KERKENORDE
1978-07-07
Een broederlijk woord- Jaargang 22
- nummer 27
Wanneer ik begin met een herinnering aan de laatst gehouden landelijke vergaderingen, dan is dat niet meer dan een aanloopje. Zoals bekend, is op die vergadering lang en breed gesproken over de nieuwe formulering van het oude artikel 31 van de kerkenorde. Eerlijk gezegd vond ik de discussie even moeizaam als vermoeiend. Bij voorbaat neemt ik aan, dat het niemand aan goede wil ontbrak om de ander te overtuigen. Maar de overtuigingskracht zelf ontbrak in de meeste gevallen. Gedeeltelijk kan dat liggen aan het feit dat het slechts weinigen gegeven is echt te luisteren, te horen wat er gezegd wordt. Voor een ander deel lag dat aan de aard van het besproken onderwerp. Met verontschuldiging voor de vereenvoudiging: de een hield voortdurend de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk in het oog, de ander wilde vooral het kerk-verbànd tot zijn recht laten komen. Om de hoek van de discussies kon je je de gevaren borden denken: synodocratie - independentisme. We zijn (bijna) te beleefd om deze (scheld)-woorden hardop te gebruiken, maar de vangarmen van de angst waren voor mijn gevoel voortdurend tastbaar.
Het uitzitten van deze vergaderingen werd me wat vergemakkelijkt door een opmerking, gemaakt tijdens een van de eerste zittingen. Zij was afkomstig van de apeldoornse hoogleraar dr W. v. 't Spijker, die terwille van een andere bespreking ter vergadering aanwezig was. Desgevraagd gaf hij inzake bovengenoemde materie o.m. als zijn mening te kennen, dat er in de protestantse kerken voortdurend iets als een pendelbeweging waarneembaar was. Al naar gelang de (historische) omstandigheden kwam de nadruk nu eens te liggen op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, dan weer op de bevoegdheid der meerdere vergaderingen. Let wel: een pendelbeweging - een goed beeld m.i. Daarmee is gezegd dat het evenwicht tussen beiden vrijwel nooit aanwezig is. Om dat te bereiken zou je trouwens de klok stil moeten zetten.
Scheepspraet
Het heeft naar mijn idee dan ook geen enkele zin, je af te vragen wie er "gewonnen" heeft. Vaststaat dat er een artikel tot stand gekomen (bijna zou ik zeggen: gewrocht) is - eigenlijk moet ik in het meervoud spreken. Maar even vast staat, dat de pendelbeweging zelf niet tegen te houden is. Door geen enkel artikel, hoe zorgvuldig ook geformuleerd, hoe precies ook woord voor woord afgewogen. Bij voorbaat neem ik aan, dat ieder zijn uiterste best heeft gedaan de grootst mogelijke veiligheid in te bouwen.
Maar het woord "veiligheid" suggereert al de angst dat het eens mis kan gaan. Het resultaat, hoe de formulering ook zou zijn uitgevallen, blijft het uitzetten van een koers tussen Scylla en Charybdis. Het kerkschip gáát niet varen, het vaart al lang, al eeuwen lang. Met een voortdurend wisselende bemanning.
En met een complete bemanning.
Al naar gelang karakter (ja, dat ook) en capaciteit fungeert de een als stuurman (of streeft er naar dat te worden) terwijl de ander genoegen neemt met een plaatsje als lichtmatroos of koksmaatje. In deze beeldspraak kun je niet omzeilen, dat er ook zoiets als leidinggevende functies zijn. Maar als de stemming aan boord beneden peil is en de onderlinge verhoudingen verziekt zijn, zal zelfs het meest modern uitgeruste kerkschip - al droeg het de naam van "De Goede Hoop" of "Op hoop van zegen" tegen de rotsen te pletter slaan.
Zelfs al is het - in dit geval voorzien van de radar, de onzichtbare voelspriet van de angst.
Waakzaamheid
Angst is een slechte raadgever ik hoor het mezelf en anderen denken.
En even zeker weet ik, dat sommigen zullen zeggen: het gaat niet om angst maar om waakzaamheid.
Alsof niet ook dat laatste woord vooronderstelt dat de goede gang bedreigd kan worden. Ik geef toe, dat dit een feit is waar we mee hebben te rekenen. Misschien: waar we mee moeten leren leven. Dat we het al geleerd hébben, betwijfel ik, zolang je gereformeerde mensen nog kunt onderkennen aan het aantal keren dat ze zeggen: ... goed, maar ik ben zo bang dat... Voor mij is dat een duidelijk negatieve levenshouding, een symptoom van nauwelijks verborgen angstvalligheid.
Het zou beter zijn, als we eens iets gingen doen aan het moreel, aan de onderlinge verstandhouding der "bemanningsleden". Bij dezen verlaat ik de beeldspraak van de scheepspraat - niet alleen omdat ik mij daarbij op te glad ijs voel, maar vooral omdat beeldspraak al te vaak suggereert dat de echte werkelijkheid er veel te ver af staat.
Daarom nu liever maar verder in ronde woorden. U bent bang voor de eenheid van de kerk in de toekomst, voor een uit elkaar groeien?
Accoord - maar wat doet u daar aan, even afgedacht van het opstellen van zo mogelijk waterdichte formulieren?
Wat doet u er aan - ik kan niet zeggen: ongeacht uw karakter, capaciteiten, functie?
Waakzaamheid is een goed bijbels begrip. Bent u waakzaam als het gaat om uw eigen karakter? Kent u uzelf als iemand, die graag aan het woord is, die even graag het laatste woord heeft, voor wie onverzettelijkheid de hoogste deugd is, die van samenwerking alleen spreekt als anderen doen wat u zegt en wilt, als iemand die nooit ook niet in kerkelijke zaken - ongelijk kan bekennen? Waak daar dan tegen. En doe er iets aan.
Heerszucht in het klein kan het begin zijn van een kerkelijk schisma.
Koste wat het kost over-heersen heeft al heel wat gezinnen, gemeenschappen, kerken kapot gemaakt - naar de onderlinge verhoudingen, laat staan de geméénschap der heiligen behoeft dan verder niemand te raden: men verraadt zichzelf eerder dan men denkt. Op zijn tijd weten te zwijgen is een vorm van wijsheid, die de Spreuken-dichter al lang onderkende. Maar ik heb het idee dat de "boeken der wijsheid" tot de minst bekende en de minst betrachte bijbelboeken behoren.
Vruchten
Uit de brieven van Paulus weten we uitnemend wat de "vruchten des Geestes" zijn. Komt het bij ons op dat de Landman, de Heer van de gaarde, wel eens op zoek kon zijn naar die vruchten bij ons, hoogst persoonlijk? Of staat de onvruchtbare vijgeboom altijd alleen maar op andermans erf? Wat zoudt. u er van zeggen, als ieder eens bij zichzelf begon en in zijn eigen tuintje ging wieden? Misschien raken we dan verlost van de negatieve levenshouding die uit angst wordt geboren en komen we tot de positieve instelling van het "er iets aan doen", goede werken doen, zoals van ons wordt verwacht. Laten we maar beginnen met de onderlinge verhoudingen vlak om ons heen.
Dan kon het, om toch nog even tot de scheepspraat terug te keren, ook wel eens beter worden met de onderlinge verstandhouding van de bemanning op het kerkschip. Ieder weet: tweekapiteins aan boord gaat niet. Het is ook niet nodig: wij hebben aan onze ene Kapitein genoeg - Hij zorgt wel voor de behouden vaart!