Christelijke Partij-formatie
1978-07-07
In het "ingezonden" van Kurpershoek en Pekelder, waarin zij reageren op mijn artikel "Predikant en Politiek" wordt een zeer belangrijke zaak aan de orde gesteld, nl. het goed recht van de christelijke partij.- Jaargang 22
- nummer 27
Graag wil ik hier op ingaan, waarbij ik mij bij voorbaat verontschuldig, dat mijn beschouwingen wel wat zwaar zullen uitvallen. Het zou ook een goede zaak zijn, wanneer meerderen aan deze discussie zouden meedoen.
Voordat ik aan deze problematiek begin, is het gewenst een paar misverstanden op te ruimen.
In mijn artikel was sprake van een "socialistisch predikant". Deze benaming werd niet gebruikt, zoals K. en P. menen, als tegenstelling met een "christelijk predikant". Het christen-zijn is hier niet in geding.
Verder was in mijn artikel een hoofdje opgenomen "Een christelijke partij eis van Gods Woord". Het is begrijpelijk, dat K. en P. hieruit concludeerden, dat naar mijn opvatting christelijke partijformatie eis van Gods Woord is.
Helaas was hier het vraagteken uitgevallen.
Naar mijn opvatting kun je niet stellen, dat een christelijke politieke partij altijd vereist is. Zoals in het vorig artikel al werd opgemerkt, is christelijke partijformatie niet altijd en overal geboden.
Een christelijke organisatie is ook geen doel in zichzelf. Dat is wel eens vergeten. Een christelijke organisatie, en dat geldt ook voor een politieke partij, heeft alleen bestaansrecht als de nood haar is opgelegd.
Maar nu dan het hoofdprobleem, waar het in deze discussie eigenlijk om gaat: de verhouding tussen levensbeschouwing en maatschappelijk en politiek inzicht.
In hun "ingezonden" schreven K. en P., dat het de P.v.d.A. niet gaat om de levensbeschouwing, maar om het politieke inzicht. Christenen, die P.v.d.A. stemmen, doen dat omdat hun politiek inzicht (toevallig) overeenstemt met dat van de P.v.d.A.-stemmers, die een humanistische levensbeschouwing hebben. De levensbeschouwing, die geleid heeft tot een bepaalde maatschappijvisie is echter voor persoonlijke verantwoordelijkheid van de leden zelf.
Nu moet ik er in de eerste plaats op wijzen, dat de P.v.d.A., en terecht, het innig verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht erkent.
K. en P. menen, dat dit niet geldt voor de humanisten. Daar zou geen afhankelijkheidsrelatie bestaan tussen levensbeschouwing en maatschappijvisie.
Immers humanisten vind je zowel bij de P.v.d.A; als de V.V.D.
Deze argumentatie lijkt me niet juist. Om dit te laten zien is het nodig wat dieper in te gaan op het grondmotief van het humanisme.
Sinds de renaissance wordt het humanisme beheerst door het grondmotief van natuur en vrijheid. Hierin staan beheersings- en vrijheidsdrang in een dialectische, een onverzoenlijke spanning tegenover elkaar.
Het beheersingsmotief zal zich uitwerken in het beklemtonen van de functie van het overheidsgezag. Het humanistisch vrijheidsmotief loopt uit op een beklemtonen van de waarde van de individuele vrijheid der burgers.
De innerlijke spanning, die tussen beide aanwezig is, betekent in de politiek een onoverbrugbare spanning tussen de ordenende beheersingsdrang der overheidsorganen aan de ene kant en de vrijheidsdrang der burgers aan de andere kant. Dit betekent, dat de politieke visies van de humanisten in tegenovergestelde richting uiteengaan. Dat zien we bij de liberalen en de socialisten. Loten van één stam, maar wel verschillende loten.
Hetzelfde kan men helaas waarnemen bij christelijke partijen, wanneer deze aangetast zijn door het dualistisch grondmotief van natuur en genade.
Dan zie je een christelijk liberalisme tegenover een christelijk socialisme staan.
De P.v.d.A. kiest voor het democratisch socialisme. Het doet er niet toe, of men daarbij uitgaat van een christelijke dan wel een humanistische levensbeschouwing.
Het gaat hier om een soort geestelijk federalisme van christendom en humanisme. Wel wordt erkend, dat dit zeer verschillende beschouwingen zijn, die tegenover elkaar staan. Uiteindelijk ziet men ze echter toch niet als absolute tegenstellingen, maar als tegenstellingen van betrekkelijk karakter. Immers men vindt elkaar tenslotte weer in een gemeenschappelijke maatschappijvisie.
Dit geestelijk federalisme betekent een principiële verwerping van de antithese, de absolute tegenstelling tussen het rijk van God en het rijk der duisternis. Een federalisme, waarbij de christgelovige de rekening zal moeten betalen, die het humanisme en het humanistisch christendom hem presenteren.
Wanneer een politieke partij geen uitspraken doet over de laatste en diepste vragen betreffende de politieke visie draagt men bij tot de secularisatie van de politieke overtuiging. Daardoor wordt de kans vergroot, dat de antichristelijke religieuze grondmotieven ongemerkt als zuurdesem doorwerken.
De antithese. Dat klinkt wel ouderwets, maar ik kan daar niets aan doen.
De Bijbel spreekt er al van in Gen. 3 en dat gaat door tot Openb. 22.
Erkend moet worden, dat die antithese vaak op verkeerde wijze gehanteerd is. Men heeft gedaan alsof die antithese de scheidslijn is tussen organisaties, partijen en groepen. Dat is echter niet juist.
De antithese gaat dwars door het christelijke leven zelf heen, in het persoonlijk leven, in de christelijke organisatie. Overal zijn symptomen van afval naast symptomen van echt leven.
De antithese is dus geen scheidslijn, die een "christelijk" volksdeel tegenover een "antichristelijk" volksdeel plaatst. Het is de onverzoenlijke strijd tussen tweeërlei geestelijk beginsel, die door heel het volk gaat.
De antithese is geen uitvinding van mensen. Gods Woord heeft ze ons bekend gemaakt.
De antithese raakt de verhouding, waarin God tot de mens staat en de ene mens tot de andere. Als deze antithese doorwerkt in ons leven zal ze daarmee de kijk op de staat en ook op de verhouding van de staat tot de andere samenlevingsverbanden omzetten.
Het gaat hier om de belijdenis van het koningschap van Jezus Christus over heel het leven. Dat is het universele uitgangspunt. Aanvaarding dan wel verwerping levert een duidelijke tweedeling op.
Deze belijdenis beheerst heel ons leven. Al ons doen en laten.
Als wij de problemen van vandaag niet aankunnen, ligt dat dan ook primair daaraan, dat deze religieuze relatie niet meer gezien wordt.
Deze antithese laat geen synthese toe tussen het christIijk uitgangpunt en de daaraan tegengestelde uitgangspunten, omdat zij absoluut van aard is.
Synthese zou slechts mogelijk zijn, als er een hoger uitgangspunt zou zijn, dat boven beide verheven is. Trouwens elk religieus uitgangspunt moet absoluutheid pretenderen. De antithese die ze stelt moet absoluut zijn.
Het gaat hier om de drijfkracht van Gods Woord door de H. Geest, die ons leven omzet en vandaaruit in alle levensuitingen dringt. Alles wat zich onttrekt aan de drijfkracht van Gods openbaring komt reddeloos in de greep van een ander religieus motief. En dat is onherroepelijk afgodisch van aard.
Het geestelijk federalisme relativeert de betekenis van het christendom door het op één lijn te stellen met andere levensbeschouwingen. Men heeft geen oog voor de diep ingrijpende betekenis van het christendom, als men meent, dat de vraag over de mens, zijn oorsprong en einddoel in de politiek buiten beschouwing te kunnen laten.
Deze beschouwing erkent in feite twee souvereinen, God en het menselijk inzicht. De christen komt tot een politieke visie op grond van wat Gods Woord zegt. De humanist komt er toe op grond van eigen menselijk inzicht.
De menselijke overtuiging wordt dus naast God geplaatst.
Voor de humanist is de mens de maker van de norm, voor de christen is hij slechts de vinder.
In feite kent de humanist noch God, noch de mens, noch de diepte van de zondeval.
Een politieke partij is ei bepaald niet alleen om zuiver zakelijke doeleinden te verwezenlijken.
Dat argument hoort men wel eens van christenen, die socialist zijn.
Begrijpelijk, want als een partij weigert in religieus opzicht een keus te doen, dan moet de politiek wel verzakelijken. Een politieke partij is echter heel wat anders en wat meer dan samen een winkel gaan drijven.
In de politiek gaat het om de vraag, of de staat zal functioneren overeenkomstig de bouworde die in de schepping is neergelegd of anders gezegd of het handelen van de overheid zal berusten op goddelijke rechtsbeginselen dan wel of de mens de orde zal voorschrijven.
Maar, zo is vaak de tegenwerping, de P.v.d.A. is toch voor gerechtigheid en vrijheid. Daar zijn christenen op grond van Gods Woord ook voorstanders van.
Men vergeet dan dat het erop aankomt welke inhoud aan deze begrippen gegeven wordt. Normen als gerechtigheid en vrijheid hebben alleen inhoud en betekenis, wanneer ze in Christus gegrond zijn, omdat ze in Hem vlees zijn geworden. Alle geestelijke waarden ontlenen hun inhoud en betekenis aan hun binding aan Jezus Christus. Het feit, dat men dezelfde woorden gebruikt, zegt niets.
Men kan dit direct constateren, als men b.v. nagaat, wat onder vrijheid wordt verstaan. Naar socialistische visie is vrijheid het vrij zijn van zorg en ellende, bevrijd zijn van maatschappelijke armoede. Een zuiver materialistisch vrijheidsbegrip dus. Bij het christelijk vrijheidsbegrip vindt men de kern in de verantwoordelijkheid aan God.
Daarmee wil ik niet ontkennen, dat er tussen christenen en humanisten geen bepaalde gemeenschappelijke doelstellingen zijn. Indien deze er niet waren, was ook samenwerking van christelijk en andere partijen niet mogelijk.
Daarop kan men echter geen partijgemeenschap bouwen. Immers elke stabiliteit ontbreekt dan.
Voor een politieke partij is een totaal blik op de staat en de politiek nodig en deze moet berusten op een politieke visie, gebaseerd op een levensbeschouwing.
Elke partij berust op een levensbeschouwing. Dat geldt ook voor de P.v.d.A. Ook in haar doelstellingen weerspiegelt zich de grondslag.
Tenslotte nog een paar opmerkingen over de taak van de politieke partij.
K. en P. stellen, dat de strijd in dienst van het Koninkrijk van God in de Woordverkondiging aan de orde moet komen. Het is de taak van de kerk de secularisatie tegen te gaan.
Dat is juist, maar het betekent niet, dat de politieke partij hier geen taak heeft.
Dat was wel de gedachte bij de doorbraak. Toen werd gesteld, dat de kerk zich alleen apostolisch, priesterlijk en profetisch met de wereld en al haar levensterreinen had te bemoeien. Als de kerk in gebreke bleef, mochten de particuliere organisaties optreden. Slechts tijdelijk echter als noodverbanden.
Maar dit hoogkerkelijk denken is niet juist.
De kerk predikt het Woord van God aan mensen en volken. Dat wil zeggen: door haar leggen Woord en Geest beslag op mensen en eerst door die mensen op de politiek. De kerk heeft de mensen op te voeden door de Woordverkondiging. Maar daarna hebben de kerkleden staande in hun persoonlijke verantwoordelijkheid en naar hun persoonlijke roeping overal te strijden voor de heerschappij van Gods Woord om zo overal Gods rijk tot gelding te brengen.
Zo hebben wij door middel van een politieke partij de roeping in het staatkundig leven Gods Woord tot heerschappij te brengen. Ook dat is een middel om secularisatie tegen te gaan. Denk maar eens aan de gevolgen, die op dit gebied de politieke strijd van iemand als Groen van Prinsterer gehad heeft.
Een politieke partij heeft tot taak te getuigen van Christus' koningschap om de medeburgers te brengen tot het medegetuigen in de politiek.
Het is beschamend voor de christelijke partijen, dat daarvan in de praktijk zo weinig terecht komt.
Maar de roeping blijft.
Wanneer we ons goed voor ogen houden, wat het vervullen van onze politieke roeping inhoudt, is het toch een duidelijke zaak, dat christenen en humanisten in Nederland anno 1978 niet in één politieke partij mogen en kunnen samengaan.
Prof. Mekkes heeft eens gezegd: wij mogen als christenen in de politiek niet in één partij gaan zitten met humanisten, omdat wij in de politiek geen pachters, maar ambtsdragers zijn.
Volgens hen, die het geestelijk federalisme voorstaan, zijn we in de politiek niet meer dan pachters van God. We hebben in de politiek niet anders te doen dan God zijn pacht op tijd te betalen, en dan zijn we tegenover Hem gekweten.
Als dat zo was, zouden inderdaad trouwe en ontrouwe pachters rustig met elkaar kunnen handelen over de techniek van landbouw en veeteelt.
Pas wanneer het op het betalen van de pacht aankwam, zouden trouwe en ontrouwe pachters uit elkaar gaan.
Als we in dit leven niet meer waren dan pachters van God, zouden er hele wat neutrale zones zijn. Dan konden we de christelijke organisaties wel opdoeken, mits we er voor zorgden, dat we God op tijd betaalden.
Maar zo is de verhouding van God tot de mens niet.
We zijn ambtsdragers, ook in de politiek.
God heeft ons geroepen met heel onze kracht, heel ons hart Hem te dienen overal waar we staan of gaan.