JEREMIA

1976-06-18
  • Jaargang 20
  • nummer 25
Schuld belijden

En dan ziet de HERE het al gebeuren.
Daar komt Israël en het belijdt schuld voor Hem. Het erkent dat er alleen maar heil en waarachtig leven is in Jahweh en in zijn gemeenschap. U moet de verzen 22-25 maar eens vergelijken met wat de verloren zoon bij zichzelf overweegt als hij bij de varkens zit. Daar vindt u dezelfde elementen. Ook hierbij moeten we weer op een paar punten letten. In de eerste plaats: de afgoden zijn bedrog.
Ze zijn ontstellend veeleisend. Ze vragen ontzaglijk zware offers. En ze geven er niets wezenlijks voor in de plaats. Ze ruïneren je leven (vs 23 en 24).
Dat is waar. Dat kun je b.v. zien als de Mammon je afgod is. Die laat je draven! Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Onafgebroken.
Je hebt nergens anders meer tijd voor. En als je eindelijk denkt: nu is het genoeg!, wat heb je dan bereikt? Heb je het ge/luk kunnen kopen met je geld of vrede en innerlijke rust? Neen. Je bent door al dat draven alleen maar vervreemd van de mensen, zelfs van de mensen vlak om je heen, je vrouw, je man, je kinderen en ook van God. Afgoden ruïneren je leven. In de tweede plaats blijkt hier waarin de zonde van het volk in wezen bestaat: in het niet luisteren naar de stem van Jahweh, onze God (vs 25).
Dat is altijd weer de kern. Zonde is: wat Hij zegt naast je neer leggen.
Dat wordt maar zelden onverbloemd toegegeven. Meestal wikkelen we prachtige argumenten om die weigering naar God te luisteren heen. Zo proberen we de kern te verdoezelen en onzichtbaar te maken.
Maar als we tot de HERE teruggaan, erkennen we tegenover Hem dat daar de kern lag. We hebben niet geluisterd naar uw stem. Dat was onze zonde.

God is liefde

Nadat de HERE als het ware zo hardop heeft zitten dromen, keert Hij in 4 : 1 weer naar de werkelijkheid terug. En Hij zegt tot Israël: Kijk, zo kan het nu weer worden. Zo goed. jullie leven kan weer volledig genezen worden in de gemeenschap met Mij. Bekeert u daarom.
Breekt met de gruwelen en de zonden. Dan ligt de weg naar Mij weer open. Dan geef Ik levensherstel: een leven in waarheid en recht en gerechtigheid. En dat is een belofte die niet alleen tot Israël uitgaat, maar ook tot de andere volken (vs 2).
Het komt aan op een omkeer naar Jahweh, op een besnijdenis van het hart (vs 4). Israël was een heidens volk.
Al die israëlitische mannen die op de heuvels van Juda de afgoden vereerden, waren besneden. Die besnijdenis maakte hen herkenbaar als kinderen van Gods verbond, die bestemd waren voor de gemeenschap met Hem.
Maar die uiterlijke besnijdenis was niet voldoende (vgl . Rom. 2 : 28, 29). Wie besneden is, maar niet luistert naar Gods stem, wordt door zijn besnijdenis niet beschermd tegen het oordeel. Daarom moet er de besnijdenis van het hart bijkomen, waardoor de stem van God, zijn Woord en Geest, in die directiekamer van ons leven de toon gaan aangeven.
Dat geldt ook voor ons. Wij mogen behoren tot de volken die elkaar in Jahweh de zegen mogen toebidden en zich in Hem mogen beroemen (vs 2). Daarom zijn we gedoopt.
Maar als we als gedoopte kinderen van God niet luisteren naar zijn stem, zal de doop ons niet beschermen regen Gods oordeel.
Ook ons hart zal gedoopt moeren zijn, zodat Gods Woord en Geest ons levenscentrum en daarmee ons hele leven echt beheersen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief