JEREMIA
1978-06-30
Geroosterd- Jaargang 22
- nummer 26
Daar kwam voor de ballingen in Babel nog iets bij. Hun verblijf daar was het oordeel van de HERE over hun afval van Hem. Jeremia snijdt dat punt in zijn brief ook nadrukkelijk aan: IK heb u in ballingschap doen wegvoeren (vs. 7). IK heb u verstoten (vs. 14). IK heb u naar Babel weggezonden (vs. 20). En dat verblijf daar zal zeventig jaar duren. Dat is de termijn die ervoor bepaald is. Daarom heeft het geen zin het bouwen van huizen en het planten van wijngaarden en het sluiten van huwelijken uit te stellen. Daarom is het ook zinloos verzet te prediken, zoals Achab en Zedekia deden. In naam van Jahweh stookten zij het vuur van het verzet en van de opstand op. Ze waren de predikers van de toenmalige theologie van de revolutie. In onze tijd gelden zulke figuren als grote, lichtende voorbeelden voor wie je diep respect moet hebben. Zij laten zich immers niet voor het karretje spannen van de grootmachten en van de dictators.
Ze durven tegen hen in verzet te komen en op te roepen tot weerbaarheid.
En van bidden voor de vrede van Babel is bij hen geen spoor te bekennen. Precies zoals er ook bij de hedendaagse predikers van de revolutie geen sprake is van gebed voor dictators. Integendeel. Je hoort bij hen alleen maar rauwe kreten als: dood aan de dictator en aan de onderdrukkers!
Zo baden Achab en Zedekia ook niet voor de vrede van Babel. Ze vervloekten het alleen maar.
En wat voor zin had het? Wat schoten ze er mee op? Helemaal niets.
Want de ballingschap zou zeventig jaar duren. Zo had Jahweh het bepaald.
Wat ze deden, was vechten tegen de bierkaai. Het benadeelde alleen zichzelf. Want Nebukadnezars geheime agenten kwamen hen op het spoor. Achab en Zedekia zouden gevangen genomen worden en op een gruwelijke wijze publiek ter dood gebracht worden. Zo doen dictators dat met revolutionaire elementen. Hoe meer men zich tegen hen verzet en hoe meer men tegenspartelt, des te zwaarder wordt hun juk en des te strakker worden de banden der verdrukking aangehaald.
Verdiende loon
Toch had het zo anders kunnen zijn.
Bidt voor Babel, zegt de HERE.
Zoekt de vrede voor Babel. Want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn.
Waar gebeden wordt voor Babel, daar kan men een stil en gerust leven leiden.
Maar waar men weigert te bidden en in plaats daarvan de revolutie predikt, verdwijnt de rust. Daar komen harde represailles, vallen doden en wordt het leven verscheurd.
En wat in de ogen der mensen een lichtend martelaarschap is, is in Gods ogen een straf, een oordeel. Van Achabs en Zedekia's marteldood zegt de HERE niet: die moeten jullie in ere houden. Neen, Hij zegt: het is hun verdiende loon. Jahweh heeft geen enkele waardering voor hen. Want, zegt Hij, ze hebben een schandelijke dwaasheid in Israël begaan: overspel gepleegd met de vrouwen van hun naasten en in mijn Naam vals geprofeteerd (vs. 23).
In onze tijd wordt aan het plegen van overspel niet meer zo zwaar getrokken.
En zeker bij zulke verzetshelden wordt het door de vingers gezien en goedgepraat. Hun geestelijke betekenis is immers zo groot en overheersend, dat men hun hun sexuele gedrag niet kwalijk neemt.
Maar de HERE valt er wel degelijk over. En Hij laat zien dat wie achter zulke leiders aanloopt, wordt meegesleurd in hun ondergang. Dat is ook in onze tijd actueel. Wie wegloopt met figuren die in hun sexuele gedragspatroon en hun huwelijksmoraal het Woord van God aan hun laars lappen, wie hen bewondert en vereert en blindelings volgt, wordt meegezogen in de ondergang. Want de HERE laat het niet over zijn kant gaan.
Contra-brief
De open brief van Jeremia veroorzaakt in Babel een hevige deining, verontwaardiging en verzet. En een andere profeet onder de ballingen, een zekere Semaja, klimt in de pen en schrijft op zijn beurt een brandbrief naar Jeruzalem, geadresseerd aan Zefanja, de plaatsvervanger van de hogepriester.
Semaja verwijt hem in deze brief, dat hij zijn taak niet goed heeft uitgevoerd.
Zefanja was in Jeruzalem nl. belast met het gevangennemen en straffen van mensen die zich ten onrechte als profeet uitgaven. Die taak hebt u niet naar behoren uitgevoerd, schrijft Semaja. Want er loopt in Jeruzalem een charlatan rond, die ons hier in Babel de les wil lezen: Jeremia uit Anathoth. En u laat die man maar rustig zijn gang gaan en vrij rondlopen.
Dat lijkt nergens op. Hij moet ingerekend worden en tot zwijgen gebracht worden. Het is gewoon verschrikkelijk wat hij eruit kraamt (vss. 25-28).
Dat was de reactie uit Babel op Jeremia's brief. Het oordeel van Jahweh had zich al over de ballingen voltrokken. Maar ondanks het feit, dat de HERE hen in Babel nog weer opzoekt met zijn Woord, bekeren ze zich niet, maar verzetten ze zich nog temeer. Daardoor hebben ze ook geen oog voor Gods genade en liefde in Jeremia's brief. Die dringen niet eens tot hen door. En het staat er toch zo duidelijk in: Ik weet welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN. Gedachten van vrede en niet van onheil om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult ge Mij aanroepen en tot Mij bidden en Ik zal naar u horen. Dan zult ge Mij zoeken en vinden, wanneer ge naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vinden.
Ik zal Mij laten vinden
In deze prachtige verzen noemt de HERE twee voorwaarden om Hem te kunnen vinden.
In de eerste plaats moet Hij gezocht worden. Mensen die niet in Hem geïnteresseerd zijn. vinden Hem ook niet. We moeten Hem zoeken met ons hele hart, zonder reserve. Als we gemeenschap met Hem zoeken met een half hart, een beetje halfbakken, zonder dat we de dingen die de gemeenschap met Hem in de weg staan, uit ons leven willen verwijderen, vinden we Hem ook niet. Dan blokkeren we zelf de gemeenschap met Hem.
Maar als we Hem wel met ons hele hart zoeken, zonder ingebouwde reserves.
dan vinden we Hem wel. Niet omdat wij zulke goede zoekers zijn, maar - en daarmee raken we de tweede voorwaarde - omdat de HERE zich dan laat vinden.
Ons zoeken - ook als we het met ons hele hart doen - blijft gebrekkig en stuntelig. We zijn net als kleine peuters die met hun vader verstoppertje spelen. Zo'n kind zoekt zijn vader met heel zijn hart. Hij zit er helemaal in. Hij is helemaal in het zoeken verdiept. Maar het gaat nog zo stuntelig en onbeholpen. Hij weet niet precies waar hij zoeken moet. En dan láát zijn vader zich vinden.
Zo doet de HERE ook bij zijn volk.
Als we alleen op ons zoeken waren aangewezen, zouden we nog rakelings aan God voorbij lopen. Maar dan láát God zich vinden. Dat is zijn liefde, zijn genade. En dan komt Hij met zijn heil naar de mensen toe.
Is dat niet prachtig? Dat staat nu in die brief van Jeremia. Dat schrijft God nu aan mensen die niets anders gedaan hadden en deden dan zich tegen Hem verzetten. Of God zijn volk ook liefheeft!
Maar in Babel zagen ze daar niets van. En Semaja is razend over die brief waarin Gods genade zo duidelijk spreekt. Dan kan God niets anders meer doen dan zeggen: Semaja, jij en je nageslacht staan er buiten.
Jullie zullen niet in dat heil delen.
Samaja wilde de HERE niet zoeken.
Dan is er ook geen heil. Maar wie Hem met hun hele hart zoeken, zullen Hem vinden. Want door hen láát Hij zich vinden.