Doe al je werk in Jezus’ naam
2012-10-13
Klassiek is de uitspraak van Abraham Kuyper waarmee hij het gereformeerde volksdeel bewust maakte van hun verantwoordelijkheid voor het hele leven: ‘Er is geen duimbreed in het leven waarvan Christus niet zegt: mijn!’ Die gedachte heeft ook alles te maken met ons dagelijks werk. Zoals Paulus tegen de Kolossenzen zegt: doe al je werk in Jezus’ naam. Al je werk. - Jaargang 56
- nummer 20
Een eigentijdse uitwerking van de uitspraak van Kuyper vinden we bij ds. Tim Keller en zijn Center for Faith and Work, waarin christenen worden getraind om vanuit hun geloof te leven in hun werk en publieke functies. En kernachtig werd het al door de apostel Paulus verwoord in Kolossenzen 3:17: ‘En alles wat u doet met woorden of met daden, doe dat alles in de naam van de Here Jezus, terwijl u God en de Vader dankt door Hem.’ Ten eerste valt mij op dat het onderwijs over de eredienst naadloos overgaat in het leven van alle dag. Het Evangelie dat wij ontvangen en vieren in de eredienst is bedoeld om in het hele leven geleefd te worden. Daar is het Evangelie ook op gericht en daar laat de kerkdienst dan ook op voorbereiden.
Omgekeerd mag dat hele leven dan ook weer in die dienst onder het Evangelie gebracht worden, als een dankoffer. Onze godsdienst vertoont zo het beeld van een ellips met twee brandpunten: ‘s zondags in de kerk zijn we even godsdienstig bezig als doordeweeks op de werkvloer (of niet natuurlijk). Bedden opmaken is even godsdienstig als naar de kerk gaan.
Paulus maakt dit duidelijk door met een herhaald ‘alles’ al onze woorden en al ons werk te verbinden aan de naam van de Here Jezus. Echt zo’n tekst die even moet doordringen. Al wat ik zeg en doe, wordt nauw aan God verbonden.
Dat vraagt om bewustwording en oefening. Want hoe groot is de kloof, zowel in mijzelf als in mijn omgeving, tussen het alledaagse en God?
Niet tevergeefs
Wat betekent dat concreet: je arbeid verrichten ‘in de naam van de Here Jezus’?
In de eerste plaats duidt de uitdrukking ‘in de naam van’ op innige verbondenheid.
De naam van de Heer is zijn nabijheid.
Hij is erbij, hoogstpersoonlijk, met zijn bescherming en zijn kracht, zijn leiding en zijn inspiratie. De klassieke start van de gereformeerde kerkdienst is evenzeer ook de start van je werkdag: ‘onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’.
Je ziet het wel eens bij publieke werken of een justitieel onderzoek, zo’n tent die over de werkzaamheden wordt geplaatst. Dat is een beeld om vast te houden: je doet je werk onder de beschermende tent van Gods grote en nabije naam.
In de tweede plaats wijst ‘in de naam van’ ook op de Heer als onze opdrachtgever. Hij is onze hoogste werkgever.
De opdracht van het begin om te bouwen en te bewaren heeft de Here nooit ingetrokken. Hoezeer door de zondeval ons werk ook onder de vloek is terechtgekomen, de opdracht om in deze wereld iets moois en goeds te verrichten blijft. Expliciet in de naam van Jezus, want zijn naam garandeert dat de vloek niet het laatste woord zal hebben. ‘Niet tevergeefs’: dat woord uit het opstandingshoofdstuk van 1 Korintiërs 15 roemt tegen alle blijken van de vloek.
In de derde plaats betekent ‘in de naam van’ dat wij Hem in ons werk mogen vertegenwoordigen. Ons dagelijks werk is van hoge komaf. God heeft Zich aan ons bekendgemaakt als een God die zelf arbeid verricht. En de mens als zijn beelddrager mag menselijk voortzetten wat de Here goddelijk begon. Wij zijn dus niet alleen werknemer in Gods wereld, maar ook compagnon. Dat verklaart waarom de Bijbel in tegenstelling tot andere culturen en godsdiensten positief spreekt over werk, ook en juist over handarbeid.
Wie werk van zijn werk maakt, verkeert in het hoge gezelschap van de heilige God.
Dit vraagt om voortdurende reflectie.
Kan ik met dit werk, deze transactie mijn Heer vertegenwoordigen? Met als dubbelcheck: kan ik dit werk aan God als een dankoffer opdragen? Mooi zoals Paulus ons hier naar de Heer zelf toedringt. Hij komt niet met regels, maar met de kern: kunt u met uw werk de Heer naar eer en geweten vertegenwoordigen? Dan moet je Hem wel kennen! Zo komt de eredienst weer in beeld, dat andere brandpunt. Wat stimulerend: met mijn werk mag ik iets van de Heer laten zien. Niet omdat de godsdienstigheid er afdruipt, maar omdat het eerlijk werk is. Werken is goddelijk.
Vloek
In de vierde plaats betekent ‘in de naam van’ dat wij in ons werk een beroep mogen doen op de genade van de Heer. Die hebben we juist in ons dagelijks werk nodig. Vanwege de fouten die we maken en vanwege het deel uitmaken van een zondig bestel waar je soms onvermijdelijk vuile handen maakt. Dan heb je de genade nodig om integer christen te blijven. De genade van de verzoening en tegelijk de genade om de grens te kunnen trekken. Waar ligt de grens als het zwarte circuit in jouw werk is geïntegreerd, als je werkt in de zorg of het openbaar bestuur? Hoe combineer je trouw aan mensen met je toewijding aan de Heer? Hoe ben je een Obadja die als dienstknecht van de Heer loyaal zijn koning Achab dient (1 Koningen 18)? Daarvoor moeten we een beroep doen op de genade. Niet alleen voor de dilemma’s trouwens, maar ook voor de noodzakelijke competenties. Zo gaf de Geest ooit aan Besaliël en Oholiab vakmanschapven kunstzinnigheid (Exodus 31) en vertelt Jesaja 28 dat de agrariër zijn vakbekwaamheid van God zelf heeft gekregen. De Heer is wonderbaar van raad en groot van beleid, óók voor onze huis-, tuin- en keukenzaken. Bidden om je werk beter te mogen doen, is daarom meer dan zinvol.
Het meest behoeven wij zijn genade als we in ons werk oplopen tegen de vloek: mislukking, ontslag, ziekte. Paulus noemt in Kolossenzen 3 een categorie werkenden die bij uitstek opliepen tegen de vloek over het werk: de slaven.
Uitgerekend hen roept hij op hun slavenwerk in de naam van de Heer te doen, en daarom ondanks alles van harte. Voor Hem die zelf slavenwerk verricht heeft op Golgota, onder de vloek bloed zwetend. Want juist door dit slavenwerk heeft Jezus de schepping van de vloek verlost. Juist de slaven mogen daarom weten: ons werk mag werk in de Here zijn. En daarom – hoe vies en min ook, in een onchristelijke structuur en voor een goddeloze baas – werk voor God en zijn Rijk.
Mogen langdurig werklozen en afgekeurden zich hier niet bij uitstek sterk door weten, net als ieder ander die zucht onder de vloek over het werk?
Zoals de arbeidsongeschikte Leen van Dijk – elders in dit blad geïnterviewd – het opmerkt: ‘Ik zie mijn uitkering niet als een gunst, maar als beloning voor het werk dat ik doe: mijn ziekte en pijn meer dan acht uur per dag dragen in dienst aan God.’
Het is een feit dat de christen-slaven bij uitstek hebben bijgedragen aan de doorwerking van Gods Rijk in deze wereld. En óf de Heer hun slavenwerk heeft gebruikt!
Wat voor de wereld veracht was, heeft God uitverkoren om wat aanzienlijk is te beschamen. Een bemoediging om al ons werk te doen in de naam van de Here Jezus, in de verwachting dat Hij er wat mee kan voor zijn eeuwig Koninkrijk. Nu en straks.
Ds. Ton Vos is predikant van de NGK Assen en lid van de redactie van Opbouw.