LENTE-BALLADE
1976-05-14
Nu is het lente, Frühling, zong een hand. Een nieuwe lente en een nieuw geluid, zei een dichteres. lm wunderschönen Monat Mai dichtte Heine.- Jaargang 20
- nummer 20
Zo beleven we elk, in woorden of gedachten, in gevoelens of daden, de nieuwe lente. Gevoelens, die een tijd lang schenen te slapen; gedachten, die maandenlang op sterk water stonden; ze komen van verborgen plaatsen springlevend te voorschijn. Ze zetten ons aan het werk. Ze vervullen ons met nieuwe krachten, nieuwe werkdrift. nieuwe plannen. De natuur wordt herboren - en wij met haar.
De romantische dichter Joseph, Freiherr von Eichendorff (1788-1857, ulit de kringen van Brentano, Chamisso en Mendelssohn) dichtte een lente-ballade onder de naam Frilhlingsfahrc. De componist Robert Schumann heeft het gedicht meesterlijk getoonzet, het vleugels gegeven.
Jawel, Robert Schumann. Niet de Franse minister van financiën, maar de romantische componist (1810-1856), tijdgenoot van von Eichendorff, baanbreker van Chopin en Brahms, bestrijder van Wagner. De samenwerking van deze twee grote figuren, die bijna gelijk zijn gestorven, doet denlken aan de twee hoofdpersonen uit de volgende ballade.
Luister maar naar dit gedicht van von Eichendorff, dat ik parafraserend tracht voor u te vertalen:
Frühlingsfahrt
Es zogen zwei rüst'ge Gesellen
zum ersten mal von Haus,
so jublend recht in die hellen, in
die klingenden, cingenden Wellen
des vollen Frühlings hinaus,
Die strebten riaoh hohen Dingen,
die wollten, trotz Lust und
Schmertz, was Rechts in der Welt
volbringen und wem sie vor
übergingen dem lachten Sinnen
und Herz,
Der Erste, der Fand ein Liebdhen,
die Schwieger kauft' Hof und
Haus; der wiegte gar bald ein
Bübchen und sah aus dem
heimlichen Stiibchen behaglich ins Feld hmaus.
Den Zweiten sangen und logen
die rausend
Stimmen im Grund,
verloekend Sirenen,
und zogen ihn in die buhlenden
Wogen, in der Wogen farbigen Schlund.
Und wie er auftaeht' vom Sohlunde,
da war er müde und alt, sein
SchiHlein das lag im Grunde,
so still was 's rings in der Runde
und über den Wasser weht 's kalt.
Es klingen und singen
die Wellen der Frühling wdhl über mir;
und seh' ich so kecke GeseHen,
die Trähnen im Auge mir schwellen:
ach Gott, führ uns liebreich
zu dir!
Lentetocht
Twee stoere jongens trokken voor het eerst van huis.
Jubelend stortten ze zich in de heldere, ruisende, zingende golven van de volle lente.
Ze streefden naar hoge dingen:
ze wilden, trots vreugde of smart,
wat goeds van de wereld maken.
En ieder die hen tegenkwam
lachte hen vrolijk roe.
De eerste, die vond een liefje.
Schoonmama kocht hem een boerderijtje
en al gauw had hij een kind op de knie
en keek uit zijn gezellige kamer
tevreden naar buiten over zijn land.
Voor de tweede zongen bedriegelijk
duizend verlokkende stemmen uit de wereld;
ze trokken hem mee in de zondige golven
van de kleurrijke ondergang.
En toen hij opdook uit de afgrond ...
was hij moe en oud;
zijn scheepje was vergaan,
het was eenzaam om hem heen en trouwens –
boven water kan het koud waaien.
Zo zingen en klinken de lentegolven
soms ook over mij heen.
En als ik zulke stoere jongens zie
komen mij de tranen in de ogen
en ik bid: och Heere,
breng ze veilig bij U thuis!
We zijn de tijd van de balladen voorbij. AIs we nog dichten dan is het vaak cynisch woordenspel, ordeloos proza, zonder gevoel, zonder liefde en het liefst hard, keihard. Zonder ritme, zonder maat, zonder rijm, zonder slot of val, zonder kop of staart.
En een vers over onze naaste? Onzin. Ieder is zichzelf het naast. Ieder heeft genoeg aan zijn eigen schreeuwende ellende, Wie maakt zich druk om een paar idiote idealisten? Die lopen toch wel vast in hun idealen, let maar op. De een verzeilt in orthodox vaarwater en wordt straks door een schoonmoeder getemd. De ander verzeilt inde draaikolken van het leven en wordt op dié manier wel van zijn idealen afgeholpen. Vogeltjes, die zo vroeg zingen, zijn voor de poes.
Joseph, Freiherr von Eichendorff, had een fijngevoelig en diep religieus gemoed. Hij leefde nog mee met zijn naasten. En wie waren die naasten?
De twee knapen, die vlak voor hem op de weg geplaatst waren; die zo vol idealen - en daarom zo weerloos en ongewapend - het leven introkken.
Hij kende dat. Hij wist, als wijzer geworden 'idealist, dat een mens van idealen alleen niet leven kan. Zijn hart klopte voor de jeugd, die na hem !kwam.
Hij wist: der jongelingen sieraad is hun kracht, had Salomo gezegd. En: denk aan je Schepper in deze dagen van lente, in deze tijd van je jeugd, leerde Prediker, Want de afgoden die je kiest zullen je naar de ondergang voeren. Als jullie de wereld eens zult verbeteren zal dezelfde wereld een gemeen loopje met je nemen. Als jullie de door je ouders opgebouwde puinhoop even denkt op te ruimen, zal je over die puinhoop je benen breken. Veel jonge mensen starten met geheven blazoen en schallend klaroen - maar later hoor en zie je er niet veel meer van.
De Britse humanist Lord Robert Baden Powell schreef eens: als ik een knap jong meisje zie, komen mij twee beden uit het hart. Een dankwoord, dat er zulke mooie jonge vrouwen zijn. En een gebed, dat ze zo mogen blijven. Jawel - van een humanist kunnen we soms wat leren.
Ds P. A. de Genestet, predikant in de vorige eeuw, had twee andere beden ten aanzien van zulk een knap jong meisje. De eerste was, dat ze zo veel mogelijk goede en mooie eigenschappen mocht verzamelen. De tweede: dat hij het meisje dan mocht bezitten!
Ik denk, dat de Genestet reëler was dan Baden Powell. Wij bidden graag naar ons toe en de Genestet kende het hart van de christenmens.
Baden Powell was idealist: hij verhief zich tot hoge normen en moest de diepe teleurstellingen van de idealist ervaren, om wijzer te worden.
Maar von Eidhendorff zag de jeugd met een mild en wijs en christelijk oog. Hij spotte niet om de komende teleurstellingen. Hij deelde niet hun afgodisch idealisme. Maar hij droeg hen aan hun Schepper op, in de dagen van hun jongelingschap.
Daar zit zo iets betrouwbaars, zo iets machtigs in onze moderne jeugd.
Je zou er soms huizen op bouwen. Het is waar, wat Salomo zei: het sieraad van de jeugd is hun kracht. Ferme jongens, stoere knapen. Als klein jongetje, in het barre Noorden van Friesland, zag ik die stoere kerels met ontzag aan: joengfeint'n heetten ze daar. Dat was meer dan "die dienstplichtige jongeren".
En geef hun de ruimte, die jongelui van vandaag. Ze hebben het al gezien.
Ze weten precies wat er fout zit in deze maatschappij, Ze zien feilloos de ellendigheden van een huichelachtig christendom. Ze zullen recht en gerechtigheid brengen op deze verrotte aardbodem. Ze kénnen de wereld, die kapot gaat aan onrecht, corruptie en geweld. En ze zullen de oude generatie, die er niets van terecht bracht, wel even het een en ander laten ruiken.
Maar idealisten gaan kapot aan hun eigen idealen - nog voor ze iets goeds aan de wereld volbracht hebben. Afgoden zijn wreed - vooral voor hun uitvinders. Ze kijken, maar zien niet, Ze luisteren, maar horen niet. En wie ze maakt wordt even doof en blind als zijn afgoden.
Daar valt niet mee te spotten. Wie dat weet - diens hart gaat open voor een jeugd, die vandaag nog idealen heeft. Maar die krijgt de mildheid van de Heiland: die immers het hart van de vaderen terugvoert naar de kinderen en het hart van de kinderen tot hun vaderen.
Zo was van Eichendorff. Hij eindigde met een gebed: och Heere, houd ze goed in de gaten. Het zijn uw kinderen. Ze zijn naar u genoemd, in uw naam gedoopt. En breng hen veilig, door orthodoxie en heterodoxie, door draaikolken en zeer stille wateren, door vreugde en smart - breng hen veilig bij u thuis.