Groen van Prinsterer de man van de Gereformeerde Gezindte"
1976-05-14
Het zou een bewijs van grove ondankbaarheid zijn als in Opbouw niet werd herdacht dat op 19 mei 1876 Groen van Prinsterer de eeuwige rust is ingegaan.- Jaargang 20
- nummer 20
Uiteraard is het ten enenmale onmogelijk in een weekbladartikel een enigszins bevredigend beeld van deze "grote in Israel" te sohetsen. Groen van Prinsterer was in ieder opzicht zó groot en zijn levensarbeid zo veelomvattend dat het nog niet mogelijk is een biografie van hem te schrijven die hem recht doet. Prof. Fabius vroeg vele jaren geleden eens: Wie heeft tien jaar intensieve studie over voor het reuzenwerk, het leven, de arbeid, de invloed van deze strijder tégen de Revolutie en vóór de doorwerking van riet Evangelie in merk, staat en school te schetsen?
Maar, zoals gezegd, zelfs op dit moment is het nog niet zo ver dat dit zware karwei kan worden volbracht. Er is wèl reeds een lange reeks monografieën verschenen over allerlei facetten van Groens persoon en levenswerk. Maar er is nog te veel dat onderzocht moet worden voor een volledig en verantwoord beeld van deze historicus-rechtsgeleerde-staatsman-kerkelijk strijder, die vóór alles en in alles "Evangeliebelijder" wilde zijn, kan worden ontworpen.
In de voorbije jaren nam het aantal publicaties van en over Groen op verheugende wijze toe. De groots opgezette witgave van Groens correspondentie en nog niet eerder gepubliceerde werken nadert haar voltooiing. Zeker de elfde uitgave van Groens "Ongeloof en Revolutie" kwam juist van de pers. Dr J. Zwaan schreef een magistrale dissertatie over "Groen van Prinsterer en de klassieke Oudheid",een boek dat veel meer bevat dan de titel doet vermoeden en dat zonder meer voor verdere Groen-studie onmisbaar is. En in de "Verzamelde Werken" van Gerretson werden ook een aantal briljante opstellen van deze, wellicht beste Groen-kenner, over de door hem zo hoog vereerde anti-revolutionaire èn christelijk-historische staatsman, gepubliceerd.
Gelukkig kwamen er ook een paar uitstekende populaire boeken over Groen van de pers.
Eerst dat van Mr Mulder waarop ik reeds eerder in Opbouw wees. Mulder beziet Groen wel wat te vee!l vanuit de Hoedemakeriaanse visie op staat en kerk en maakt in zijn boeiende schets het verschil tussen Groen en Kuyper te veel tot een tegenstelling. Een paar dagen geleden kwam mij een voortreffelijke schets ven Groen's leven en werken in handen. Zij is van dr G. Schutte en werd uitgegeven dom de firma Oesterbaan & Le Cointre in Goes.
Deze zou ik graag in handen zien van ieder die het om christelijke politiek, christelijk onderwijs en een authentiek christelijke kerk is te doen.
Terwijl iIk dit schrijf schiet mij, te binnen wat ik onlangs van een historicus hoorde. Hij is leerling van Prof. Geyl en hij vertelde mij dat deze eens tijdens een college een boekje tussen duim en wijsvinger omhoog hield en zei: "Mijn collega Smitskamp van de V.U. heeft onlangs dit boekje gepubliceerd De titel. ervan is een vraag. Deze:"Wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag te zeggen?' Op die vraag antwoord ik: "NIETS"." Sinds Geyl dit zei is de bestudering van Groen evenwel in versneld tempo voortgegaan en treedt diens blijvende actualiteit steeds helderder aan het licht.
Dit blijkt o.a. hieruit dat de idee van een "Gereformeerde Gezindte", die door Groen in de Nederlandse kerkelijke wereld werd geïntroduceerd, daarom nog nooit zo’n grote rol heeft gespeeld als in onze dagen. Daarom en ook omdat daarover nog niet veel werd geschreven - wil ik een paar opmerkingen maken over Groens beschouwing omtrent die "Gezindte".
• 'gezindheid' en 'gezindte'
Voordat men iets gaat zeggen over de beschouwingen van Groen van Prinsterer over dit thema is het goed even na te gaan welke de betekenis van de woorden 'gezindheid' en 'gezindte' als zodanig is.
Volgens het "Woordenboek der Nederlandse Taal" is de oudste-betekenis van het woord " gezindheid": denkwijze, overtuiging. In de zeventiende eeuwen nog geruime tijd daarna is deze betekenis gaandeweg overgegaan in, beperkt tot die van kerkelijk geloof. Het woord werd voorts aanduiding van zowel geloofsleer als geloofsgemeenschap, In laatstgenoemde betekenis werd ook het woord "gezindte" gehanteerd. Om tot een duidelijker afgrenzing van de in geding zijnde begrippen te 'komen werd het woord speciaal de aanduiding van een gemeenschap van gelovigen" en "gezindheid" die van "denkwijze", "overtuiging" .
Het grote woordenboek van Van Dale noemt als de betekenis van "gezindheid" allereerst "innerlijke houding", "denkwijze", "geestelijke instelling" . Zo spreekt men van een vijandige, een nobele gezindheid. Paulus zegt dat in de gelovigen de gezindheid van Christus moet heersen (Fil. 1 : 5).
Voorts kan het woord aanduiden een bepaalde "geneigdheid". En dan één die krachtig en constant is. Bekend zijn uitdrukkingen als: ik ben overtuigd van uw goede gezindheid ten opzichte van mij. En het komt niet alleen op onze daden maar vooral ook op onze gezindheid aan.
Een derde betekenis is die van "geloofsovertuiging".
Men spreekt bv. van een religieuze, een christelijke , een rooms-katholieke, een atheïstische gezindheid en dergelijke.
En ten slotte is dit woord volgens Van Dale een meer modern equivalent van de wat ouderwetse term "gezindte". Laatst genoemde term duidt volgens dit woordenboek nu alléén nog maar aan een "gemeenschap van gelovigen", een "kerkgenootschap".
De conclusie uit biet gememoreerde is dus dat het woord ,,gezindte" geen andere betekenis heeft dan die van "gemeenschap van gelovigen", "kerkgenootschap". En dat "gezindheid" behalve de genoemde andere óók dezelfde betekenis aIls "gezindte" hebben kan.
• uit de grondwet
Wanneer men zich realiseert dat Groen van Prinsterer de term: "Gereformeerde (Hervormde) Gezindte" of "Gezindheid" zo talloos vele malen hanteert, vraagt men zich als van zelf af: waarom koos Hij dit ongewone, ietwat vreemde woord en sprak hij b.v, niet liever van: gereformeerde (hervormde) kerk, gemeente, geloofsgemeenschap, richting, volksgroep?
Om een antwoord op deze vraag te vinden moet men een duik nemen in de geschiedenis.
En wel in die van de grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden.
Zoals bekend is aanvaardde prins Willem van Oranje, de zoon van stadhouder Willem V, in 1813 de souvereiniteit over de Nederlanden onder de "waarborg" van een "wijze constitutie" waarin o.a. de historische rechten- en vrijheden van het volk zouden worden gegarandeerd.
Onmiddellijk na zijn optreden als Souverein toog een commissie aan het werk om een concept daarvoor op te stenen. Veel voorarbeid daarvoor was reeds verricht door Gijsbert Karel van Hogendorp. Deze had tijdens de laatste winter van de Franse bezettingstijd zelfs reeds een complete schets voor zo'n grondwet opgesteld.
In deze schets kwam als bepaling voor: "alle andere godsdiensten - naast de Hervormde C.V. - genieten bescherming van dé regering".
Het is uit deze bepaling duidelijk dat Van Hogendorp aan de "hervormde godsdienst" nog een zekere voorrangspositie toekende.
Dat de "hervormde godsdienst" door de overheid beschermd moest worden sprak van zelf! Maar "naast" deze zullen toch ook de andere bescherming van de regering ontvangen.
Men leefde toen nog algemeen in de overtuiging dat het volk van Nederland een protestantse natie en de Staat der Nederlanden een protestantse Staat was. - En dat dat zo zou en moest blijven!
Hogendorps voorslag vond evenwel in de commissie geen algemene instemming. Men was daarin namelijk bevreesd dat op grond van de voorgestelde bepaling ook adlerlei nieuw opkomende godsdienstige gemeenschappen en sekten door de regering beschermd zouden moeten worden Een zó ver gaande bescherming was voor de heren van de oommissie evenwel al te "liberaal". Daarom werd overwogen of het niet beter zou zijn te bepalen dat alle "erkende" godsdiensten bescherming zouden genieten. In de oommissie werd toen opgemerkt dat er in Delft een godsdienstig genootschap bestond - "Christo Sacrum" - dat krachtens de voorgestelde bepaling dan buiten de gouvernementele bescherming zou vallen. En dat wilden de heren toch ook weer niet. Daarom werd het tenslotte zo"Aan alle bestaande godsdiensten wordt gelijke bescherming verleend". Deze bepaling vindt men in art. 134 van de grondwet van 1814. 1)
Ten gevolge van de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland moest de grondwet van 1814 all weer gauw worden herzien. Aan de commissie die deze tot stand moest brengen werd een Franse tekst voorgelegd. Daarin werd als vertaling van de in art. 134 van de grondwet van 1814 voorkomende term "godsdiensten".
De uitdrukking "communions religieuses"letterlijk: religieuze gemeenschappen - gebruikt.
Na het gereedkomen van de Franse tekst van de nieuwe grondwet werd, Volgens een gissing van Thorbecke, deze in het Nederlands vertaaild. Daarin werd de zojuist genoemde Franse term weergegeven door "godsdienstige gezindheden". Zonder twijfel geschiedde dat zonder daardoor enige wezenlijke wijziging ten opzichte van de voorafgaande oonstitutèe te willen aanbrengen. 2) En zo werd dan in art. 191 van de grondwet van 1815 bepaald: 'Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koninkrijk bestaande wordt gelijke bescherming verleend.' 3) Deze bepaling werd bij de grondwetsherziening van 1840 onveranderd overgenomen. Ze komt in de grondwet van dat jaar voor in art 180 4)
Het is zonder meer duidelijk dat dit woord "godsdienstige gezinheid" in de grondwet uitsluitend en alleen betekent: kerk, kerkgenootschap, godsdienstige gemeenschap, geloofsgenootschap. 5)
Dit grondwetsartikel nu is de oorsprong van het frequente gebruik van de term 'gezindheid' of 'gezindte' in het kerkelijk leven van de vorige eeuw.
En vóór alle anderen nam Groen van Prinsterer die in zijn vocabulaire op.
• de Afgescheidenen
Het grondwetsartikel waarin aan alle bestaande godsdienstige gezindten gelijke bescherming door de overheid werd gegarandeerd bleef jarenlang een slapende zinsnee".
Maar dat veranderde toen in 1834 de Afscheiding een feit werd. Al heel gauw ontstonden in ons land tientallen Afgescheiden Kerken.
Tot grote woede van de kerkelijke en wereldlijke machthebbers! Met alle macht probeerden die de Afscheidingsbeweging tegen te gaan en zo mogelijk te smoren. Tot ham eeuwige schande gingen de overheden van ons volk, opgestookt door de synode van het in 1816 door de Koning gecreëerde Ned. Herv. Kerkgenootschap, er zelfs toe over de Afgescheidenen soms op schandelijke wijze, te vervolgen.
De machthebbers poneerden dat de Afgescheidenen een nieuwe "godsdienstige gezindheid" vormden en zij dus, omdat de grondwet alleen bestaande godsdienstige gezindheden bescherming had gegarandeerd, op die bescherming geen aanspraak konden maken.
Daarom verklaarde de Koning de Afgescheiden Kerken voor ontbonden en verbood de samenkomsten daarvan. Gebruik makend van een paar artikelen uit de door Napoleon ingevoerde strafwet, werden vergaderingen van méér dan twintig personen, soms zelfs met geweld, uiteengejaagd en de leiders ervan gestraft met boetes, Inkwartiering en gevangenis.
“Zolang de Afgescheidenen zich nog in het Kerkgenootschap bevonden", schreef Groen, "was hun alle handhaving der Hervormde leer en ook de minste tegemoetkoming aan rechtmatig bezwaar op hoge toon geweigerd", en waren zij met vele anderen "tegenover het Kerkbestuur de beledigde partij!'.
En hoe ging het na de Afscheiding? "Het Synode riep het wereldlijk" gezag te hulp. De Kerkvergadering had deze leden voor het hoofd gestoten, gesmaald". Maar zij was er niet tevreden mee hen uit het kerkgenootschap gedreven te hebben. "Zij moesten ook daar buiten worden vervolgd, zij moesten weer naar binnen worden gejaagd."
Het was alsof men in de Afgescheidenen met "weggelopen lijfeigenen" te doen had. Spoedig werd, hoewel met tegenzin, wel "het recht om zich af te scheiden" erkend. Maar tegelijk werd de Afgescheidenen met alle kracht "het recht om zich te verenigen" betwist.
"Godsdienst in het Kerkgenootschap, hiertoe bestaat geen dwang. Godsdienstoefening er buiten hiertoe bestaat de vrijheid niet. De Afgescheidenen worden vervolgd, omdat zij niet blijven binnen de kring die in 1816 afgepenkt is. 6)
(Slot volgt)
1) Zie voor het bovenstaande nader: Dr J. Th. de Visser Kerk en staat II, Leiden; 1927, 202 v. en het artikel hierover van Dr F. L. Bos in Enigheid des Geloofs, 4e jaarg., no. 27, 26 mei 1950.
2) Zie: Mr C. J. Verplanke: De Anti-Revolutionaire Partij als politieke gestalte der Gereformeerde Gezindte, in: Bene Meritus. Bundel opstellen uit dankbaarheid opgedragen aan Doctor Johannes Schouten. Klampen 1950, 4:5/6.
3) De franse versie van deze zin luidt: Une protection legale est accordée à toutes les communions religieuses qui existent dans le royaume.
4) In de grondwet van 1848 werd de term "godsdienstige gezindheden" vervangen door ;.kerkgenootschappen".
Een woord dat bij latere grondwetsherzieningen werd gehandhaafd. Deze verandering in de terminologie, die plaats vond zonder dat inhoudelijk iets in deze bepaling werd gewijzigd, geeft een ondubbelzinnige aanwijzing omtrent de authentieke betekenis van de term.
5) Een nadere omschrijving van de betekenis van der term “godsdienstige gezindheid" in de grondwet gaf de Raad van State in een rapport aan Koning Willem I. Deze schreef nl. dat het wezen van zo"n gezindheid 'bestaat in "een onderlinge vereniging', waarin uiterlijk godsdienstige plechtigheden en gebeden plaats hebben". Zie Dr F. L. Bos, Archiefstukken betreffende de Afscheiding II, Kampen 1938, 470.
6) De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst, Leiden, 1837; 39/40.