, dan door de mensen daarbij te betrekken.
"Alle geslachten des aardbodems". (Gen. 12 : 3).
Dat gebeurt in bewoordingen, die wij niet anders verstaan kunnen, dan in een historisch kader. God zegt tegen Abram niet meer, maar ook niet minder (!), dan dat Hij in de geschiedenis van deze wereld mens en wereld in Zijn liefde omvat houdt.
Is er en reden om er aan te twijfelen dat deze boodschap universeel is?
Moet God eeuw-in, eeuw-uit deze boodschap herhalen, of mogen we ons dit allemaal en ieder persoonlijk voor gezegd houden?
Dat laatste is natuurlijk iets anders dan "het voor kennisgeving aannemen".
Dat zegt God er dan ook meteen maar bij, want die boodschap aan Abram krijg! voor ieder, die er van hoort, een heel persoonlijke klem, Ook hier is het weer duidelijk, dat God aan ons mensen de werkelijkheid van Zijn liefde nooit anders openbaart, dan door van ons een antwoord te vragen; ons ver-antwoorde-Iijk te stellen. Hij vraagt van ons "Abram te zegenen". Het wordt alweer een kwestie van leven of dood: wie Abram zegent ontvangt het leven in de zegen van God, wie Abram vervloekt staalt buiten het leven en wordt in de vil 0elk van God prijsgegeven aan de dood.
Er is dus geen sprake van dat God geen aandacht zou schenken aan de mens in zijn individualiteit, maar de mens in zijn individualisme wordt aan de kant geschoven.
Als we ons afvragen wat dat is: "Abram zegenen", dan moeten we dunkt mij - ook niet onmiddellijk de sprong wagen naar Jezus Christus, door te zeggen dat het eigenlijk betekent "Jezus Christus zegenen".
Dan vergeten we dat God ons voor die acrobatiek wil behoeden, door in de geschiedenis eerst een man als Abram te plaatsen. Het is niet de bedoeling van de bijlbellom ons 'n interessant verhaai te vertellen over een vroom man, die lang geleden leefde. De bijlbel vertelt ons over de weg, die God met Abram ging. Daarmee helpt God ons om de weg van Christus (d.i. de weg van het leven) te begrijpen. Jezus Christus zegenen betekent Hem van harte volgen op de weg, waarlangs Hij ons naar het leven leidt.
Alswe daar moeite mee hebben, als "het geheim" van die weg voor ons niet duidelijk wil worden, dan roept God Abram te hulp. Dat heeft Paulus in zijn brieven meerdere malen gedaan. Wie Jezus Christus wil "zegenen", moet eerst de Abram uit het boek Genesis zegenen. Dáárvoor heeft God Abram uitverkorenen daarvoor waren Abram's "Godservaringen"
bestemd. Die zeer persoonlijke "Godservaringen" van Abram zijn een stukje geschiedenis-werkelijkheid, waarin God ons laat zien wat het betekent als Hij ons vertelt dat de totale geschiedenis-werkelijkheid de verwelijkheid van zijn liefde voor mens en wereld is.
Voor ieder, die daarop acht slaat en er zich rekenschap van geeft, gaat het licht op in de duisternis van deze wereld en van de geschiedenis van deze wereld. Want de duisternis is er alleen voor de mens, die van zichzelf uit de werkelijkheid probeert te zien en daarom niet luistert naar wat God ons over de werkelijkheid zegt.
Maart '76