Over het voorportaal van de Kerk (1)

1976-05-28
  • Jaargang 20
  • nummer 22
Hebben onze Kerken nog voorportalen?
Ik herinner mij nog gloed me het kerkgebouw eruit zag waar ik als kandidaat voor het eerst preekte.
Het was in een klein stadje op de Zuid-Hollandse eilanden. Het moeilijkste van het kleine gebouwtje waarin de vrijgemaakte gemeente 's zondags samenkwamen was het ontbreken van een voorportaal: je stapte er van buiten af zomaar binnen en omdat de voordeur aan de vóórkant van de kerkruimte was èn bovendien de kerkeraadskamer ontbrak, keek je ineens wat verlegen in 't rond met de ogen van de gemeenteleden op je gericht, zonder de mogelijkheid even te acclimatiseren of je haren ongezien te kammen ...
Is het symbolisch voor onze kerken?
Ruimtelijk gezien is een kerkgebouw zonder voorportaal een uitzondering; maar geestelijk gezien niet. De reformatorische kerken zijn eeuwenlang niet sterk geweest in het bouwen van een voorhal vóór het heiligdom.

Theologisch vond dit zijn uitdrukking in de stelling: "de toegangsweg doet er niet toe" (methodus est arbitratia) 1). Het gaat er tenslotte om om zo snel mogelijk in het heiligdom zelf te komen. Desnoods moeten de haren dan maar ongekamd blijven ...

Intussen: de noodzaak om een goede inleiding te geven voor allen die zoeken naar de Waarheid in de richting van de bijbel, doet zich in onze tijd sterker gevoelen dan in de voorgaande eeuwen, Zó sterk dat soms heel de theologie wel lijkt veranderd in apologetiek. Bijv. het nieuwe boek van H. Berkhof: "Christelijk geloof" kan ook gelezen worden aas apologetiek.

In de middeleeuwen noemde men dit aspect van de theologie de preambula fidei. Aan deze uitdrukking heb ik de titel aan deze artikelen ontleend. "Preambula fidei" betekent namelijk de voorportalen van het geloof. De middeleeuwse kathedralen hadden in; drukwekkende voorportelen. Zij moesten dienen om de toevallig voorbijlopende voorbijganger naar binnen te lokken of om de geïnteresseerde bezoeker al vast voor te bereiden op de geheimen van het heiligdom. Aan déze voorportalen 1) H. Berkhof, Christelijk geloof, blz. 43, besteedde men veel aandacht en tijd. Deze voorportalen van de middeleeuwse kathedralen spreken ook een geheel eigen taal en geven in symbolische beelden aan welke toegangswegen de middeleeuwse kerk zag lopen wit de werkelijkheid waarin wij leven tot de God en Vader van Jezus Christus.
Daar wilde ik in de nu volgende artikelen over nadenken, Wie de studiegids van. l'Abri kent, weet dat het eerste thema dat daarin genoemd wordt, luidt: is het christelijk geloof waar? met als ondertitel: waarom ik geloof, wat ik geloof?
Voor niet-christenen is deze vraag bedoeld als een uitnodiging om te luisteren, voor christenen is ze bedoeld als een uitdaging. Staat er niet in de bijlbel dat ieder christen te amen tijde bereid moet zijn tot verantwoording van de hoop, die in ons is? (1 Petr. 3: 15) Als wij dat Bijbelwoord willen doen, dan is het onontwijkbaar om op de bovengenoemde vraag een antwoord te geven.

Het is mijn ervaring, dat de antwoorden die op bovengenoemde vraag gegeven worden op twee manieren kunnen ontsporen: er zijn er die de bovengenoemde vraag opvatten als een vraag om bewijs. Zij argumenteren en redeneren om hun geloof bewijskrachtig te maken: zoiets belangrijks als het geloven in God kan toch alleen waar zijn als het berust op gronden die voor iedereen evident zijn ... Het zijspoor waarop men hier geraken kan is: het geloof te rechtvaardigen (of soms zwakker: te verontschuldigen) voor het forum van de rede. Het is een typisch rationalistische gedachte, dat iets alleen waar is als het rust op gronden die voor iedereen evident zijn, Dat mag gelden voor de wiskunde, maar bij het recht, laat staan de kunst of de liefde gaat dit niet meer op. Omdat wij leven in een tijd, die beïnvloed is door het rationalisme moeten wij, op onze hoede zijn voor deze rationalistische els (zie: Rondom het Woord, juli 1970, V. Brümmer).
Het tegenovergestelde zijspoor is dat van de zeer persoonlijke getuigenissen.
Velen menen: hoe persoonlijker ik over mijn ervaringen in het geloof spreek, hoe meer moet het de ander overtuigen.
Dit laatste gaat in onze tijd ook niet op. Integendeel: het gevaar bestaat dat het aanhoren van persoonlijke getuigenissen de buitenstaander versterkt in zijn gevoelen dat Waarheid (met een grote W) niet te vinden is en dat als het om God gaat (of het "goddelijke") ieder toch maar moet drijven op zijn eigen hoogst subjectieve belevingswereld. K. Jaspers zei al dat je contact met het Transcendente uitsluitend ontvangt door middel van irrationele ervaringen. Geen Bijbels christen zou de moderne mens in dit; gevoelen willen versterken. Te vaak wordt vandaag gedacht dat de kern van alle religies de religieuze ervaring is, die in 't Boeddhisme met Boeddha, in 't Christendom met Christus en in India met Krishna wordt aangeduid. Een van mijn bezwaren tegen Taizé is, dat het vele jongeren in dit gevaar niet tegenspreekt, maar bevestigt.

Wie deze twee gevaren: de rationalistische uitdaging aan de ene kant en de moderne religiositeit aan de andere kant niet op tijd signaleert komt op een dood spoor in zijn gesprek met de buitenstaander.
Is er dan methodisch een veilige tussenweg aan te wijzen? Is het mogelijk een techniek te leren op dit punt? Neen. Ook dit behoort bij de vooropmerkingen als wij het gesprek met de buitenstaander verantwoord willen Vloeren: denk nooit dat u er ooit een methode voor kunt leren. Ieder mens, die u ontmoet is een andere en uniek. Het eerste en enige gebod dat wij hebben is: die ander als mens te respecteren en lief te hebben en niet: gij zult uw naaste be-evangeliseren (al kan het eerste het tweede soms insluiten.)

Deze stelregel heeft in l'Abri geleid tot een grote nadruk op wat Schaeffer noemt: "pre-evangelism", nl. wat-aan-evangelisatie-voorafgaat: het luisteren en begrijpen van wat de ander denlot, zegt en gelooft.
Ieder mens gelooft. Het is niet mogelijk te leven - en dus te handelen - zonder enig motief.
Wat zijn de vaak verborgen vooronderstellingen op grond waarvan de ander handelt en denkt en spreekt? Is het de verborgen vooronderstelling dat de wereld een produkt is van tijd en toeval?
Of dat God onpersoondijk is? In alle gevallen is het goed eerst te begrijpen, wat de ander bedoelt als hij uiterlijk gezien woorden gebruikt die aan de onze gelijk zijn (bijv. God) om dan op eerlijke wijze aan te duiden waar wijl, als wij in zijn schoenen stonden, grote problemen zouden zien zitten.
Voert iemand verder in de konsekwenties van zijn eigen denken --- of wijs er de lacunes van aan (vgl. De God, die leeft, hfst. 4). Het spreekt vanzelf dat hij het recht heeft om met ons hetzelfde te doen.

Na deze vooropmerkingen komen wij de volgende koor tot de eigenlijke zaak van het bouwen van de voorhal.

Litteratuur: F. A. Schaeffer: De God die lief heeft.
B. Pascal: "Gedachten".
H. Thielecke: "Als God nu eens bestond".
R. Schipper: Getuigen van Jezus Christus in het N.T.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief