De weldaad van Gods verborgenheid

1978-07-07
  • Jaargang 22
  • nummer 27
"De HEERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen."

1 Koningen 8: 12

God neemt Zijn intrek bij Zijn volk

De jaren van Salomo's regering zijn een hoogtepunt geweest in de geschiedenis van Israël. Het is een tijd, waarin alle stammen broederlijk met elkaar optrekken. Dat is daarvoor noch daarna veel het geval geweest. Maar onder Salomo is er een kostelijke eenheid. 'Ze aten en dronken en waren blijde' (1 Kon. 4 : 20). En ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom (4: 25).
Binnen het tijdsbestek dat Salomo geregeerd heeft is de gebeurtenis uit 1 Kon. 8 een hoogtepunt op zichzelf. Terwijl iedere Israëliet stil en gerust woont in zijn eigen huis, mag God niet langer in een tent verblijven. Salomo bouwt een huis voor de HEERE. De bouw wordt voltooid in het 11e jaar van Salomo's regering, in de maand Bul, dat is de achtste maand (6: 38).
Nu begon in Israël het jaar ongeveer midden maart. De achtste maand loopt dus van half oktober tot half november. Dat is de tijd van de 'vroege regen', die soms met bakken uit de lucht komt vallen.
Dat is geen tijd om iedereen naar Jeruzalem te laten komen om aanwezig te zijn bij het feest van de intocht van de HEERE in Zijn aardse woning. Salomo stelt dit feest elf maanden uit, tot de zevende maand van het volgende jaar, de maand Etanim (8 : 2). Een feestmaand bij uitstek! Dan vierde men namelijk het Loofhuttenfeest.
Een feest voor de HEERE, die vrijheid en leven geeft. Een feest van dankbaarheid en liefde jegens God, die Zijn volk verzorgt naar lichaam en geest.
Die maand van het Loofhuttenfeest heeft een prachtige, passende naam: Etanim, dat betekent 'de maand van de overvloedigheden' . Nu, zelden is de naam van deze maand zo'n eer aangedaan als in dat 12e jaar van Salomo's regering. De overvloedige zegen, die het volk in Salomo's dagen van God ontvangt, roept ook overvloedige dankbaarheid op (vs. 5). Alles spreekt een duidelijke taal van de band tussen God en Zijn volk, zo hecht en heerlijk als in een huwelijk. God is met Zijn volk getrouwd. En dus komt Hij bij Zijn volk wonen.


Wolken voor de zon

Hoe blij en feestelijk dit alles ook is, toch klinkt in dit hoofdstuk ook een donkere toon. God komt dan wel bij de mensen wonen en het volk viert wel feest, maar er is van Gods kant een zekere terughoudendheid.
Hij geeft zich niet helemaal zoals Hij is. Hij komt in verhulling.
De mensen krijgen Hem niet te zien. En het is alsof Hij hen op een afstand houdt.
Deze taal spreekt allereerst de ark met er op of er naast twee geheimzinnige wezens, twee cherubs. Met Ihun vleugels bedekken zij de ark.
Ze schermen de ark, de troon van God, af tegen elke menselijke poging om al te dicht bij God te komen. Net als de engel, die eens de ingang van het paradijs bewaakte met een vlammend zwaard, zodat de mens daarheen niet terug kon keren.
En waar brengt men de ark naar toe? Naar de achterzaal van het huis. Het allerheiligste, maar ook het allerdonkerste. De ark wordt aan het oog onttrokken.
En dan is er ook nog de wolk, die heel het huis vult. Die wolk is zo benauwend, dat de dienstdoende priesters het er niet konden uithouden.
Ze wankelden bij wijze van spreken hoestend en met betraande ogen het heiligdom uit. Dit is de heerlijkheid des HEEREN, die het huis vervult. Maar niet een heerlijkheid, stralend als de zon aan de hemel. Nee. het is als een verstikkende damp, die de priesters van hun stuk brengt.

God houdt afstand

Als de schrijver dit vermeld heeft lezen we de merkwaardige woorden van Salomo: 'De HEERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen'. M.a.w. de HEERE heeft welbewust die donkerheid gekozen.
Hij komt niet anders bij de mensen wonen dan zo, in de verborgenheid.
In de Septuagint-vertaling van het O.T. is dit woord nog merkwaardiger. Daar is nl. nog iets toegevoegd: 'De HEERE plaatste de zon aan de hemel, maar zei zelf te wonen in het donker'. Je proeft de verbazing. De zon, die alles verlicht. is door God zelf gemaakt.
Was Gods eerste scheppingswoord niet: 'Er zij licht!'? Zonder licht kan toch geen leven bestaan? Maar de Schepper van het licht aan de hemelboog zet zichzelf in het donker! ' Waarom doet God dat nu toch?
Waarom komt Hij niet in onverhulde heerlijkheid? Waarom komt Hij niet met ongedempt licht?
Waarom maakt Hij het ons zo moeilijk door zich te verbergen?
Het zijn er niet weinigen die zich stoten aan de verborgenheid van God en Zijn Koninkrijk.

God beschermt ons tegen onszelf

God verbergt zich en zet zichzelf in het donker omdat Hij helaas niet anders kán! Als één het liever anders deed, dan is Hij het zelf wel.
Maar dit is voor God de enige manier om dicht bij de mensen te zijn, die Hij liefheeft. Want als God uit het donker zou treden, zou dat voor ons niet te verdragen zijn.
Zo las ik onlangs van een man, die droomde dat hij stierf en in de hemel kwam. Die man wilde God voor het één en ander ter verantwoording roepen. En God zei: Laat hem bij Mij komen. De man stapte zelfverzekerd het onvergankelijk licht tegemoet, waarin God dáár Zijn troon gesteld heeft. Maar hoe dichter hij bij dat licht kwam, des te beter ging hij zichzelf zien.
Hij werd doorgelicht in Gods röntgenafdeling. En zijn hart bleek een moordkuil vol verrotting en bederf. Hij ging al langzamer lopen.
De engelen zeiden: Loop maar door! God zelf heeft je toch geroepen?
Maar de man rukte zich los, keerde zich om en stortte zichzelf in de duisternis. Hij kon het Licht niet verdrágen!
Daarom, om ons te beschèrmen, heeft God op aarde in donkerheid willen wonen bij de mensen.
Salomo heeft gehoopt dat tallozen de weg naar het heiligdom zouden gaan om in allerlei situaties Gods hulp en bijstand in te roepen. In tijden van oorlog, droogte en honger, pest en sprinkhanen, enz. (vs. 31-53). Maar hij is zich bewust van de zondigheid van al die mensen. 'Er is immers geen mens, die niet zondigt', verzucht hij (vs.
46). En hoe zouden ze allen tot God in zijn aardse woning durven en kunnen gaan, als Hij daar niét in donkerheid woonde?

God niet gezien!

Hoe vaak wordt niet gezegd: Waarom laat God zo weinig van zich merken? Maar als God nu eens de dekmantel van de duisternis van zich afwierp? Dan zou het zijn, zoals ps. 97 zegt: Vuur gaat voor zijn aangezicht, het zet zijn tegenstanders rondom in vlam. Zijn bliksemen verlichten de wereld, de aarde ziet het en bééft! Het is ons welkom, zolang het alleen die mensen treft? die wij zien als oorzaak van veel ellende. Maar begint Gods gericht niet bij zijn eigen huis (1 Petr. 4 : 17)? Daar weet men toch het best hoe Gods wil geschieden moet?
Wie zegt: Laat God toch uit de verborgenheid treden! - roept het gericht over eigen leven in. Gelukkig maar, dat God zegt: Mij (nog) niet gezien! Hij toomt zich nog in en omhult zich met donkerheid.
Zeker, dat betekent voor ons een soms moeilijk te verteren ondoorzichtigheid en ondoorgrondelijkheid.
Toch is het vooralsnog de beste manier, waarop God en wij met elkaar kunnen omgaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief