De "zalige ruil"

1976-05-28
  • Jaargang 20
  • nummer 22
C. VEENHOF

Wat de bijbel over ons mensen, zoals we sinds onze val in zonde geworden zijn, zegt is somber. Het is de waarheid en die is somber!
Het wordt ons daarin voorgehouden dat wij éénmaal "neen" tegen God hebben gezegd en dat van dag tot dag volhouden. Wij wildeneigen baas zijn, zèlf uitmaken wat we zullen doen en laten. Wij werden auto-noom: eigen-wettelijk, eigen-zinnig, eigen-machtig. Wij hebben ons ten opzichte van God geëmancipeerd.
Daardoor is er een breuk geslagen tussen God en ons. Paulus zegt onomwonden dat wij, wals we geboren worden, vijanden, agressieve vijanden, van God zijn en daarom leven onder de toorn van God. Wij staan moedwillig tegen Hem op, of, wat erger is we loochenen dat Hij bestaat, of, wat het allerergste is: we negeren Hem.
Omdat nu de band tussen God en ons werd doorgesneden, heerst in de wereld disharmonie. Want het goede, waarlijk gelukkige leven van de mensheid, van de enkeling en van de menselijke gemeenschappen, is ten volle afhankelijk van de harmonie tussen God en de mensen. Alle misère in de mensheid - wantrouwen, haat, vijandschap, onvrede en vooral ook de diepe, moordende angst, die speciaal in onze dagen in de mensheid leeft - vindt uiteindelijk haar oorzaak in onze opstand tegen God. De vijandschap tegen God is onze natuurlijke "way of life", onze natuurlijke wijze van leven. En omdat het tussen God en ons oorlog en geen vrede is, komt het ook tussen de mensen onderling nooit tot echte vrede, waar geluk, blijvend welzijn. De mensen hebben Gods Woord en getuigenis verlaten en daarom, zo predikt Jesaja, leven ze in een nacht zonder dageraad. Ze richten de blik naar boven, ze schouwen naar de aarde beneden, maar overall is benauwdheid en duisternis, beangstigende donkerheid, de mensen zijn verstoten in de duisternis.
En de disharmonie die ten gevolge van onze opstand tegen God optrad strekt zich uit tot àl het geschapene, Paulus verklaart dat heel de schepping aan de zinloosheid, de vruchteloosheid is onderworpen, dat ze verkeert in de slavernij der vergankelijkheid.

Te midden van en dwars door deze sombere klanken klinkt ons uit de Schrift evenwel ook een woord van grote blijdschap tegen. Paulus jubelt het ergens uit: wie "in Christus" is, d.w.z. wie in Jezus Christus gelooft, wie door het geloof met Christus verbonden, in Hem ingelijfd is, is een "nieuwe schepping". De mens-in-Christus behoort niet meer tot de wereld die onder de tyrannie van Satan, zonde, vloek en dood zucht maar is overgegaan in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.
Door die nieuwe schepping wordt zeer zeker de identiteit van de mens niet veranderd. Hij wordt niet "iemand anders". Maar hij wordt wel radikaal "anders". Hij wordt vàn een goddeloze een gerechtvaardigde, vàn een zondaar een heilige, vàn een ten dode gedoemde een voor het eeuwige leven bestemde, vàn een slaaf van de machten van deze wereld een vrij kind van God.
Deze nieuwe schepping, deze overgang van een in vijandschap met God, naar een in vrede met Hem levend mens is dn geen enkel opzicht uit de eigen wil, het eigen initiatief, de eigen daad van de mens te verklaren. De roep om in ware vrede met God te leven komt nooit en nergens in een mensenhart op! De nieuwe schepping, de herschepping van de mens is van het begin tot het eind alleen en uitsluitend Gods werk.
Wanneer men nu vraagt hoe God er roe kwam die nieuwe mens te scheppen, geeft de Schrift op die vraag een ondubbelzinnig antwoord.
Zij wijst met het oog daarop ononderbroken naar zijn liefde, zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid. Bewogen, gedreven door die liefde wilde God in de oorlog tussen Hem en de mensen - de oorlog die van ons uitgaat - niet berusten, Hij gunde de door Hem geschapen mens niet aan Satan en liet hem niet in de macht van zonde, schuld en verderf.
Hij bleef ook nadat de mensheid van Hem was afgevallen in liefde naar haar uitgaan. En Hij heeft alles gedaan om, in overeenstemming met zijn heiligheid, de wereld - de mensenwereldweer terug te brengen in de liefdegemeenschap met Hem, in het zonnelicht van zijn genade, waarin de mensen het eeuwige leven, de eeuwige vrede, kortom, de eeuwige zaligheid genieten.

Maar we horen in de Heilige Schrift niet alleen dat God bewogen door zijn barmhartigheid een nieuwe mens schept. We vernemen daarin ook op welke manier Hij de liefderelatie tot Zich en de mensen tot stand brengt, de liefderelatie die resulteert in de schepping van de nieuwe mens.
Ik wil om daarover is te zeggen nu speciaal wijzen op wat Paulus in zijn tweede brief aan de Korinthiërs daaromtrent schrijft. Hij accentueert daarin eerst dat die nieuwe schepping geheel en uitsluitend uit God is. Maar daarop laat hij onmiddellijk volgen dat God om die nieuwe schepping tot stand te brengen ons door - d.w.z.
door middel van - Christus met Zichzelf heeft verzoend.
Dat woord "verzoenen" is een prachtig, een tekenend woord, Je zou het zo kunnen omschrijven: het is het geven van een "prijs" om in ruil daarvoor iets anders te ontvangen. Paulus gebruikt dit woord b.v. als hij ervan spreekt dat de verwerping van Israël de "prijs" is die betaald werd om het hei:l aan de heidenen te laten toekomen.
Het woord duidt zo inderdaad aan het tot stand komen van een ruil.
Datzelfde woord hanteert Paulus nu ook om aan te geven, je zou kunnen zeggen: om uit te beelden, hoe Gold de liefdegemeenschap tussen Zich en ons door middel van Christus tot stand brengt. In zijn brief aan de Romeinen schrijft hij letterlijk: God betoont ons zijn liefde daardoor dat Christus voor ons, ten behoeve van ons, gestorven is, toen wij nog zondaren waren. En, met andere woorden, zegt hij onmiddellijk daarna precies datzelfde zo: God heeft ons, toen wij nog zijn vijanden waren, met Zich verzoend door de dood van zijn Zoon. De verwerping van Gods Zoon, onze Heer Jezus Christus, die voltooid werd op Golgotha, was de "prijs" die betaald moest worden om in ruil daarvoor ons kinderen van God te maken, ons te herscheppen rot nieuwe mensen.
Welnu, als Paulus aan de Korinthiërs schrijft, dat God ons door middel van zijn Zoon heeft verzoend, mogen wij dat zo lezen: God heeft ons voor zijn eigen Zoon, en dan speciaal voor Diens dood, Diens bloed geruild. "Door bemiddeling van" Christus, dat wil zeggen: voor de prijs van Christus, de prijs van zijn bloed, is het tussen God en ons in orde gekomen. Tussen ons oude leven van zonde, schuld en dood en ons nieuwe leven van vrijheid en vrede staat hoog opgericht het kruis van Christus. De weg van het éne, naar het andere loopt over Golgotha. En alleen over die heuvel.

Met deze boodschap van de verzoening, van de door God tot stand gebrachte ruil trok Paulus nu de wereld in. Hij zegt het nadrukkelijk dat hem de bediening, de prediking van de verzoening werd toevertrouwd, een prediking die hierin bestaat dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen.
ja, zo staat het er: God was de wereld met Zichzelf verzoenende.
Tussen God en de wereld is de staat van oorlog met God voorbij, voorgoed! Daartoe nam God zelf het
initiatief. In, door Christus is dat duistere, dreigende verleden van oorlog en gerucht verledenvoor God verleden - geworden.
Er is in en door Christus een nieuwe situatie, een situatie van vrede voor de wereld, voor de kosmos geschapen. En die nieuwe situatie kwam door verzoening, door ruil tot stand. Of de wereld deze nieuwe situatie erkent, of ze de boodschap daarvan gelooft dat is een andere zaak Dat blijft voor de verantwoordelijkheid van ieder aan wie deze boodschap wordt gebracht! Maar of het geloofd wordt of niet: de verzoening tussen God en de wereld do or Christus, door zijn kruis, zijn bloed, is een feit, een onaantastbaar feit.
Sinds Paulus dit alles schreef wordt de boodschap daarvan in heel de wereld uitgeroepen: God - zo moeten alle bedienaren, alle predikers van de verzoening, van de grote ruil, verkondigen - was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende. En door deze prediking maakt God die verzoening, die ruil, door alle eeuwen heen effectief in allen die geloven. Dat betekent dat God hun hun zonden niet meer toerekent, De rekening daarvan wordt aan ieder die de boodschap van de grote ruil gelooft nooit meer gepresenteerd.

Ik vermoed dat Paulus, toen hij zich zo intensief had verdiept in dat ondoorgrondelijke wonder van deze verzoening van God met de wereld, even het dicteren van zijn brief heeft gestaakt en dat hij in verwondering voor zich uit heeft gestaard, zich afvragend hoe dit alles mogelijk was, tastend naar het geheimenis daarvan.
En dan komt opeens regelrecht uit zijn hart wat de Geest hem daarover openbaarde en dat hij nu vertolkt met deze woorden: Want Hem, nl. Jezus Christus, die geen zonde gekend heeft, Hem die nooit zonde deed en innerlijk volkomen vreemd aan de ronde was en bleef, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods door Hem.
Die zin: "Christus werd door God tot zonde gemaakt" is zonder meer verbijsterend, Terecht is wel gezegd dat 'als die niet in de Heilige Schrift stond niemand zo ,iets zou durven zeggen, Maar het is daarin gezegd. En we moeten die woorden nu ook opvatten in hun volle realiteit en radicaliteit.
God heeft Jezus gemaakt tot wat hij nooit deed, nooit kende, nooit was, namelijk tot zonde! Christus wordt door God met de zonde van de mensen geïdentificeerd, In Gods oog wordt Jezus Christus de drager van de zonde der wereld, Als ik over dit woord nadenk, opent Zich voor mij altijd een soort visioen, Ik zie dan op een eindeloze vlakte samengestroomd alle mensen, de miljarden mensen die geleefd hebben, nog leven en later leven zullen, Dat is geen mensenzee, maar een mensenoceaan.
En die is nu de "wereld", de "mensenwereld"; In haar leeft en gist de éne grote zonde der wereld, op haar rust daarom de éne grote schuld der wereld en boven haar hangt nu dreigend de donkere wolk van Gods toorn en gericht, Maar zie, midden in die mensen-oceaan 'verrijst onze oudste Broeder, de Middelaar Gods en der mensen, de mens Jezus Christus.
En zie dan concentreert zich in Hem de zonde der wereld. Het is of Hij die in zich opneemt totdat Hij er van verzadigd is. Hij wordt zo “tot zonde gemaakt". Maar daardoor trekt Hij ook de schuld der wereld naar Zich toe! Die rust nu op Hem alléén. En dan ontlaadt zich op Hem ook - het gebeurde op Golgotha - de volle toorn van God. Hij staat daar in het gericht voor God tot die toorn op Hem is uitgewoed en Hij uitroept: Het is volbracht. Zo werd Jezus het Lam Gods dat de zonde der wereld droeg en ... wègdroeg, En nadat en doordat Jezus dat deed werden wij "in Hem" gerechtigheid Gods, schonk Hij ons gerechtigheid die voor God geldt.
Dat wil zeggen: wij werden door wat Jezus voor ons, in onze plaats, was, deed en droeg mensen die in Gods gericht worden vrijgesproken van zonde en schuld, volkomen "vrijspraak" ontvangen.
Alle aanklacht tegen ons wordt daardoor verstomd en wij mogen met Paulus zeggen: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen ons, die geloven in Jezus Christus. God is het die ons rechtvaardigt. Wie zal ons verdoemen?
Zie dit alles kwam tot stand door de grote dubbele ruil. God ruilde zijn Zoon in voor 'Ons zondaren, En Jezus Christus ruilde onze ronden voor de gerechtigheid die Hij voor ons verwierf.
Weinigen hebben deze wonderlijke "ruil" zo scherp gezien en zo prachtig omschreven als Luther.
Hij deed dat o.a. in een brief aan een monnik, die zich afbeulde om door "geestelijke oefeningen" en ,,goede werken" met God in het reine te komen, Deze tobber kreeg van Luther het volgende te horen: "Ik heb zelf ook aan die waan, ik mag wel zeggen: waanzin, geleden.
Ook nu heb ik die strijd nog niet uitgestreden. Daarom mijn lieve broeder, wend je tot Christus, de gekruisigde, Leer Hem liefhebben en, aan jezelf vertwijfelend, tot Hem zeggen: "Gij Here Jezus, zijt mijn rechtvaardigheid, ik ben uw zonde. Gij hebt het mijne als het uwe aangenomen en mij het uwe als het mijne gegeven. Gij hebt aangenomen dat wat Gij niet waart en mij gegeven wat ik niet was."
Dit is inderdaad het Evangelie van de "zalige ruil tussen de ziel en haar Bruidegom."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief