Zoek je geluk bij de Heer
2012-09-29
25 jaar geleden verscheen in Amerika het boek Desiring God van John Piper. Baanbrekend. Niet alleen omdat hij de plaats van het gebod in het christelijk geloof durft te relativeren, maar vooral omdat hij geluk centraal stelt. Voor ieder die Christus navolgt, schrijft Piper, is het gebod ten diepste een gebod om te genieten, want Christus wordt het meest verheerlijkt in ons als wij volkomen voldoening vinden in Hem. Dat laatste is zijn motto en de rode lijn in de rest van zijn boeken. Genieten van Gods goedheid. Daar gaat het om. - Jaargang 56
- nummer 19
Waarom heeft dit boek ‘de wereld van velen op de kop gezet’, zoals de achterflap vermeldt? Omdat Piper een verbinding legt die in de traditie van de christelijke kerk op zich niet nieuw is, maar toch iedere keer onder het stof dreigt te verdwijnen: dat de mens op aarde is om God te verheerlijken en voor altijd van Hem te genieten.
Deze openingszin van de Westminster Catechismus legt Piper zo uit dat het tweede de weg is naar het eerste: de mens is geschapen om God te verheerlijken door voor eeuwig van Hem te genieten. Dat is de kern van wat Piper christelijk hedonisme noemt.
Hedonisme is leven voor het geluk of verlangen om te genieten. Opvallend detail is de verwijzing aan het begin van Desiring God naar de Heidelbergse Catechismus: ‘Wat moet een mens weten om gelukkig te leven en te sterven?’
Diepe tonen
In navolging van Blaise Pascal is Piper er vast van overtuigd dat alle mensen verlangen naar geluk. Dat is geen zonde, maar het is eigen aan de menselijke natuur. In navolging van C.S. Lewis laat Piper zien hoe het komt dat begrippen als verlangen en vreugde, geluk en genot verdacht zijn geraakt. Hij wijst naar Immanuel Kant, die grote invloed heeft gehad op het christelijk geloof, met zijn stoïcijnse opvatting dat het goede niet gedaan moet worden vanwege de beloning die erop volgt, maar uit eerbied voor de plicht die een mens heeft.
Lewis gaat daar lijnrecht tegen in en Piper volgt hem daarin. Als je in de evangeliën kijkt naar de beloften van beloning en ziet hoe groot die beloningen zijn, dan lijkt het er sterk op dat de Heer onze verlangens niet te sterk vindt, maar te zwak. Wij zijn veel te gauw tevreden.
Dit grote verlangen naar geluk is een echo van het volmaakte geluk dat de mens ooit gekend heeft: leven in de nabijheid van God zelf. Alle hunkering en onmacht van een mens duiden erop dat een mens het ware geluk ooit gekend heeft. Het is dan ook zinloos om dit verlangen naar geluk te onderdrukken. Het moet weer gericht worden op God.
Het is Jonathan Edwards, de grote opwekkingsprediker uit de achttiende eeuw, van wie Piper geleerd heeft dat God niet alleen verheerlijkt wordt doordat mensen zijn volkomenheden in deze wereld en in hun leven zien, maar vooral doordat die volkomenheden blijdschap oproepen bij mensen. En daarmee is duidelijk dat Piper niet de mens en zijn geluk in het middelpunt heeft staan, maar God en zijn verheerlijking. De mens is op aarde om God te verheerlijken door voor altijd van Hem te genieten.
Daarin schuilt het geheim van liefde: niet omdat het moet, maar omdat je me geluk bezorgt, omdat ik zo blij met je ben.
Deze diepe tonen klinken voortdurend in de Psalmen. Direct in Psalm 1 al: ‘Gelukkig de mens.’ En steeds weer: ‘Proef, en geniet de goedheid van de Heer’ (Psalm 34:9). ‘Zij laven zich aan de overvloed van uw huis, u lest hun dorst met een stroom van vreugden’ (Psalm 36:9). ‘Zoek je geluk bij de Heer, Hij zal geven wat je hart verlangt’ (Psalm 37:4). ‘Naar u smacht mijn ziel, naar u hunkert mijn lichaam in een dor en dorstig land, zonder water’ (Psalm 63:2).
God is de hoogste vreugde, Hij geeft overvloedige vreugde in zijn nabijheid, voor altijd is er een lieflijke plek aan zijn zijde.
Het christelijk hedonisme is geen verafgoding van geluk en genot, zoals wel gesteld wordt. In feite dient ieder mens al een afgod, namelijk datgene waar hij of zij het meeste van geniet.
Het christelijk hedonisme betekent juist dat dit hoogste geluk gezocht wordt bij, of nog beter, gegeven wordt door God. Zo overwint Hij de zonde van de hebzucht, die niets anders is dan afgoderij. Niet de mens en zijn geluk staan in het middelpunt, maar God en zijn verheerlijking.
Oneindig gelukkig
Het werk van Piper heeft grote diepgang, doordat God er het middelpunt van is. Menselijk geluk is niet het doel, dat is de majesteit van God. Wie Hem eert om zijn glorie, vindt als mens geluk.
Vervolgens tekent Piper in de boeken De vreugde van Goden God is het goede nieuws dat geluk een belangrijk onderdeel is van Gods majesteit. Hij doet dat in navolging van Paulus, die het goede nieuws omschrijft als het evangelie over de majesteit van de gelukkige God (vergelijk 1 Timoteüs 1:11). Gods oneindige majesteit kan niet zonder oneindig geluk.
Ook hier is Jonathan Edwards degene die dat twee eeuwen eerder al verwoord heeft. In een boek over het doel waarvoor God de wereld geschapen heeft, laat hij zien dat Gods geluk betekent dat Hij Zich verheugt in Zichzelf en dat ook het schepsel in Hem zijn geluk vindt. Edwards laat zien dat God een God is met emoties, gevoelens, affecties. Piper vraagt dan ook in één van zijn preken: wie is het meest emotionele wezen in hemel en op aarde?
Met het oog op het eeuwige leven is dat een belangrijke vraag. Want hoe zou het zijn om op de nieuwe wereld te leven met een God die niet gelukkig is? Maar ook nu al dringt deze vraag zich op. Want hoe kan het Evangelie goed nieuws zijn als God geen God van vreugde is? In Johannes zegt Jezus meer dan eens tegen zijn leerlingen dat hun vreugde volmaakt zal zijn wanneer ze zijn vreugde ontvangen.
God is oneindig gelukkig, omdat Hij eeuwige vreugde vindt in zijn Zoon.
En de mens ontvangt dat geluk als hij deel krijgt aan die vreugde, door God te eren om zijn Zoon en door te genieten van de glans en de glorie van Christus.
Piper heeft er oog voor dat mensen vaak niet onder de indruk zijn van God en hun geluk niet of niet helemaal bij Hem zoeken. Hij weet dat je moet vechten voor vreugde. Het is ook niet vanzelfsprekend dat je geluk vindt in Gods geluk. Maar daar gaat aan vooraf dat Gods vreugde er wel degelijk is, van eeuwigheid in de gemeenschap van de drie-enige God, maar ook zichtbaar in de schepping, in de verkiezing, in menselijke gehoorzaamheid, in wereldwijde gerechtigheid en zelfs in het lijden van de Zoon.
Levenswerk
Behalve Verlangen naar God, De vreugde van Goden God is het goede nieuws heeft Piper nog zo’n vijftig andere boeken geschreven, waarvan er op dit moment dertien in het Nederlands vertaald zijn. Piper belicht een dimensie in de Schrift waarvoor te weinig aandacht is, namelijk de glorie van God. Tot voor kort werd die aangeduid met het woord heerlijkheid.
In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt een heel spectrum aan woorden gebruikt: luister, glorie, majesteit, nabijheid, grootheid. En zeker wanneer aan het eind van de Bijbel expliciet blijkt dat die majesteit ook als geluk te omschrijven is, ontstaat er voor veel mensen een beeld van de eeuwigheid en het leven in Gods nabijheid dat veel aantrekkelijker is dan ze vaak gehoord hebben.
Het is een verademing dat Piper zijn levenswerk heeft gemaakt van schrijven over genieten van Gods goedheid. Hier en daar laat hij ook zien dat gehoorzaamheid aan Gods geboden ten dienste staat van dat genieten.
Het gebod in de Bijbel is altijd bedoeld om mensen bij deze luister te bewaren, om ervoor te zorgen dat mensen het perspectief behouden op Gods majesteit. Wetten zijn wellicht adequaat om een land te besturen, maar de God van hemel en aarde zoekt verdwaalde mensen met de taal van de liefde, met het schenken van zijn grootheid en geluk. Hij belooft een leven in zijn nabijheid, en zijn geboden volgen daarop. Piper zegt terecht dat het gebod een gebod is om te genieten, om niet als slaven te dienen, maar om als kinderen ‘Abba, Vader’ te zeggen.
Ook neemt hij terecht waar dat een mens hoe dan ook naar geluk verlangt. Dat is in het eerste decennium van de 21e eeuw eens te meer relevant. Het heeft geen zin om te preken tegen genot, geluk, gevoel, verlangen en beleving, net zomin als het zin heeft om te zeggen: ‘Denk niet aan een paarse krokodil’. Het is de kunst om dat verlangen door de Geest te laten verplaatsen naar datgene wat werkelijk geluk betekent, naar Degene die het verlangen van mensen wil vervullen. Piper slaagt erin om niet alleen het denken en de wil aan te spreken, maar ook het gevoel. Daarbij kan hij putten uit een rijke Angelsaksische traditie, waarin gevoel en beleving een belangrijke plaats hebben en waarvan Jonathan Edwards de grootste vertegenwoordiger is.
Het is bemoedigend dat Piper Verlangen naar God afsluit met een hoofdstuk over lijden. Daarin blijkt dat Gods kinderen in het verleden hun lijden droegen in navolging van Christus. ‘Denkend aan de vreugde die voor Hem in het verschiet lag, liet Hij Zich niet afschrikken door de schande van het kruis’ (Hebreeën 12:2). Zo kon Paulus zeggen: ‘We hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles’ (2 Korintiërs 6:10). Zo konden zendelingen die onder de zwaarste omstandigheden werkten en de zwaarste verliezen leden, zeggen: het heeft me nooit een offer gekost.
Heerlijk is het om gelukkig te zijn.
De mens leeft voor geluk. De Amerikaanse predikant en auteur John Piper stelt dat ons verlangen naar geluk niet te sterk is, maar dat we veel te gauw tevreden zijn met dingen die in feite afgoden zijn. God wordt het meest verheerlijkt in ons als we volkomen voldoening vinden in Hem.
De boeken Verlangen naar God en De vreugde van God zijn deze zomer volledig herzien uitgegeven bij Wever Van Wijnen in Franeker.
René Barkema studeerde theologie aan de Theologische Universiteit Kampen en is als kerkelijk werker verbonden aan de GKv Barneveld/ Voorthuizen.