Zingt een nieuw lied: God heeft ons wedergeboren (1)
1976-06-18
Als God zijn koninkrijk hier stichten komt, zijn heil en zijn gerechtigheid, dan - dat kan niet anders - wordt er ook een nieuw lied gezongen. Want Hij brengt wonderen, nieuwe wonderen, het laatste wonder, tot stand. Maar alle wonderen die God doet, ook het laatste wonder, ze liggen allemaal in het verlengde van het eerste wonder. Vandaar dat straks dan ook het lied klinkt van Mozes en van het Lam (Openb. 15 : 2-4).- Jaargang 20
- nummer 25
Het lied van het begin en van het einde, Het begon immers met het lied van Mozes (Ex. 15 : 1-21), het lied over dat onverwachte, dat onmogelijke, dat adembenemende dat God gedaan had, toen Israël klem zat tussen de zee en de achtervolgende farao, Ze zaten als ratten in de val. En hun laatste kans was verkeken.
Maar dan laat God zien dat het voor Hem nooit te laat is. Dat Hij verlossend heenbreekt door elke barrière. Dat zijn heil niet tegen te houden is. En dan beleven ze het: de zee, waarop ze doodliepen, wordt het pad van hun redding.
Zijzelf komen veilig aan de overkant en Farao met heel zijn stoet gaat onder in de vloed. Als Israël dat ziet, dan barst het uit in gejubel. Dan zingen ze het lied van Mozes: Ik wil de Here zingen want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiters stortte Hij in zee, Gij leidde in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt.
Met dit lied van Mozes begon het.
Maar het eindigt met het lied van het Lam. Het lied dat tin heel wat variaties voorkomt in het nieuwe testament.
Met één van de meest sprekende variaties opent Petrus zijn brief: Geloofd zijn de Gold en Vader van onzen Heer Jezus Christus die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop (1 Petr. 1 : 3).
Dat is dus hetzelfde thema, maar dan wel in een andere zetting.
Want Petrus spreekt niet over de doortocht door de Rode Zee, maar over dat ene, waardoor alles anders ,is geworden: Jezus is opgestaan.
Dáárdoor - zegt hij - is onze situatie radicaal omgeslagen.
Da t Jezus is opgestaan, dat is zo doorslaggevend, dat in de impasse waarin we gevangen zaten opeens weer een weg vooruit is opengebroken.
Een weg door de verminkingen heen, een weg door de dood heen. Een weg naar de overkant: het land van melk en honing. En nu is het nog wel donker, maar het is toch niet écht Jonker meer. We moeten de woestijn nog wel door. En er zijn dreigingen genoeg, net als tevoren.
Maar er is drastisch iets aan die dreigingen veranderd. We zullen nog wel verwond worden en dodelijk vermoeid. Maar hoe har en boos de tocht ook is die nog voor ons Egt, onze hoop kan er tegen en onze blijdschap kan er tegen.
Want wat eerst de weg naar een zekere ondergang scheen, is nu een weg, Gods weg, naar het leven geworden. Door die ene, die er door kwam: Jezus is opgestaan.
Dat is het lied van Mozes niet meer. Dat is het lied van het Lam.
Maar dat lied van het Lam ligt helemaal in het verlengde van Mozes' lied. Omdat in de opstanding van Christus de doortocht door de Rode Zee tot volheid is gebracht. Dat wat Gold begon toen Hij Israël uit Egypte haalde, dat heeft Hij afgemaakt, tot volheid gebracht in de opstanding van Jezus uit de dood.
Dat is een gedachte waarbij met name Israël steeds geleefd heeft: elk nieuw ingrijpen van God heeft het karakter van dat eerste ingrijpen dat aan het begin van Israëls bestaan stond: de doortocht door de Rode Zee. Bij elke nieuwe verlossingsdaad, bij verlossing van welke vijand dan ook maar, bij de terugkeer uit Babel, heeft Israël het telkens weer begrepen dat God het wonder van de doortocht herhaalde, ja, en tegelijk verder doorvoerde, uitdiepte, vervulde.
En ook telkens hebben ze beseft: hoe geweldig de verlossing ook is die we vandaag beleven, de uiteindelijke, de definitieve uittocht moet nog komen. Straks breekt het heil pas goed door, straks, als de Messias komt.
Wanneer de Messias dan eindelijk komt, las Jezus van Nazareth verschijnt, dan wordt in het nieuwe testament dat feit ook nadrukkelijk getekend als de vervulling van het begin: de verlossing uit Egypte.
Om een voorbeeld te noemen: als Maria en Jozef met het kind Jezus naar Egypte moeten vluchten om pas na de dood van Herodes weer terug te keren naar Israël, dan tekent Mattheüs daarbij aan: opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen Hij zei: Uit Egypte heb ik mijn Zoon geroepen.
Je zou natuurlijk kunnen zeggen: Egypte, dat is toevallig hetzelfde land, waaruit ook Israël verlost werd. Bovendien verkeert Jezus daar in totaal andere omstandigheden dan Israël. Hoe kan Mattheüs nu verband leggen tussen het een en het ander? Hoe kan hij uit een toevallige overeenkomst (hetzelfde land) concluderen tot de vervulling van een woord dat God gesproken heeft?
Maar vermoedelijk heeft Mattheüs heel goed beseft dat die overeenkomst op zichzelf geen aanleiding gaf tot zo'n zwaargeladen gevolgtrekking.
Dat woord "Egypte" is voor hem eigenlijk niet meer dan een trefwoord, dat opeens een rood lampje doet aanflitsen: Israël uit Egypte, Jezus uit Egypte,nu, laat dat verder maar voor wat het waard is, maar als Jezus naar Israël toekomt, dan beleeft dat volk dan toch maar een herhaling en tegelijk de vervulling van Gods verlossingsdaad in het begin. In Jezus breekt het heil van Go:d zich een baan, niet voorlopig maar definitief, niet betrekkelijk maar finaal, niet tot op zekere hoogte maar radicaal. Dat kon toch ook niet anders. God laat toch niet varen wat zijn hand eenmaal begon.
Is dat ook niet de achtergrond van wat Jezus tegen zijn discipelen zegt op de dag van zijn opstanding: wisten jullie niet dat dit moest gebeuren? Onverstandigen en tragen van hart om niet te geloven alles wat in de schriften op Mij betrekking had. En dan slaat Jezus de bijbel open en Hij begint bij Mozes om ze te laven zien dat dit begin van God wel uitlopen moest op deze vervulling, Dat het bij het Eed van Mozes niet kon blijven, omdat het moest eindigen met het lied van het Lam: Jezus is opgestaan.
Zo staat God aan 't begin en komt Hij tot het einde. Gods doorbraak in het begin wordt vervuld in 'het kruis en de opstanding van Jezus Christus.
Daarom is het ook zo vreemd nog niet dat in het oude formulier van de doop - het teken immers , van ónze dood en ónze opstanding (Rom. 6 : 4), van ónze wedergeboorte - die ene zin voorkomt: Gij, die de verstokte farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de doop beduid werd.