DE CHARISMATISCHE BEWEGING

1978-07-28
  • Jaargang 22
  • nummer 28
In dit en het volgende nummer volgt het referaat dat ds H. Smit op de laatstgehouden jaarvergadering van onze persvereniging heeft gehouden.
Voor de duidelijkheid nemen we daarbij ook nog een keer de stellingen op zoals die al eerder in ons blad hebben gestaan.

1. Onder de Charismatische Beweging verstaat men gewoonlijk een later opgetreden meer binnen-kerkelijke variant van de klassieke Pinksterbeweging.
In Amerika wordt dan ook -wel de naam Neo-pentecostalism gebezigd. Voor onze bespreking acht ik een scherpe formele afbakening van beide grootheden niet van groot belang, al zullen de verschillen wel worden genoemd. De behandeling dient zich te koncentreren op de totaliteit van deze machtige beweging die zijn kracht (ook: aantrekkingskracht!) vindt in het poneren van een dirèkte Godservaring en -Geestbeleving in een tijd die door de God-is-dood-thematiek wordt beheerst!

Ad 1 Het is in de geschiedenis altijd verleidelijk gebleken het bóvennatuurlijke aan te wijzen als de regio waarin de Here God kenbaar is.
Het kwade gevolg was, dat God als het ware steeds meer achteruit moest wijken toen men in de natuur, op het terrein van het ekonomische, in de geschiedenis zelf wetmatigheden en regels ging ontdekken. Welke plaats bleef er nog voor God over? Waar kon men de Here God nog ontmoeten, nu het natuurlijke het gehele blikveld ging vullen? Van hieruit verstaat men iets van de opzet van bijv. Prof. Kuitert als deze in zijn boek "Wat heet geloven?" stelt dat afgerekend moet worden met de gedachte aan een God die zich boven en buiten de geschiedenis zou laten vinden en die in het gebeuren bovennatuurlijk zou ingrijpen. Wij moeten God, aldus Prof. Kuitert, zien In de geschiedenis en die geschiedenis als het vlechtwerk van zijn daden. Maar dan komt aanstonds de vraag op of men met het woord "God" nog wel iets anders en iets meer kan aanduiden dan de dynamiek van de geschiedenis! Kan men nog tot Hem roepen ... naar omhoog. .. vanuit de wurgende greep van de gebeurlijkheden? Waar ontmoet men God de Here nog? Waar kàn men met Hem nog gemeenschap krijgen? .
Tegenover de kilte van techniek en verwetenschappelijking is een grote roep opgekomen . . . een roep om Godsontmoeting, Godservaring, Godsbeleving.
En op deze roep komt het antwoord van Pinksterbeweging en Charismatische Beweging. Dit is de grote kracht van de genoemde stromingen juist in deze tijd. Zelf opgekomen vanuit dat grote Heimwee wijzen zij de weg naar het stillen van de ervaringshonger, naar de Geestvervulling, naar de Godsbeleving en naar het nieuwe blijde leven uit de Geest.

2. De Charismatische Werkgemeenschap Nederland stelt zich ten doel "Christenen van alle kerken en groepen aan te moedigen de vervulling met de Heilige Geest te ontvangen ... ". In deze doelstelling komen enkele zaken naar voren die bij alle variatie toch typerend zijn voor de totaliteit van de beweging die ons nu bezighoudt.

a. Centraal staat de gedachte van de vervulling met de Heilige Geest (ook wel Geestesdoop genoemd) op een soortgelijke wijze als de eerste christenen op de Pinksterdag de Geest hebben ontvangen (Hand. 2). Met de Geest ontvangt men dan tevens de Geestesgaven, de charismata (Rom. 12 : 6-8, 1 Kor. 12 : 8-11, 1 Kor. 12 : 28-30 ... ).

b. Uit het feit dat men christenen wil áánmoedigen de vervulling met de Geest te ontvangen blijkt dat deze vervulling zakelijk en feitelijk dient te worden onderscheiden van de begiftiging met het geloof. De vervulling met de Geest is een volgend punt op de heilsweg die de christen heeft te gaan.

Ad 2. De Charismatische Werkgemeenschap Nederland stelt zich ten doel christenen van alle kerken en groepen aan te moedigen de Heilige Geest te ontvangen... Een eigenaardige formulering: aan te moedigen ... te ontvangen. Daarin ligt opgesloten dat het ontvangen van de Geest als bereikbaar wordt voorgesteld, als grijpbaar voor de handen van geloof en gebed. Maar dat geloof en gebed moet er dan ook zijn. En het moet er ook gericht zijn. Het ontvangen van de Geest komt in de vele getuigenissen die men te lezen krijgt steeds weer over als een dateerbaar gebeuren van buitengewone helderheid: een ontzaglijke blijdschap waarin angst en droefheid verslonden wordt ... een wonderlijke en onweerstaanbare aandrang om God te loven en te prijzen ... een lof waarbij mensenwoorden tekortschieten en allengs vervangen worden door de woorden en klanken die de Geest te uiten geeft, door de spraak in tongen. Ziedaar een heel kleine bloemlezing die de typerende elementen bij elkaar zet. Het grote gebeuren brengt een blijvende verandering teweeg. " een grote liefde, een buitengewone vrijmoedigheid om het evangelie verder te brengen, zekerheid in het gebed dat ook inderdaad door opmerkelijke verhoringen wordt bekroond, gaven van genezing in Christus' naam. De één dit, de ander dat ... naar het de wil van de Geest is.
Zoals we steeds al vernomen hebben wordt de Geestesdoop niet vereenzelvigd met het komen tot geloof. Ze is een volgend station op de heilsweg die de christen heeft te gaan, een volgend station in de orde van het heil. Men denke hier. aan de gemeente van Christus tussen Hemelvaart en Pinksteren, gelovend en biddend om. de vervulling met de kracht uit den hoge.

3. In de klassieke Pinksterbeweging werd zakelijk de gedachte verworpen, dat de Geest bij zijn vervullingswerk zou aanknopen bij lijnen die in iemands voorgaande levensgeschiedenis (door kerkelijke vorming e.d.) reeds waren gelegd. Men had weinig of geen gevoel voor wat we kontinuïteit zouden kunnen noemen. Vandaar nieuwe organisaties, àndere leiders ... een antithetisch contrapunt tegenover de bestaande kerken. Deze kontinuïteitsverwerping heeft zijn diepste gestalte in het ontbreken van het Verbondsbesef en in de felle aanval op de Kinderdoop!

Ad 3. De klassieke Pinksterbeweging beschouwde de Geestesdoop zeer sterk als een vertikaal gebeuren en legde in overeenstemming daarmee bijna uitsluitend de nadruk op het wonderlijke, met name de tongen taal.
Men mocht dan door allerlei omstandigheden in de voorgaande levensgeschiedenis tot het gebed om de Geest gekómen zijn ... bij het betreden van het dak der vervulling werd het benutte laddertje als het ware weer verwijderd. Dit vertikalisme, deze nadruk op het unieke van de Geesteservaring bracht tot scherpe verwerping van de bestaande kerken, tot eigen organisaties met eigen leiders. " tot een tégenkerk, die spoedig ook al weer in het kerkelijk meervoud overging. Ook betekende het genoemde vertikalisme dat de missionaire ijver zich erop richtte mensen over te brengen in het levensniveau van de Geest, tot een leven vanuit direkt-vertikale impulsen - het "Pinkstertype". Ook ziet men dat vertikalisme als beheersend in bijv. de bijbelbeschouwing - de bijbel als Gods Woord waaruit men teksten "krijgt" bij wijze van ingeving. Misschien zou men dus de bijbel beter Gods Woord-materiaal kunnen noemen.
Het is beslist naïef de bezwaren tegen de Kinderdoop in hun opmerkelijke felheid op een verschil in uitleg terug te leiden. Hier spreekt wel degelijk de haat van het vertikalisme tegen lijnen en paden in geschiedenis en geslachten, tegen het Verbond. Men heeft te doen met een soort kollektief individualisme.

4. In de latere ontwikkeling is een variant opgekomen die gewoonlijk met de benaming Charismatische Beweging wordt aangeduid. In deze beweging heeft men veel meer kontinuïteitsgevoel. De Geest trekt in zijn vervullend werk de lijnen die in de voorgaande levensgeschiedenis, in kerkelijke vorming en traditie en (eventueel) in theológische vorming reeds voorhanden waren tot volheid door. Men ziet danook geen massale kerkverlating meer, maar een optreden in gebedskringen, samenkomsten en konferenties die alle konkurrentie-karakter tegenover de bestaande kerken zoeken te vermijden en gaarne gebruik maken van de diensten van kerkelijk-erkende ambtsdragers. Van antithetisch contrapunt komt het - zo hoopt men - tot oekumenisch verzamelpunt.
Overigens overdrijve men dit kontinuïteitsbesef niet. Ten aanzien van Verbond en Doop heeft het zijn doorwerking niet of nauwelijks gekregen.
Ook dient de kritische vraag naar de wèrkelijke oekumenische waarde van de beweging te worden gesteld!

Ad 4. De latere Charismatische Beweging vertoont een veel meer gekompliceerde stand van zaken. Aan de ene zijde neemt men waar dat de scherpe kontouren van de oorspronkelijke Pinksterbeweging een soort erosie hebben ondergaan. Vanuit exegetische werkzaamheden ontdekte men dat de voor ons zo belangrijke vraag of de Geest bij zijn begiftiging met gaven iets totaal nieuws werkt (vertikaal-direkt) of dat Hij heiligend sterkend en richtend aanknoopt bij wat in de mens reeds voorhanden was voor Paulus kennelijk helemaal niet zo belangrijk is!
Niet alleen noemt Paulus in 1 Kor. 12: 8-11 en 28-31 bijv. het spreken met wijsheid, het spreken met kennis, bekwaamheid om te helpen, bekwaamheid om te besturen. .. onbekommerd in één adem met gaven van genezing, werking van krachten en allerlei tongen ... maar ook bezigt hij voor ons gevoel merkwaardige uitdrukkingen als "streven naar de hoogste gaven ... " (1 Kor. 12: 31) en - in ander verband, namelijk in zijn vermaan aan Timotheus - "het aanwakkeren van de gave die in u is ... ". (2 Tim. 1 : 6), hetgeen weer niet moet worden geïsoleerd van het "blijven bij wat gij van kindsbeen af kent en hebt geleerd ... " (2 Tim. 3 : 14-15). Elke schematiek bovennatuurlijk-natuurlijk wordt steeds weer doorbroken. De Geest maakt de mens tot mens-voor-God, niet tot een soort Uebermensch! Mogelijk is het zinvol in dit verband te verwijzen naar het feit dat de bijbel geheel onbekommerd aanwijst dat het funderende wonder van Israël's geschiedenis, waarin de Here in de hoogste maat kenbaar is, door gebruik van geheel natuurlijke ingrediënten tot stand gebracht is - zie Ex. 14: 21! Charismatisch - zo zegt Dr K. J. Kraan in "Kerkinformatie" nr. 79, febr. 1978 ;- betekent: leder naar eigen gave bezig tot opbouw van het geheel. Hier is de erosie zo ver voortgeschreden dat men zich afvraagt: Waarom dan nog die Charismatische Beweging?
Daarom moet nadrukkelijk ook op een andere zijde gewezen worden, waar van geen erosie sprake is: de duidelijk dateerbare "tweede zegening" van het ontvangen van de Heilige Geest, de evidente herhaling van wat de eerste christenen op de grote Pinksterdag ontvingen! Dezelfde Dr Kraan spreekt letterlijk van "een soortgelijke vervulling met de Heilige Geest". Ik noemde de term "tweede zegen": De vervulling met de Geest als wèl te onderscheiden van de begiftiging met geloof. Ik heb de gedachte dat deze beide polen - de erosie-pool en de vervullingspool met zijn scherp gemarkeerde kontouren - altijd een element van krisis in de Beweging zullen betekenen. Als de oorspronkelijke Pinkstergemeenten de Charismatische Beweging inkonsekwentie en verslapping verwijten kan dat verwijt, dacht ik, niet zonder meer terzijde worden gelegd!Terwijl de oorspronkelijke Pinkstergemeente te vergelijken is met een man die bij het betreden van het vervullingsdak het benutte laddertje weggooit zien we in de Charismatische Beweging met zijn veel meer ontwikkelde kijk op de horizontale en historische faktoren in het werk van de Geest een man die zijn laddertje laat staan. Geen kerkuittreding, geen nieuwe ambten, geen verwerping van de theologie! En daar ontwaart men een soort oekumenische doorbraak: Er blijven heel wat laddertjes staan!
Onder de oeverkoepelingskap van het Geest-beleven en van het leven-uit-de-Geest blijken zich heel wat theologische stromingen te kunnen bergen; daarbij ook diverse bijbelbeschouwingen, En daarbij komt dan de kritische vraag of bij alle: markante verschillen met de oorspronkelijke Beweging het verschil wel zo wezenlijk is. Zijn de theologieën niet de diverse wegen die naar het Rome van het charismatische leven kunnen leiden en is men niet zo tolerant omdat het in feite om de leer niet gaat!
Is de Charismatische Beweging niet een zachte reaktie waar de Pinkstergemeente hàrd optrad ... maar dan toch met hetzelfde instrumentarium!
Oekumene bij de grate van leerdevaluatie!

5. De zakelijk-feitelijke onderscheiding tussen begiftiging met geloof en Geestvervulling -zie punt 2b - is zeer aanvechtbaar en slechts met een soort uitlegkundige geweldpleging staande te houden. Men stelt dan bijv. een stuk van de heilsgeschiedenis (tussen Hemelvaart en Pinksteren) modèl voor de wijze waarop elkeen alle tijden door deel moet krijgen aan het volle heil ... een exemplarisering van de geschiedenis! Juist zulk een niet te funderen interimsperiode wordt gemakkelijk een invalspoort voor ongenode gasten, waaronder wij een wetticistische dwanggeest en een verpsychologisering door de toepassing van de methoden der psychotechniek als mogelijkheden zouden willen noemen.

Ad 5. De zakelijk-feitelijke onderscheiding van begiftiging met geloof en het ontvangen van de Geest hebben we nu meermalen als belangrijk ontmoet. Hier wordt ons dan ook een belangrijke invalspoort geboden voor een kritische benadering. Is dit onderscheid schriftuurlijk te funderen?
Men kan het "interim" tussen Hemelvaart en Pinksteren niet aanvoeren als argument. In Hand. 2 : 22-35 wordt het gebeuren van de Pinksterdag zo duidelijk belicht vanuit Pasen (24-32) en Hemelvaart (34-35) en in het licht gesteld als de met Christus' verhoging samenhangende vervulling van Gods belofte (33), dat men er niet aan denken kàn het Pinkstergebeuren los te pellen uit zijn heilshistorische verbanden en het als het ware los te gaan verkopen! Wij zijn niet naar Pinksteren onderweg!
Zou men naar Hand. 8: 14-17 willen verwijzen om de onderscheiding van begiftiging met geloof en met de Geest te funderen, dan rukt men ook dit gegeven uit zijn kontekt. Wordt hier niet duidelijk gemarkeerd dat de Samaritanen die geloven behoren totde gemeente van Christus welke op de ene "petra" gebouwd wordt (Matth. 16: 18) ... een machtig getuigenis van de éénheid waarin noch jood noch samaritaan een apartheidspositie inneemt. Men vergelijke hiermee ook de merkwaardige omweg die in verband met Cornelius gevolgd wordt als de engel hem alleen maar vertelt dat hij Simon Petrus uit Joppe moet laten komen (Hand. 10 : 5).
De verwijzing naar Hand. 19 : 1-7 (de Johannes-discipelen) snijdt overduidelijk in eigen vlees. Men zie de verbazing bij Paulus: "Hebt gij de Heilige Geest ontvangen toen gij tot geloof kwaamt (!)?" ... "Waarin zijt gij dan gedoopt (!)?" ... Een evident verband geloof-Doop-Heilige Geest!
Ook in de Brieven is geen sprake van gemeenten of gemeenteleden die naar Pinksteren op weg zijn. De vermaning is met haar gebiedende wijs gebaseerd op de aantonende wijs van de gave Gods. .. een imperatief gegrond op de indikatief.
Juist omdat die opwaartse weg van geloof naar Geestvervulling niet gefundeerd kan worden op de Schrift wordt het betreden ervan door zulke grote gevaren bedreigd. In feite vertoont zich hier en treffende parallel ten opzichte van de zware bevindelijkheidsgodsdienst die van het (historische) geloof moet voortschrijden tot het schouwen van de Geest in het binnenste. Hoe zeer kan deze opzet leiden tot de wetticistische krampachtigheid waarin men zichzelf leeg maakt als vat voor de Geest of hoe men dat zou willen noemen! Vaak kan men de relatie van Pinkstergemeente en zware bevindelijkheidsgodsdienst vergelijken met die van waterdamp en ijs ... een beweeglijke en een bevroren toestand van één en dezelfde materie! Men hoort in alle enthousiaste geluiden nu eenmaal nooit het geluid van hen die in de Pinksterbeweging teleurgesteld zijn!
Een moderne vorm van het wetticisme neemt men waar in een methodische verpsychologisering, die vooral daar optreedt waar men de Charismatische Beweging een verbond laat aangaan met de oosterse methoden van kontemplatie en meditatie en waar men in een eindeloos herhalen van de Jezus-naam (het Jezus-gebed) de grens tussen waar gebed en zelfhypnose bedenkelijk nadert en, naar ik vrees, overschrijdt. De aansluiting van God bij het natuurlijk voorhandene betekent nog niet dat Mozes met een blaasbalg bij de Rode Zee gaat staan! Hier komt een synergisme tot stand met omkering van de orde.

6. De stelling dat de gemeente van nu over dezelfde buitengewone Geestesgaven moet kunnen beschikken als bijv. die van het oude Korinthe is te verwerpen'. Hier wordt de regering van Christus door zijn Geest op een soort starre monorail gezet, waarbij de Geest de gevangene wordt van zijn eigen uitingen en gaven. In feite levert een dergelijke stelling mijns inziens een soort charismatische pendant van de verheffing van het Leerambt bij Rome en van het Confessionalisme in de protestantse orthodoxie.

Ad 6. Kritiek op diverse gedachten van de Charismatische Beweging betekent nog niet een antwoord op de vraag naar de Geestesgaven in het algemeen. Deze vraag heeft met name zijn toespitsing op wat we dan graag de bizóndere gaven noemen: tongentaal, bekwaamheid tot genezen.
Komen deze gaven nog voor? Ik heb me proberen af te zetten tegen twee extreme stellingen. De eerste is deze, dat het voorkomen van alle genoemde gaven in alle tijden als het ware een "must" is. De oorspronkelijke Pinksterbeweging leefde in deze veronderstelling maar ook in de Charismatische Beweging hoort men vaak een dergelijk geluid. In de eerste plaats geeft Paulus niet de indruk een exakte katalogus te willen geven. Vervolgens is de rol die de charismata in de diverse brieven spelen uitermate verschillend (vgl. Kor. met de Pastoraalbrieven). Tenslotte laat Paulus in het vermelden van zijn eigen doorn-ervaring - 2 Kor. 12: 7-9 - en in het terloopse advies aan Timotheus - 1 Tim. 5 : 23 - doorkomen dat men de regering van Christus door zijn Geest niet in een simplistische charismataschematiek vangen kan. Dat de Geest "aan een ieder in het bizonder toedeelt gelijk Hij wil" (1 Kor. 12 : 11) houdt meer variatie en meer historische dimensionaliteit in zich besloten dan welk schema ook kan omvatten. Om een O.T.-parallel te gebruiken: naast de Exodusepisode met zijn wondervolheid is daar ook de meer versluierde Estherperiode.
De genoemde stelling maakt fragmenten van aanschouwing tot een vaste lijn van aanschouwing. Een groot gevaar omdat men ook op deze wijze de Geest gaat "invriezen" in zijn gaven en uitingen, zoals Rome de beloofde lei-ding door de Geest heeft ingevroren in het kerkelijk Leerambt en de protestantse orthodoxie de confessie wel heeft beschouwd als de kristallisatie van het leidingsproces! In al deze gevallen heeft de Geest de gestalte opgedrongen gekregen van "een koning die voor ons uittrekt"1 Sam. 8 : 5-7.

7. De stelling dat de Geest de kerk door zijn bizondere gaven door de eerste moeilijke tijd heeft heen geholpen maar dat Hij die bizondere hulp gestaakt heeft bij het klaarkomen en de verspreiding van het Nieuwe Testament bevat elementen, die men stellig niet mag verwaarlozen, maar is toch in zijn absoluutheid onaanvaardbaar. Ze is mijns inziens een zuivere còntra-stelling van de onder 6 genoemde … van dezelfde systematiserende signatuur … een tégenpool in één en het zelfde vak.

Ad. 7. De andere stelling die in behandeling komt is deze, dat de Geest na het tijdvak van de apostelen en van het gereedkomen van de Schrift in haar volheid zijn hulp door bizondere gaven zou hebben gestaakt. Deze stelling bevat terdege elementen die de overweging verdienen.
Allereerst kan men opmerken dat het O.T. ons leert dat na een periode waarin als het ware de stof voor het geloof wordt gegeven en verzameld een volgende periode aanbreekt waarin het geloven nadrukkelijker aan de orde komt in zijn werkzaamheid van gedenken, bewaren en verwachten. Men zie het boek Deut. (bijv. hfdst. 8) als een boek dat de overgang markeert. Mag men niet verwachten dat na de N.T.-begintijd met zijn evidente beklemtoning en bevestiging van de kern van het evangelie “Jezus is Heer” eveneens de periode van geloofsbeklemtoning (óó met de scherpe toespitsing op “niet-aanschouwen”) beheersend wordt?
Wijzen momenten als “het weggenomen worden van de bruidegom” (Matth. 9 : 15), “het niet-zien van één der dagen van de Zoon des mensen” (Luk. 17 : 22), “de weduwe-staat van de uitverkorenen”(Luk. 18 : 1-8) en vele andere niet op tijden waarin ook de fragmenten-van-aanschouwing zullen ontbreken?
Een tweede positief element in de aangevoerde stelling wil ik benaderen vanuit 1 Kor. 12 : 7 “Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen". De gemeente moet leren dat de gave van de enkele gelovige als een zegen voor háár moet worden ontvangen en niet in een individualistische geest jaloers moet worden benijd.
Heeft ook dit gegeven niet een historische dimensie? Hoe moeten wij de volheid van het N.T. lezen? In de geest van "Zij wèl, maar hoe zit het met ons?". Kennelijk niet. De gaven waren er voor ons, ons ten goede, ons ten zegen. Wij werden verrijkt met de verrijking van Korinthische gelovigen, zoals ook bijv. Stephanus voor ons de hemelen geopend mocht zien en ons bepaald niet bedoelt te brengen tot een drammerig "Hij wel.
En wij dan?". Wij vandaag moeten dus niet denken dat wij nu eens aan de beurt moeten komen. Dat zou het individualisme pur sang betekenen!
Wij zijn al aan de beurt geweest. Toch wil ik deze stelling in zijn absoluutheid al evenmin overnemen!
Zij bevat goede aanwijzingen maar vertilt zich aan óver-systematiseringl En zo aan binding van de Heilige Geest. Ook verliest zij zich door de nadruk op "Het Woord alleen" nogal eens in een onheldere dilemmatiek - zie Gal. 3 : 2 "Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet of van de prediking des geloofs?" (hetzelfde woord als in Hand.
19 : 2!). Niet dus: het bizondere tegenóver het Woord, maar: ... dóór en uit het Woord!
Ik zou erop willen wijzen, dat de tekenen van de Christus duidelijk hun plaats hebben als tekenen van het Koninkrijk in vervulling van de oude profetieën (Matth. 11 : 4-6). Toch leent dit gegeven zich niet voor een starre heilshistorische schematiek omdat in dat grote-lijnen-kader telkens zich weer aftekent de direktheid van gerichte ontferming en barmhartigheid - zie vooral Luk. 7 : 13. Hier is geen enkele tegenstrijdigheid maar wel de aanwijzing dat de grote heilshistorische lijn konkreet is in de direkte zorg voor elk der kleinen in hun konkrete behoeften. De stelling "Wij hebben nu de hele Schrift, dus het behoeft niet meer!" acht ik juist met de hier aangeduide verfijning-der-barmhartigheid in strijd. De Geest deelt toe gelijk Hij wil!

8. De gedachte dat de aard en de intensiteit van de verleende charismata mede in verband zou moeten worden gebracht met de religieus-kulturele horizon van de desbetreffende tijd en plaats verdient mijns inziens voorzichtige overweging.

Ad 8. Niet alleen de bijbel doorbreekt telkens weer onze systematiek, ook de konkrete situatie kan dat doen. Ik denk hier aan de kultureelreligieuze horizon waardoor tijd en plaats gemarkeerd wordt. Neem een volk als de indianen in het Amazonegebied: De naam Jezus is volledig onbekend. Het ganse leven is sakraal gebonden in banden van voorouderen afgodenverering. In zulk een omgeving komt - tegenwoordige tijd!het voltooide evangelie - voltooid deelwoord! - binnen. En mèt dat evangelie de Geest die op Pinksteren is uitgestort. De sakrale gebondenheid van het hele leven brengt mee, dat ook hier het vertrouwen gesteld wordt op de geneesmeesters of de Here! Zie 2 Kron. 16 : 12 (Asa). Is het ondenkbaar dat de Here in deze alles omvattende begin-situatie de afgoden aan de kaak stelt door zeer evident en direkt het werk van Heelmeester (Ex. 15 : 26) ter hand te nemen en zo het "Kurios is Christus" te beklemtonen? Men denke aan ervaringen als die van Betty Smith de "free lance voor God" in het Braziliaanse oerwoud. Is daar de situatie niet geheel anders dan bijv. bij ons die inderdaad de voltooide bijbel bezitten en die leven in een maatschappij die gedesakraliseerd is en de band tussen dokter en demon niet meer aanwezig acht? Ook hier wil ik niet klemvast spreken maar mogelijke lijnen aanwijzen in een geheel dat onze bevattingsvermogens te boven gaat.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief