Bedreigd Verbondsbesef

1976-06-18
  • Jaargang 20
  • nummer 25
Het "eigene" ten koste van hetVerbond

In brede lagen van onze christelijke bevolkingsgroep beheersen Verbond en Kerkgemeenschap de gedachten niet meer. Daarbij zouden we gemakshalve naar buiten kunnen kijken. Naar allerlei opwekkingsbewegingen.
Maar dat zou noch erg naïef zijn. We leven tenslotte in een tijd waarin de kommunikatie en de onderlinge informatie een heel hoge graad van mogelijkheid en ook van werkelijkheid hebben bereikt. En het komt me voor, dat wij als "buitenverbanders" een verhoogde vatbaarheid hebben voor tal van "nieuwe" impulsen en gedachten.
Mogelijk is die vatbaarheid wel een onbewuste kompensatie voor onze uitgesproken weerzin negen de gedachtenpatronen die onze kerken in de afgelopen periode van strijd en van scheuring hebben beheerst! Er zijn er ongetwijfeld onder ons voor wie de Verbondsgedachte niets aan kracht of kleur heeft ingeboet. Maar dat is, dacht ik zo, niet algemeen meer.
Als je dat vanuit de mens bekijkt is het ook niet zo'n wonder!
Als ik in de kerk zit, samen met vele broeders en zusters, dan hoor ik de verkondiging die tot àllen gericht wordt. Ik ben er zèlf bij, maar ... "o.a." Als er een kindje gedoopt wordt, dan ontvangt het de doop als kind van gelovige ouders. En verder ontvangt het die doop ook sámen met alle andere kinderen van de gemeente.
Steeds de vertikale historie-lijn: het gelovige voorgeslacht. En daarbij de horizontale lijn van de gemeenschap hier en nu: mijn plaats in de "kring" van vele broeders en zusters. Het typisch persoonlijke, het "eigene", ontvangt daarbij weinig klemtoon!
Velen zijn dan ook tegenwoordig weer op weg van de gemeenschap àf, van het Verbond wèg! En men is op weg náár de toespitsing op het persoonlijke, het eigene, het individuele, Een kind van God, dat in een bijeenkomst of voor de T.V. getuigt hoe Jezus in zijn of haar hart en leven is binnengekomen, krijgt meer aandacht en belangstelling dan de doop van een kindje waarbij immers maar zo weinig "nieuws" en nog minder "persoonlijks" naar voren komt.
Het boeiende van de geloofsgetuige is in deze gedachtengang dan ook juist dat hij daar zo helemaal "zonder vader en zonder moeder enzonder geslachtsregister" staat.
Hij is zo helemaal persoonlijk "hij". Zij is in al haar eigenheid "zij". En dan wordt de tegenstelling die men al lang aan het maken was soms uiterst ruw uitgebouwd.
Kerkdienst en doop - het is noch eigenlijk maar "konfektie", een massaliteitsprodukt, Terwijl we in dat persoonlijke getuigenis te doen hebben met "kleding naar maat", met een heel speciale "toewending" van Gods genade!
Men moet mij goed verstaan. Het is geenszins mijn bedoeling kwade woorden, te spreken over het "eigene", over de persoonlijke beleving, over de "genadetoewending" tot een ieder van de kinderen Gods.
Neen, het bezwaar zit in het "ten koste van ... ", in het akelige feit dat zovelen menen het persoonlijke tegen het algemene, het individu tegen het Verbond te moeten uitspelen! Dat kan niet en dat mag niet.
Maar ... het gebeurt! De "trek" is tegenwoordig sterk van het gemeenschappelijke van Kerk en Verbond àf. En naar het bizondere en persoonlijke toe.

Het "eigene" ten dienste van het Verbond

Het is gezond onze aandacht eens even te richten op een gesohiedenis die de omgekeerde "trek" vertoont.
Van het unieke en bizondere naar het algemene, van de persoonlijke toespitsing naar het gemeenschappelijke, van de enkeling naar de kerk. Ik bedoel de geschiedenis van Cornelius in Handelingen 10.
Aan Cornelius verschijnt een engel Gods (3). Het unieke van deze "toewending" blijkt al aanstonds uit de vrees die over Cornelius komt. Maar dan doet het merkwaardige feit zich voor, dat de boodschap van de gezant van God neerkomt op het simpele bevel Simon Petrus uit te nodigen!
God bewandelt een merkwaardige omweg!
De engel is uniek, uitzonderlijk.
Maar de apostel Petrus betekent op alle manieren een "brug": Een brug naar de Pinksterdag, waarop dezelfde Petrus immers de Christus verkondigde; een brug naar de gemeente van Jeruzalem, die immers verrees op hetzèlfde fundament; een brug naar het fundament van apostelen en profeten en naar de gemeente die op deze "petra" wordt gebouwd (Matth. 16 : 18). Het unieke en speciale dient de gemeenschap. De persoonlijke toewending van Gods genade baant de weg naar de plaats onder de véle broeders en zusters. De engel alléén zou Cornelius tot een éénzame christen gemaakt hebben.
Wie zou het geloofd en erkend hebben! Maar ... God stuurde Petrus met de bekende verkondiging die alle "kerkgangers" verbindt!
Er is nog een opmerkelijk feit te noemen. En een orde die tegen elke gebruikelijke schematiek ingaat.
Eerst "valt" de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden (44).
Dat is een duidelijk zichtbaar gebeuren.
Ook een hóórbaar gebeuren. Te vergelijken met de feiten van de Pinksterdag (Zie 11 : 15).
Daarna en daaruit konkludeert de apostel, dat het water van de doop door niemand geweerd kan worden.
En dan vindt de doop ook plaats. Het "vallen'" van de Geest op hen - schokkend, heel bizonder - ... het leidt tot de bediening van de doop waarmee alle christenen gedoopt worden! De komst van de Geest heft Cornelius dus niet boven "de massa" uit. Ze dient juist om hem in de kerkgemeenschap in te voegen - "evenals wij ... " (47). En dat vindt dan zijn beslag in de doop waarin de genadige losmaking van het heidense verleden en de inlijving in de gemeente van Christus aan de dag treedt. De doop - het sacrament dat we zo goed kennen!

Geen valse tegenstellingen !

Het unieke, het persoonlijk toegespitste, het bizondere... terwille van het Verbond en de Kerkgemeenschap.
De komst van de engel terwille van de preek van Petrus. Het "vamen" van de Geest op hen terwille van de doop. Natuurlijk, we moeten Handelingen 10 niet gaan omvormen tot een traktaat over het "probleem" van de verhouding tussen enkeling en gemeenschap. Maar het kan ons goed helpen om valse tegenstellingen te overwinnen!
Verbond en kerkgemeenschap ze mogen leiden tót allerlei wondervolle verbizonderingen en persoonlijke toespitsingen - denkt u maar aan de "gaven" zoals die in 1 Kor. 12: 12 evv. behandeld worden. Dat is de éne kant. Maar we moeten ook de àndere kant bedenken. Dat past ons als christenen-uit-de-heidenen, als "verwanten" van Cornelius, bizonder!
Kerkgemeenschap en Verbond, onze plááts daarin - ze berusten ook weer op het wondervolle unieke ingrijpen van God, op de persoonlijke toespitsing. Het éne leidde rot het andere, het andere tot het één.
Men mag dus nooit spreken van "konfektie" tegenover "kleding naar maat". Men mag niet denken dat men van het "lágere" van de doop opstijgt naar het "hogere" van het persoonlijke getuigenis. In Handelingen 10 wordt die "orde" van ons heilzaam door elkaar gerammeld en als onze orde (= wanorde) aan de kaak gesteld, Wij mogen het gemeenschappelijke en het uniek-persoonlijke niet tegen elkaar uitspelen. Verbond en kerkgemeenschap - ze staan als je het evenwichtig bekijkt in het midden, En daar moeten we ze ook maar láten staan - in het midden! Dat wil zeggen: We moeten ervan uitgaan in al ons werk.
En we moeten er ook altijd weer naar terugkeren. En nooit de hoogmoed in ons hart toelaten, dat we "het lagere" ontgroeid zijn. Wie de geméénschap niet erkent zal zichzèlf nooit kennen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief