Terloops ...
1976-05-14
- Jaargang 20
- nummer 20
Voor wie ik liefheb wil ik beten (Neeltje Maria Min);
Hij roept Zijn schapen bij hun naam. . . (Joh. 10 : 3).
Bij het overlijden van Mevrouw A. Bos-de Ridder, presidente Biza-comité.
In 1966 verscheen de eerste druk van de eerste en tot nu toe laatste dichtbundel van Neeltje Maria Min, een verzameling gedichten die nogal aandacht kreeg, een bundel! waarvan er een buitengewoon hoog aantal werd verkocht.
De titel "Voor wie ik liefheb wil iIk heten", is ontleend aan het eerste gedicht.
Dit gedicht en verschillende andere gedichten laten iets zien van de grote eenzaamheid waarin deze dichteres moet hebben verkeerd.
Zij wil een naam hebben, zie wil gekend, erkend worden.
Noem mij ...
In de week dat Ik deze bundel enkele malen inkeek en probeerde de bedoeling van de dichteres te verstaan, kwam onverwacht biet bericht van het overlijden van Mevrouw A. Bos-de Ridder te Leerdam, de presidente van het Comité Biza (Barmhartigheidswerk in Zuid-Afrika).
Haar man liet op de rouwkaart drukken: "Uwe vrucht is uit Mij gevonden (Hosea 14 : 9b)". In de Wilibrord-vertaling luidt deze tekst: "Alan Mij zijn uw vruchten te danken."
In Johannes 10 lezen we de gelijkenis van de goede herder. Van die herder wordt gezegd, dat hij zijn schapen bij naam kent, hen bij hum naam roept. De schapen zijn voor de herder geen onbekenden.
U weet, dat de Here Jezus die goede herder is en dat Hij al de Zijnen kent ("fk ken de mijnen en de mijnen kennen Mij" - vers 14). Omdat de Heiland de Zijnen kent, kennen de Zijnen Hem, léven zij voor Hem, werken zij voor Hem en zo zijn ook hum vruchten uit Hem en voor Hem en tot Hem.
Een kind van God hoeft nooit te klagen: Noem mij, spreek mij aan,... "
In een ander gedicht vertelt Neeltje Maria Min van iemand, die haar naam wél noemde:
,,Ik heb vannacht jouw stem gehoord,
jouw stem, die mij te noemen wist,
jij bood mij jouw verdoemenis te dalen aan."
Zó genoemd, te worden moet erg zijn. Niet voor niets voegt de dichteres er aan toe:
"Geen groter straf
dan jouw bezoek ... "
Als God mensen aanspreekt, hen bij de naam noemt, wil Hij die mensen venlossen. Voor hen, die in Christus Jezus zijn, bestaat er .thans geen vonnis meer (Joh. 8: 1).
Zeker, Christus doet ons delen in Zijn lijden, maar in die weg verlost Hij ons van óns lijden. Hij verlangt niet van ons deel te hebben aan Zijn van-God-verlaten-zijn, aan. Zijn in-het-graf zijn, aan Zijn verdoemenis. Integendeel: Hij trekt ons door Zijn, liefde uit het verderf, Hij maakt ons tot nieuwe mensen.
'k Heb weinig over Mevrouw Bos gezegd. Voor rover ik haar heb gekend, meen iik dat dat ook in haar lijn Iigt, Haar werken was vaak een werken in stilte, Ze timmerde niet graag aan de weg en ais ze af en toe eens naar voren moest komen (op de zendingsvergaderingen van de met de kerk van Leerdam samenwerkende kerken b.v.), was ze zenuwachtig.
Met haar zwakke gezondheid heeft ze echt gelééfd, omdat Christus in haar leefde. En zó kon de pijnlijke trek rond haar mond veranderen in een blijde glimlach.
Zó te leven is goed, zó te sterven is ook goed, want zó te sterven betekent het Ièven.
Neeltje Maria Min dichtte (en ze zette boven dit gedicht rancune I):
"Mijn dagen zijn geteld,
Ik zal teruggaan in de aarde.
toen jij mij baarde
was het vonnis al geveld.
mijn dood
begon al in jouw schoot.'
De bijbel leert ons, dat God geen dode mensen, maar levende mensen wil. Daarom kon de dichter van Psalm 139 zeggen: "Als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U .. .' Nóg!
Dat is troost.
Troost die rijk maakt.
Troost die kracht geeft.
"Uwe vrucht is uit Mij gevonden ... "
En straks, op de dag van de wederkomst van onze Heer, zullen alle vruchten in het licht worden gesteld. En oot hen die het hier op aarde hebben verwacht van de Heiland, zal dán worden gezegd: "Ga in ... , in de eeuwige vreugde van Uw Heer."
We behoeven niet te geloven in herinneringen (Neeltje Min:
"wanneer het waar is dat ik heb geloofd, dan is het in herinneringen.").
We mogen geloven in terugzien èn vooruitzien.
In dat geloof mogen we staan bij de graven, die vandaag nog gevuld worden met dode mensen.
De dood heeft nog macht.
Mevrouw Bos is niet meer hier. Maar tot haar man wil ik zeggen: Eens kromt de nieuwe dag! Een dag vól van leven, zónder terugkerende pijn.
Laven we zó getroost zijn en verder blijven werken, zolang dezè oude dag duurt.
Het spreken over hen die in Christus zijn ontslapen is gelurk!kig meer dan een "in memoriam".