De Mens en zijn Masker
1976-06-18
De dichter P. C. Boutens, die leefde van 1870 tot 1943, was, zo beweerde één van zijn vrienden, een excentriek mens.- Jaargang 20
- nummer 25
Ik geloof dat direkt. Juist iemand die anders is dan anderen stoot vaak zijn neus. En daarover gaat het gedicht van hem dat ik deze keer graag wil bespreken.
Ik was een kind zo rijk aan vreugd,
Totdat mijn hart het niet meer droeg;
Toen trok ik onder 't volk en vroeg:
Wie deelt mijn overvloed van jeugd?
Ik heb voor allen vreugd genoeg! ...
Ik vond niet één tot vreugd bereid:
Zij staarden in afwezigheid,
Of aan een ver en somber ding
Hun aller aandacht hing.
Ik werd een kind zo rijk aan smart,
Totdat mijn hart het niet meer droeg;
Toen trok ik onder 't volk en vroeg:
Wie deelt den kommer van mijn hart?
Ik heb voor allen smart genoeg!
Daar was niet één rot smart bereid:
Zij staarden in afwezigheid,
Of aan een ver en heuchlijk ding
Hun aller aandacht hing.
Toen voelde ik op mijn aangezicht,
Door een gestage hand gebreid,
Het deksel der afwezigheid,
Een weefsel ondoordringbaar dicht
En zonder stoffelijk gewicht ...
Nu naar het masker lacht of schreit,
Vind ik bij elk gereed bescheid,
Of aan zijn minste wisseling
Het heil der wereld hing.
Zoo achter mom dat lacht of schreit,
Woont nu mijn blij en droeve kind:
Het weinig dat hij diepst bemint,
Bemint hij heimelijk weggeleid
In ongemoeide veiligheid.
En nimmer draagt hij aan den dag
Zijn laten traan, zijn laten lach:
Den glimlach waartoe smart hem bijt,
De tranen door geluk geschreid.
Om dit gedicht goed te begrijpen moet u die woorden: "Ik was een kind" niet los maken van: "zoo rijk aan vreugd", want dan verliest het "WereIdsch liedje" zijn verrassende diepte.
De dichter heeft toen hij volwassen werd, bemerkt dat een mens met z'n spontane vreugd en z'n onstuimige verdriet, bijna nergens terecht kan. Hij was, om iets te noemen, gegrepen door de woordkeus. Zijn hart was er vol van. En ja, waar het hart van vol is, nietwaar, daar loopt de mond van over.
Dus reciteerde hij graag gedichten die hem niet los lieten. (Overigens nooit zijn eigen verzen.) Maar wat ontdekte hij? Er was bijna niemand die door zijn vreugde werd aangestoken. Ze keken wat voor zich uit. Een beetje pijnlijk soms.
Echte aandacht hadden ze niet.
En de dichter zag dat. En het deed hem pijn.
Ook als hij verdrietig was en dat wat kinderlijk uitte bemerkte hij dat er in feite niemand was die daarvoor oprechte belangstelling had. Natuurlijk, zo'n man of vrouw deed wel net of hij, of zij, luisterde, je hebt tenslotte je fatsoen, maar er kwam geen traan in het oog. Nee, misschien zelfs een twinkeling om dat kinderlijke gedoe van die grote kerel.
Ja, dat is de pijnlijke leerschool waar bijna elk mens doorheen moet.
Je kunt eenvoudig niet met je gevoelens te koop lopen. De ander luistert wel even, natuurlijk, maar is al heel gauw weer bezig met heel andere dingen. Met zijn eigen zaken.
Wie heeft dat nooit beleefd? Zeker de kinderlijke enthousiaste mens ondervindt dit.
En dan? Nu, de dichter werd geslotener. Hij bemerkte dat hij, net als de anderen, een masker ging dragen.
Hij beschrijft dat prachtig. Hij voelde op zijn gezicht, door een goed doorwerkende hand gebreid, het deksel der afwezigheid. Dat weefsel was zo dicht, daar keek niemand doorheen.
En kijk, dat masker kon lachen en schreien als dat nodig was. Nodig, om mee te doen met de anderen.
En eerst toen werd hij opgenomen in de kring en viel hij in de smaak. Maar het kind in hem, kwam nooit meer naar buiten. Dat, wat hij echt liefhad, waar hij echt van ondersteboven was, bleef veilig verborgen. De traan die hij schreide van geluk en de pijnlijke glimlach om stil verdriet werden door niemand gezien.
Kijk, dat is nu in vier verzen een tekening van het leven, zoals alleen een heel groot dichter kan voortbrengen.
U moet het nogmaals lezen. Dan ziet u ze in gedachten, die mensen die helemaal gek zijn van een bepaald iets. Van kleuren of klanken; van vrouw en kind, van werk of hobby, van, nou ja, noem maar op, en die hun overlopend hart moeten legen in woorden. Zij vinden geen gehoor, zelfs niet als ze vol zijn van het evangelie.
Ook, en dat is het ergste, ook onder ons vaak niet. Dat kinderlijke enthousiasme, nee dat ligt ons niet. Dat hindert ons.
Als je deze dingen bedenkt dan bemerk je hoe groot dit gedicht is.
Het tekent één van de ergste gevolgen van onze val, te weten de eigenliefde die de liefde voor de ander verdringt. En dat geldt voor elk mens.
Want ook hij die de dichter kan naspreken moet toegeven dat hijzelf ook faalt in z'n oprechte belangstelling voor de ander.
Daar is hij mens voor.
De Enige die het masker niet aanvaardde, maar eerlijk bleef en oprecht weende en lachte, en helemaal luisterde, en de volwassenen opwekte om kind te blijven, die kwam aan het kruis.