Groen van Prinsterer de man van de "Gereformeerde Gezindte" (2 - slot)

1976-05-21
  • Jaargang 20
  • nummer 21
• Groen's verdediging

In zijn volgens Gerretson "beroemde vlugschrift:": De Maatregelen tegen de Afscheidenen aan het Staatsregt getoetst velt Groen een vernietigend vonnis over de Koninklijke manipulaties met de Afgescheidenen. Dit pleidooi werd geboren uit een gloeiende verontwaardiging over de schanddaden die ten opzichte van de Afgescheidenen werden verricht.
Op iedere bladzijde ervan schittert Groens scherpzinnigheid en zijn klassieke taalbeheersing.
Groen wees er in zijn verdediging op dat het beroep op het strafwetboek van Napoleon, dat door een besluit van de Souvereine Vorst ook in het Koninkrijk der Nederlanden van kracht was gebleven, door en door vals was.
Want het ging in dit strafwetboek in het geheel niet over de kerkelijke godsdienstoefeningen.
Toch koos Groen bij zijn vernietigend requisitoir over de vervolgingen zijn uitgangspunt niet in het geldend strafrecht.
Neen hij plaatste zich op de vaste grondslag van het staatsrecht, de grondwet.
"De Afgescheidenen", zo betoogde hij, "zijn ingezetenen van Nederland" en daarom mogen zij volgens de grondwet niet, met voorbijgang van hun mede-ingezetenen, met "inlegeringen", met "inkwartiering" belast worden.
De Afgescheidenen zijn leden ener gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet stoort" en dus hebben zij recht op "vrije Godsdienstoefening" .
De a:figesdheidenen zijn "leden der Gereformeerde Gezindte; dus hebben zij, even als de leden van het Kerkgenootschap, recht op gelijke bescherming welke aan alle in het Rijk bestaande gezindheden toegekend is." 7)

• de Gereformeerde Gezindheid

In verband met het thema van dit artikel is vooral de laatste alinea van dit citaat van belang. Daarin wordt namelijk uitdrukkelijk gezegd dat de Afgescheidenen metterdaad leden van de "Gereformeerde Gezindheid" zijn, net zo goed als vele leden van het Ned. Herv. Kerkgenootschap.
Met alle klem betoogde Groen steeds, dat het met de Afgescheidenen zo staat.
"De Afgescheidenen vormen", zo verzekert hij, "geen nieuwe secte". Zij zijn leden van de Gereformeerde Gezindheid". Deze bewering behoeft volgens Groen geen enkel bewijs!
"Is het niet bekend en overbekend", Zo vraagt hij, "dat zij Gereformeerder zijn; Gereformeerden bij uitstek, en dat hierin juist de grond der Afscheiding ligt? Afvalligen wellicht van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de Gezindheid, van de kerk."
Wat een gezindheid kenmerkt dat is namelijk uitsluitend en alleen haar belijdenis, "de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof" van allen die daartoe behoren, daarvan lid zijn. Welnu de Afgescheidenen dachten er niet aan "de Hervormde belijdenis te laten varen". Het tegendeel is het geval: 'zij klemmen zich er veeleer aan vast'.
Maar niet alleen als het om het kenmerkende van de gezindheid, de belijdenis, gaat zijn de Afgescheidenen getrouwe leden van de bestaande hervormde of gereformeerde gezindheid of kerk - ze zijn dat evenzo als men let op de kerkordelijke situatie onder hen.
De "kerkelijke inrichting", zo schreef Groen, "is, in veler oog, een 'zaak van enigszins ondergeschikt belang". Maar als men daaraan groter waarde zou willen toekennen dan zou dat weer ten volle "in het voordeel der Afgescheidenen zijn". Want juist zij, en alléén zij, zijn het die "die Kerkorde ingevoerd hebben, welke met de Calvinistische denkwijs en met de gewoonte der Gereformeerde Kerken meer bijzonder overeenstemmend is."
Op welke grond kan men toch aan de Afgescheidenen de naam Gereformeerden ontzeggen?
Dat kunnen alleen die lieden doen - en tot hen behoren de gouvernementele en kerkelijke machthebbers - die "buiten het Hervormde Kerkgenootschap geen Hervormden, geen leden der Hervormde Kerk" kennen.
Maar wie gaf hun ter wereld het recht "om de vormen van een Kerkgenootschap tot kenmerk der Gezindheid te stellen?" Hoe zou "de aard en het wezen der zaak", namelijk dat het kenmerk van een gezindheid haar belijdenis is, en allen die daarmee instemmen tot de gezindheid behoren, door een "beschikking" waardoor een nieuw kerkgenootschap in het leven werd geroepen verandering kunnen ondergaan? "Hoe zou iemand die de belijdenis van de Hervormde Kerk hartelijk genegen is, die in nadruk Gereformeerdgezind is, van de Gereformeerde gezindheid uitgesloten zijn? Het deel nemen aan een Kerkgenootschap kan worden belet, maar nooit het behoren tot een gezindheid: dat is een zaak van het hart."
Nu eist men dat het in 1816 opgerichte kerkgenootschap "als eenzelvig met de Hervormde Kerk zal worden beschouwd", Die eis zou “…hoewel onbillijk, toch meer begrijpelijk zijn, indien het evenzeer als de Afgescheidenen, op het kenmerkende der gezindheid prijs had gesteld."
Maar daarvan is geen sprake!
Het is precies omgekeerd! "Het Kerkgenootschap is, wat geloofseenheid betreft facto (in feite) opgelost geworden; ten aanzien van inwendig beheer, heeft het de beginsels der Gereformeerde Kerk geheel ter zijde gelegd. Het Genootschap heeft zich, dunkt mij, facto (in feite) afgescheiden van de Gereformeerde Kerk; zij daarentegen die men Afgescheidenen noemt, hebben, dewijl zij deze feiten mijns inziens zeer ten onrechte) onherroepelijk achten, zich buiten het Genootschap begeven om te kunnen blijven in de Kerk."
"Waar het geloof is, dáár is de gezindheid. De Afgescheidenen zijn Gereformeerd." 8)

• samenvatting

Zo heeft Groen van Prinsterer in de aanvang van zijn publieke optreden over de "Gereformeerde Gezindte" gesproken. En zo heeft hij dat heel zijn leven lang talloze malen gedaan.
We kunnen zijn gedachten daaromtrent als volgt samenvatten:
1. De Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Gezindheid) ds een andere naam voor de Gereformeerde (Hervormde) Kerk. Beide woorden duiden dezelfde realiteiten aan.
2. Het "kenmerk", de "banier", het "verenigingspunt", de "hartetaal", de "zielsuitdrukking", het "Godverheerlijkend getuigenis" van de Kerk is de belijdenis, waarin zij haar geloof uitspreekt. De Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk) in Nederland doet dat in haar aloude belijdenisschriften. 9)
3. Leden van deze Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk) zijn allen die van harte met haar belijdenis instemmen. Dit zeggend denkt Groen er niet aan "een schrikwekkende rechtzinnigheidsvlag" te ontplooien "met het opschrift "geheel de Formulieren en niets dan de Formulieren".' Neen, het gaat hem om "het wezen en de hoofdzaak der belijdenis"
- deze woorden opgevat "in hun eenvoudige, billijke, kerkelijke zin"; 10) om een "onbekrompen doch tevens ondubbelzinnige" aanvaarding daarvan. 11)
4. De Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk) valt niet samen met het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap zoals dat in 1816 in het leven werd geroepen. Dit laatste is als geloofsgemeenschap de facto (in feite) ontbonden.
5. De Gereformeerde (Hervormde) Gezindte heeft haar leden binnen èn buiten dat Kerkgenootschap.
6. De Afgescheidenen behoren, omdat zij gereformeerden, ja, "gereformeerden bij uitstek"
zijn tot de Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk).
7. Ten gevolge van de onzalige "kerkgreep" van Koning Willem I in 1816 en van de daaruit voortvloeiende leervrijheid, met als haar gevolgkwaad de verbastering van de Evangelieverkondiging, is sinds 1834 de Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk) op fatale wijze gescheurd,
8. Groen's opvatting omtrent de Gereformeerde (Hervormde) Gezindte (Kerk) heeft hij o.a. in deze woorden samengevat: De Nederlandse Gereformeerde (Hervormde) Kerk is geen "instelling van mensen". Neen, "zij is een Kerk van CHRISTUS; de voortzetting en uitbreiding op Nederlandse bodem van de algemene Christelijke Kerk; zij is het, niet omdat zij de Formulieren aanneemt, maar omdat zij, op grond der Heilige Schrift, de waarheden aanneemt, waarvan zij, overeenkomstig de Formulieren, met de ingenomenheid der overtuiging en de blijmoedigheid der hoop, in leer en leven getuigenis geeft. De Formulieren zijn het bewijs en teken dat de Nederlandse Gereformeerde (Hervormde) Kerk een Christelijke Kerk is; dat zich ook in haar de Algemene Apostolische Kerk geopenbaard heeft.
Een recht- en plichtmatige waardering van de Formulieren is in nauw verband met het geloof aan een enige Katholieke Kerk en aan de wijze waarop deze, ter ere Gods te midden van alle dwalingen die haar bestreden hebben, als het licht midden in de duisternis kenbaar gemaakt is.
In de aaneenschakeling der Formulieren ligt, voorzeker niet het levensbeginsel, maar wel het levensverhaal en de Autobiografie van de Kerk." 12)

9) Adres aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk' Leiden, 1842; 2.
10) Aan de Hervormde Gemeente in Nederland, Leiden, 1843;45.
11) Adres aan de Algemeene Synode enz.; 19.
7) De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst, Leiden, 1837; 47.
8) Idem;; 60/61. Groen gebruikt het woord "gezindte"
of "gezindheid" voor allerlei kerkelijke gemeenschappen en ook 'Voor niet-kerkelijke groepen! Hij spreekt van "alle hooggeroemde en noodlottige verenging van alle Gezindheden, waardoor elk Christelijk en Protestants onderricht in de School! onmogelijk is" (Adres aan de Algemeen Synode.. 1842" 30) en die daarom "gewetenshalve onbruikbaar voor alle gezindheden"
is; (31) over "elke Christelijke gezindheid"; (32) over een school die "voor alle Gezindheden, Christelijke en niet-christelijke, gemeen" is. (33) . Hij spreekt ervan dat de theologische faculteit van de Hogescholen er bepaaldelijk is ten behoeve van de Ned. Herv. Kerk. "Zij is voor haar, wat de Seminariën voor de Roomsen, wat een Remonstrantse of Lutherse Kweekschool voor andere Gezindheden zijn." (Aan de Herv. Gemeente, 103). Hij betreurt het dat een aantal "Maatschappijen "niet op de enige en eeuwige rotssteen van het Evangelie, naar de gemeenschappelijke overtuiging van elke Christelijke Gezindheid, gebouwd zijn." (113) Groen spreekt over "de uiterlijke Kerkgemeenschap ener Protestantse Gezindheid"; (126) over het behoren tot "de Remonstrantse Gezindte" (136). Dit zijn slechts enkele van de uitspraken waarin het woord "gezindte'" of "gezindheid" voorkomt. Het prachtigste en voornaamste werk dat Groen over de Kerk schreef heet "Het Regt der Hervormde Gezindheid". Dit boek kan men als het kerkelijke aequivalent van Groens Ongeloof en Revolutie typeren.
12) Het Regt der Hervormde Gezindheid, Amsterdam, 1848; 45/6.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief