Verbond en accoord van samenleven
1978-07-28
Vraag om antwoord "Wanneer bent u begonnen op deze manier over het verbond te preken?" - deze vraag werd mij eens gesteld na afloop van een kerkdienst.- Jaargang 22
- nummer 28
Zo'n vraag kun je afdoen met het simpele antwoord: Op die en die datum. De datum stond op de preek vermeld en het was de tweede keer dat ik over die tekst een preek hield - de eerste keer was in een vorige gemeente. Maar het ging natuurlijk niet alleen maar om een datum. De vraag behelsde meer en riep herinneringen op. Er was immers een tijd waarin een preek niet geslaagd was wanneer het woord verbond daarin niet een of meer keren werd genoemd. Misschien overdrijf ik een beetje, maar daar kwam het praktisch toch wel op neer.
Het was ook heel verklaarbaar. Inzet van een voor mij nog steeds en eigenlijk steeds meer onverklaarbare kerkstrijd waren o.m. zaken die het verbond raakten. Het onverklaarbare zit hem voor mij hierin, dat een synode het midden in oorlogstijd bestond zulke verstrekkende besluiten te nemen. En het nog meer onverklaarbare komt voort uit het huidige tolerantiebeleid van een synode die diezelfde groep kerken vertegenwoordigt.
Weliswaar wordt ter verklaring aangevoerd, dat men lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen rond 1944. Maar consequenites worden daar verder niet aan verbonden.
Zodat andermaal het spreekwoord wordt bevestigd: de een mag een koe stelen, de ander mag er nog niet naar kijken.
Niet voor ieder vanzelfsprekend
Intussen moeten de vele boeken en brochures die met name in die tijd over het verbond zijn geschreven, er ons niet toe verleiden te menen dat dit een algemeen bekend begrip is. Natuurlijk is er de wetenschappelijke theologische vakliteratuur, met als resultaat daarvan ook enkele gepopulariseerde uitgaven.
Maar de meeste kerkgroeperingen en derzelver leden kennen het bijbelse begrip verbond niet of nauwelijks.
Wat voor ons 'n kernbegrip is, is voor iemand uit de rooms-katholieke kerk een woord waarbij ze zich niets kunnen voorstellen. Geldt voor deze kerk het "excuus" dat "de leek" vaak geen bijbel, laat staan bijbelkennis heeft, voor andere groeperingen, zowel in binnenals buitenland gaat dat niet op. In veel gevallen zal de eigen kerkelijke geaardheid en historische ontwikkeling bepalend zijn voor wat men in de bijbel vindt en belangrijk vindt. In veel gevallen is de individualistische religieuze gerichtheid doorslaggevend. Wanneer alleen de vraag "hoe word ik, hoe wordt mijn ziel behouden?" met de daarbijbehorende problemen alle belangstelling krijgt, is de verbondsgedachte nauwelijks interessant.
Wordt omgekeerd collectivistisch gedacht - dit even tussen haakjes - zoals men in voorbije jaren vooral de vrijgemaakt-gereformeerden werd aangewreven, dan vervalt men makkelijk in een verbondsautomatisme.
Zo in de zin van: je hoort bij het verbond, dus word je zalig. Of in de praktijk, als het er op aan kwam, ooit door iemand werkelijk zo is gedacht, betwijfel ik. Wel valt toe te geven, dat in het oog van buitenstaanders die suggestie wel eens werd gewekt.
Kernbegrip, dus alledaags
Al is het verbond een kernbegrip in de bijbel, wie denkt het om het andere hoofdstuk aan te treffen komt bedrogen uit. De concordantie van Trommius wijdt er weliswaar ruim twee kolommen aan.
Maar - we blijven alfabetisch in de buurt - dat geldt vrijwel ook van bijv. "verblijden" of "verderven", twee verder willekeurig gekozen woorden.
Hoe vaak denkt u trouwens dat doop (dopen) of avondmaal in de bijbel voorkomt?
Het lijkt me een simpele zaak: dat wat voor de toenmalige hoorders/ lezers een vanzelfsprekendheid was, behoefde niet duizend-en-een-keer te worden vermeld. Naar mijn mening geldt dat zeker voor een woord als verbond. Dat was zoiets als een substraat, een onderliggende werkelijkheid, de werkvloer van Israëls alledaags bestaan. Je kunt het eenvoudig niet wegdenken uit Israëls verhouding tot God.
Heel zijn historie is er mee verweven, heel zijn bestaan staat of valt ermee. De dialoog, opgenomen in het verbondsboek, wordt gevormd kerkelijk leven door de tien woorden (Dt. 4: 13; 10: 4) d.w.z. afspraken van het verbond van de Sinai, om maar een ding te noemen. De beloften van Jer. 31 : 31-34 zijn niet te begrijpen zonder te denken aan de Sinai, Al evenmin het rechtsgeding tussen God en zijn volk als beschreven in Micha 6 : 1-8. Op dát punt is dit verbond even alledaags als "'n verbond" in de toenmalige wereld nu eenmaal alledaags was, zeker in de politiek.
Verbond en verbondenheid
Die feitelijkheid moeten we voortdurend in rekening brengen bij het lezen van de bijbel. Als gereformeerden met een bepaald verleden gaat ons dat misschien nog wel makkelijk af als we denken aan de verhouding tussen God en Zijn volk, laten we het de verticale relatie noemen. Maar in een ander opzicht, laten we zeggen in het horizontale vlak hebben wij daar denkelijk meer moeite mee. En wij niet alleen. Ook dat wordt duidelijk bij het bijbellezen. We noemden boven al even de individualistische en de collectivistische benadering van de bijbel resp. van het verbond. Om te beginnen zijn dat geen termen, begrippen waarin men toen dacht (evenmin bijv. als onze tegenstelling abstract-concreet). De "ik" (het individu) staat niet los van of zelfs tegenover "het volk als geheel" (het collectivum). De "ik" blijft zichzelf en is zo en is tegelijk deel van het geheel, van "het volk Israël". Er is binnen Israël (de ene partij van het verbond) een nadrukkelijke saam-horig-heid, een innerlijk verbonden zijn met de anderen.
Dat krijgt in de bijbel op heel veel manieren gestalte. Een van de duidelijkste voorbeelden vinden we in Ex. 15: 1, een lied van Mozes: "toen zong Mozes met de Israëlieten den HERE dit lied en zij (meervoud!) zeiden: Ik (enkelvoud!) wil den HERE zingen, want Hij is hoog verheven ... ". Binnen de gemeenschap, in de saamhorigheid, komt. Juist ieder tot zijn recht. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor in het lied van Debora en Barak (Richt. 5 : 1-3) en men doet er goed aan zich dit verschijnsel te herinneren bij het lezen van het liedboek van het Oude Testament, de psalmbundel.
Zou het "ik" in de psalmen niet veel vaker dan we denken tegelijk de stem zijn van al die andere "ikken" die samen Gods volk zijn? Een zaak die mij van belang lijkt als het gaat om persoonlijke geloofsbeleving, bevinding en alles wat daaraan vast zit, evengoed als in een gemeentelijk samenleven.
Voor God is elk mens een eigen wezen, een eigen "persoonlijkheid".
Maar die ene mens komt pas goed tot zijn recht in de verbondenheid, .saamhorigheid met al die anderen die zijn volk vormen. De weerspannige zoon die een doorbrenger en drinker is schaadt de gemeenschap en wordt gestenigd (Deut. 21 : 18-21; denk daar eens aan bij de zgn. gelijkenis van de verloren zoon!).
Inbreuk op de gemeenschap is een doodzonde.
Het zal goed zijn (ik beperk me maar tot onze eigen kerkelijke groepering) zowel het een als het ander goed voor ogen te houden nu we bezig zijn met het formuleren van een accoord van kerkelijk samenleven.
De zgn. praeambule wil m.i. nadrukkelijk de saamhorigheid onderstrepen. Omgekeerd valt met dankbaarheid te constateren, dat kerken die weinig heil zien in een nieuw accoord toch present zijn en meedenken. Willen we aan onze verbondenheid vorm en gestalte geven, dan dienen we het bijbelse begrip verbond ook in het horizontale vlak tot zijn recht te laten komen.
Daarnaast dienen we te bedenken, dat wij als "buitenverbandse" kerken (het woord klinkt na als een beschuldiging) niet de enigen in de wereld (en ook niet in ons land) zijn tot wie God zegt: "mijn volk". Anders gezegd: we zullen moeten proberen de oecumene metterdaad te beleven, willen we niet vervallen in een collectief individualisme!