Het "testament" van een "zwerver "
1976-05-14
Onlangs verscheen bij Omniboek in Den Haag het door Jan Hof geschreven boek "Frits de Zwerver"- Jaargang 20
- nummer 20
(prijs gebonden f 19,90). Het verhaal over de ondergedoken dorpsdominee uit Heemse, ds F. Slomp, die in 1942 op pad ging voor de "stichting van de grootste verzetsorganisatie, die Nederland in de Tweede Wereldoorlog keende: de L.O.-L.K.P., de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen".
Het verhaal van de man, die in die tijd van onderdrukking en verzet bekend werd als "Frits de Zwerver". De dominee, die, door twee landverraders gearresteerd, omdat zij hem aanzagen voor een Jood (een vermomming is niet altijd gelukkig), uit de Koepel in Arnhem werd bevrijd en die onlangs zelf - hij is nu 78 jaar - dit boek betitelde als "mijn testament voor de jeugd". Nu mag men volgens het spreekwoord een gegeven paard niet in de bek kijken.
Maar een nalatenschap, zeker een geestelijk nalatenschap, zal men wel mogen en moeten bezien, Dat is immers juist de bedoeling van de erflater. Om die reden zal dit artikel ook géén recensie zijn van het bóek, maar veeleer een 'Overpeinzing naar aanleiding van het" testamént".
Tussen testament en biografie
Het boek is, zoals uit het bovenstaande al blijkt, geen autobiografie.
Het is geschreven door Jan Hof op grond van hetgeen de betrokkene hem heeft verteld. Dat is voor een schrijver geen eenvoudige zaak. Hij kan zijn eigen fantasie niet de vrije loop laten, geen romanfiguren scheppen en modelleren, zoals hij wil. Aan de andere kant kan hij ook niet volstaan met een pure registratie. Hij zal zich in de gedachtegang van de hoofdpersoon moeten verplaatsen, hem moeten en kunnen "aanvoelen", zeker wanneer deze het boek als zijn gééstelijk testament beschouwt.
Zijn geestelijk testament voor de jeugd van nu.
Het zal de vraag zijn of iemand daarin ooit geheel zal kunnen slagen.
Het is overigens een geruststelling dat de betrokkene zelf zich kennelijk in die beschrijving heeft kunnen herkennen, zich in de weergave heeft kunnen vinden.
Het boek is trouwens ook geen biografie in die zin, dat het een geheel leven zou beslaan. Veeleer een beschrijving van een periode van strijd tegen de nazi-terreur.
Waarbij dan opgemerkt moet worden dat het volgens de ondertitel zou gaan om "twaalf jaar" (1933-1945) terwijl het eerste hoofdstuk in feite begint in 1938.
De jeugdjaren van onze "erflater", zijn groei van boerenzoon tot predikant zal' men er in missen. Evenals zijn levensloop na 1945, zijn afscheid van de gemeente in Heemse (vlak voordat de gemeente in tweeën scheurde) en de daarop volgende jaren. Zijn "testamentaire" visie op deze en andere meer recente ontwikkelingen ontbreken dus. Toch zullen ze hem zeker niet onberoerd hebben gelaten.
Dat hij die gemeente liefhad blijkt misschien nog wel het sterkste uit het feit, dat het een aantal jaren geduurd heeft voor hij bereid was voor het éne (synodale) deel van zijn oude gemeente weer voor te gaan. Zouden onze scheuringen niet voor menig predikant, en niet voor hen alleen, een blijvend leed zijn? Zeker voor hen, die daarvoor jarenlang een gemeente naar hun beste kunnen en weten vanuit Gods Woord hebben gediend en bearbeid?
Een dochter verraadt haar vader
De besproken periode is dus vrij kort, Dat behoeft, zoals uit hoofdstuk I blijkt, geen verarming te zijn. Wie zou niet stil worden bijhet verhaal over leraar Lehman uit Emlichheim, die door de Grüne Polizei werd gearresteerd nadat zijn eigen dochter had verraden, dat hij een joodse studievriend had geholpen de grens over te vluchten. Was haar niet op school verteld, dat ze mee moest bouwen aan het grote rijk van Adolf Hitler? Dat het haar plicht was om anti-nazi's aan te geven?
De kracht van het boek is - en daar kunnen we dankbaar voor zijn - niet gelegen in sterke verhalen.
Maar veeleer daarin, dat het duidelijk maakt dat het toch vooral een gééstelijke strijd was, die gevoerd werd. Niet een strijd tegen Hitler persoonlijk of tegen het Duitse volk maar tegen een door satan geïnspireerde ideologie. Tegen een systeem, waarin de school een voedingsbodem voor nazipropaganda was geworden en de jeugd georganiseerd werd in een Hitlerjugend. Is er iets dat veel profaner kan hebben geklonken dan de door de kinderen af te leggen eed op de nazi-vlag: "Op onze bloedbanier. die onze Führer vertegenwoordigt, zweer ik, al mijn energie en kracht te wijden aan de redder van ons land, Adolf Hitler.
Ik ben bereid en gereed mijn leven voor hem op te offeren, zo helpe mij God Almachtig ... ". Is het in feite iets anders dan een vloek in het gezicht van Hem, die de Heilige is? Wordt Hij hier niet aangeroepen om hulp voor de dienst aan de sátan.
Wanneer de oorlog ook voor Nederland een feit is geworden vindt er in mei 1940 een ontmoeting plaats tussen de dominee en een Duitse soldaat. De jongen vertelt hem lid te zijn van de Alt-Reformierte Kirche over de grens en dat hij de dorrrinee ook daar had horen preken. Een gesprek tussen twee vijanden? Het samen kind van God zijn wint het toch- als de soldaat hem als zijn overtuiging toevertrouwt, dat Duitsland niet zal winnen. "Een biddend volk overwint men nooit".
Het is juist, niet in dit zin dat een biddend volk, gestelid al even dat Nederland dat in vergelijking met Duitsland was, geen nederlaag kan lijden. Wel in die zin dat Hij de werken der goddelozen háát en een hulp en een schild is voor wie Hem vrezen. Wel ook in die zin, dat alleen het volk van God wérkelijk toekomst heeft.
Politieke prediking?
Het boek stelt impliciet nog een andere uiterst boeiende vraag aan de orde: dat van de politieke preek. Een nogal eens gehoord verwijt jegens diverse preken uit deze tijd (maar gewoonlijk niet gehouden in onze kerken) luidt vaak dat ze zo poliolek geladen zijn. Gewoonlijk dan in de zin van anti-Amerikaans, "links"-gericht, meer aandacht vragend voor zaken als Vietnam, Chili, ondernemingsraad, milieubederf en (kapitalistische) structuren dan voor dogmatische verworvenheden, oproep tot persoonlijke bekering en genadeverkondiging.
Het is boeiend om daar eens een preek naast te leggen als waarvan verteld wordt in dit boek, o.a. gehouden in de grote Zuiderkerk te Zwolle. Farao's angst voor een steeds groter wordend Israël leidt hem volgens Exodus 1 er toe, de Joden tot dwangarbeid te verplichten.
En als dat niet afdoende blijkt ontvangen de Hebreeuwse vroedvrouwen de opdracht de jongetjes direct na de geboorte te doden.
Deze vroedvrouwen, Sifra en Pua volgen dat bevel niet op. Gods gebod telt zwaarder dan Farao’s bevel. Zij pleegden sabotage uit Christenplicht en werden voor die sabotage door God gezégend.
Wie zo onder de Duitse bezetting preekt (of schrijft: K. Schilder in de Reformatie) betracht bepaald niet die voorzichtigheid, die de prediker werd toegewenst door een van zijn ouderlingen. De man maakte de zeker originele opmerking: Ie lokt uut ... Dat moe'j niet doen. Ik heb nooit heurd dat toen Daniël in de leeuw'nkuul zat, hij de leeuwe aan de star te trökk'n hef."
De preek had wel tot gevolg dat ouderen èn jongeren in hun kerkbank overeind schoten en wakker werden, ook ópgeroepen werden tot toetsing van eigen houding en daden allereerst. Niet in een nogal vrijblijvend gepraat over "structuren" en andere volken en mensen maar tot een daadwerkelijke bekering en zelfverloochening rot eer van God en dus ook tot nut van de naaste.
Preek en politiek zijn wel twee verschillende zaken maar Woordverkondiging heeft toch met heel ons leven te maken? Mits het dan ook echt verantwoorde W66rdverkondîging is, het lallen schijnen van de Lamp voor onze voet en het Licht op ons pad.
Onheilig vuur?
Of was het toch een religieus verpakt nationalisme en de zucht naar avontuur, die leidden tot deze activiteiten?
Dit "testament" is niet wat men gewoonlijk onder een "goed oorlogsboek" zal rekenen.
Het is dat ook maar het is anders en méér. Het getuigt ook van eigen zwakheid en eigen zucht naar avontuur. Was niet "Tante Riek", de in Duitsland omgekomen mevr. Kuipers-Rietberg uit Winterswijk degene, die hem zijn taak moest en mocht wijzen? Impulsief was hij in ieder geval wel. Maar ook Petrus was vast niet één van de meest bedachtzaamsten en toch een geroepene.
En wordt Zijn kracht niet in onze zwakheid volbracht?
Geestelijke nalatenschap
Wanneer men het geheel overziet is het een nalatenschap, die het lezen en aanschaffen zeker waard is. Een hoek, dat ook zo is geschreven, dat jongeren, die de Tweede Wereldoorlog zelf niet hebben meegemaakt, er met graagte naar zullen grijpen, zich er met vreugde èn tot hun eigen voordeel in zullen kunnen verdiepen. Evenals de ouderen.
Kerken en kerkleden konden niet alleen in de dertiger jaren en niet alleen in Duitsland in slaap vallen, het uitzicht op het Koninkrijk Gods en op het Woord van hun Heer kwijtraken. Dat kan ook nu nog gebeur enen het gebéurt ook nog.
In zoverre is het slot van het boek niet in alle opzichten bevredigend.
Te vlak ook. Het gebed "geef mij de kracht verder te gaan om uit Uw naam vrede en liefde te spreken" loopt door zijn beperktheid niet over van duidelijkheid. Bovendien is uiteindelijk dit testament niet in 1945 maar in 1976 geschreven.