ZELFLIEFDE (1)

1978-08-11
  • Jaargang 22
  • nummer 29
Wij leven in een psychologische tijd.
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat iedereen staat te dringen voor de deur van de psychiater. Zo bar is het heus niet. Wel wil ik daarmee wijzen op een mentaliteit: meer dan vroegere geslachten zijn wij met ons-zelf bezig. Wij hebben er ook de tijd voor.
Daarom is de vraag die ik boven dit artikel zette een eigentijdse vraag. Psychologen houden zich ermee bezig, gezien de titel van een van hun geschriften: "De kunst om jezelf lief te hebben" (van C. G. Osborne), maar ook een blad als Christianity Today wijdde er onlangs (5 mei 1978) een hoofdartikel aan. Nog wel van de hand van de bekende John Stott. Voor wie deze vraag werkelijk bezighoudt, mag ik wijzen op het bijzonder goede boekje hierover van Walter Trobisch "Leen mij je ogen" (Kok, Kampen, f 7,50), een boek dat zijn 3 rijksdaalders vele malen waard is. De antwoorden op deze vraag vallen in twee fronten uiteen. Enerzijds zijn er vele psychologen, die zeggen: natuurlijk moet een mens zich-zelf liefhebben. Voor sommigen van hen is het haast tot het eerste en grootste gebod geworden.
Zij zeggen: Het is ziek als een mens zichzelf niet liefheeft (Maslov en Fromm). Hiertegenover staat het haast puriteinse geluid van vele christenen zoals Watchman Nee, die zeggen dat een mens zichzelf voortdurend moet plaatsen onder het kruis. Als christen behoor je je eigen leven te haten.
Wie heeft gelijk: de psychiater of de puritein, Maslov of Watchman Nee?
Laten wij beginnen met de psychiater bij te vallen. Is het niet ziekelijk als wij aan ons-zelf een hekel hebben en ons-zelf niets waardig achten?
Wanneer iemand ons een compliment maakt, raken wij in verlegenheid of weren het af. Het màg in onze ogen eigenlijk niet dat wij er leuk uitzien of iets goeds presteren.
Een christen behoort gering over zichzelf te denken. Dus antwoorden wij: het was niets. .. of reageren kriegel of afwerend. Ik denk dat psychiaters gelijk hebben die erop wijzen dat wij die op die lijn maar een stapje verder behoeven te gaan of wij vallen in de psychische ziekte die met een moeilijk woord masorchisme wordt genoemd.
Een sadist is iemand die er behagen in schept de ander te pijnigen en te kwellen. De masorchist is iemand die er behagen in schept zichzelf te pijnigen en te kwellen. Ik heb er verscheidenen ontmoet die op de bovenkant van hun linkerhand lidtekens dragen van brandende sigarettenpeukjes die ze daarop hebben uitgedrukt. Er zijn mensen die zichzelf haten, omdat ze alles wat zij zelf doen en in zich voelen opkomen afschuwelijk vinden. Vaak komt dat doordat zij van jongsafaan door ouders of familieleden de grond ingeboord zijn en tenslotte door de ogen van hen die hen minachten zichzelf zijn gaan beschouwen. Wat een verdriet voor zulke mensen! Hoe belangrijk is het als zij medemensen ontmoeten die hun een ander beeld geven van zichzelf, die hen laten voelen dat zij mensen zijn die kostbaar zijn in de ogen van God en die daarom ook zichzelf mogen liefhebben.
Daarmee heb ik al een antwoord gegeven op de vraag boven dit artikel; ongemerkt is het mij uit de pen gegleden: zij moeten vrede leren vinden met zichzelf; hun zelfrespect en vreugde over eigen kunnen en voelen moet worden opgewekt; ze moeten leren zichzelf lief te hebben. Daarbij speelt de medemens en dat wat zijn ogen weerspiegelen een hoofdrol. De ander moet namelijk bevrijd worden uit een vicieuze cirkel. Dit beeld komt van Walter Trobisch, die zegt: vaak zitten wij in een vicieuze cirkel.
"Wij zijn niet in staat anderen lief te hebben omdat wij niet geleerd hebben onszelf lief te hebben. Wij kunnen niet leren onszelf lief te hebben omdat wij niet door anderen bemind worden of niet in staat zijn hun liefde te aanvaarden".
Maar anderen kunnen ons niet liefhebben omdat wij hen bewust of onbewust een lelijk beeld geven van ons-zelf enz. ("Leen mij je ogen" - blz. 21).
Hoe kan deze vicieuze cirkel doorbroken worden? Alleen doordat een 'wind van buitenaf' ons treft, zegt Trobisch. Iemand moet de cirkel van buitenaf doorbreken. Is dit nu juist niet het Evangelie: dat de cirkel is doorbroken? (Rom. 5:8) Moeten wij dat niet in onze ogen weerspiegelen? Leidt dat er niet toe dat wij op die basis ook onszelf mogen en zelfs moeten liefhebben?
Als Hij het deed, hebben wij dan niet alle reden om het ook ons-zelf te doen?
Hier stuiten wij op iets merkwaardigs.
Hoezeer het bovenstaande namelijk ook waar is, toch vinden wij in de Bijbel nergens met evenzoveel woorden de aansporing om ons-zelf lief te hebben.
Waarom niet?
Waarom lezen wij wèl: dat wij de ander moeten liefhebben omdat Christus voor hem gestorven is (1 Kor 8 : 11, Rom. 15 : 7) maar niet dat wij op deze basis ook onszelf moeten leren liefhebben?
Het antwoord is eenvoudig: de bijbel gaat ervan uit dat wij dat met het grootste gemak en als vanzelfsprekend töch wel doen. Iets wat een mens automatisch al genoeg doet - zelfs te veel doet - daar hoef je hem ook niet nog extra toe aan te sporen. D.w.z. de bijbel richt zich in haar spreken primair tot de psychisch-gezonde mens.
Zelfs het gebod: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" is niet een gebod dat ons beveelt om ons-zelf lief te hebben. Dan had er moeten staan: gij zult uw naaste en u-zelf op gelijke wijze liefhebben. Dat staat er niet; er staat: gij zult uw naaste liefhebben .. en om te weten hoever je daarin moet gaan, zegt de Schrift: ga daarin maar net zo ver als je je-zelf liefhebt. Dat wil zeggen dat de zelf-liefde wordt voorondersteld en als natuurlijk voorbeeld wordt gebruikt. De Here Jezus deed dat vaker. Zo lezen wij in de bergrede: alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hen evenzó! (Matth. 7: 12) Wij weten spontaan en direkt hoe wij zelf behandeld willen worden. Daar hebben wij niet veel moeite mee. Die spontane en directe en natuurlijke kennis moeten wij nu als standaard gebruiken voor onze omgang met de naaste: zo moeten wij nu hem behandelen. Ook hier vooronderstelt de Here Jezus dat wij een spontane en natuurlijke zelfliefde hebben. Op zich oordeelt de bijbel hier niet slecht over. Paulus zegt in Efeze 5: 29: niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het. Hij gebruikt dit als argument om de mannen extra aan te sporen hun vrouwen lief te hebben, omdat man en vrouw immers één zijn. Hieruit blijkt opnieuw dat de bijbel zelf-liefde vooronderstelt, en accepteert, ja zolang zij onder het grote gebod blijft staan en zolang zij ons dient als spontaan voorbeeld hoever wij moeten gaan in onze liefde tot de naaste. Maar nergens wordt deze zelfliefde geboden.
De vraag: moeten wij onszelf liefhebben als een gebod moet dan ook als vraag naar een bijbels gebod negatief worden beantwoord.
Neen, een gebod om ons-zelf lief te hebben, hebben wij niet. Evenmin als wij een gebod hebben om te eten en te drinken. Zo'n gebod is het intrappen van een open deur.
We doen het tóch wel. Daarom richt zich Gods gebod op het normeren van zulke spontane neigingen en behoeften. Eten en drinken: jezelf verzorgen en mooi maken, tevreden zijn over wat je gedaan hebt, blij zijn over de mogelijkheden die je hebt en de gaven die je sieren, dat is alles een goede en gezonde zaak zolang ze onderdeel zijn van een leven dat God liefheeft boven alles en dat met al deze gaven en mogelijkheden de naaste wil dienen.
Laat die gestalte in u zijn, zegt de apostel, die ook in Christus Jezus was die zich verheugde over het feit dat hij aan God gelijk was,en als Gods wijsheid mocht spelen voor Zijn aangezicht. Hij had geen hekel aan zichzelf en was zich van zijn gaven en rijkdom bewust. Toch heeft hij deze niet voor zichzelf gehouden als iets alleen voor zichzelf, om er zichzelf mee te behagen, maar heeft hij ze vrijwillig prijsgegeven om er de ander mee te dienen. Wat hij gewild zou hebben dat een barmhartig God hèm zou doen, als hij mens zou zijn geweest, dat heeft hij hèn gedaan. Niet uit masorchisme of zelfverachting, maar juist in hoog besef van eigen waarde. (Phil. 2) Dat besef van eigen waarde, in de juiste mate en in ware bescheidenheid, mag er zijn. Psychiaters zeggen ons vandaag: het möet er zijn. Anders ga je in een dodelijke spiraal steeds dieper de grond in. Wij vallen hen bij. Maar laten wij het geen zelfliefde noemen. Dat is te veel eer.
Noem het zelf-aanvaarding. De vraag aan de psychiaters is: hebt u er een basis voor? Kunt u de krachten die u losmaakt als u de mens stimuleert tot zelf-realisatie en zelf-actualisatie in de hand houden en op zijn juiste bescheiden plaats laten staan (nI. onder het dak van 'n leven in zelfovergave aan God en de naaste)? Kunt u dat zonder de bijbel en de leer van de mens als naar Gods beeld geschapen en zonder de kennis van Jezus Christus, die de ware mens is?
Maar die vragen aan de psychiater moeten ons er niet van weerhouden om ook de hand in eigen puriteinse boezem te steken en ons af te vragen of de nadruk op zelf-verloochening èn het kruis - en de noodzaak ons eigen leven te haten niet soms zo uit zijn evenwicht is geraakt dat het jongeren ieder gezond besef van eigen waarde als mensen naar Gods beeld geschapen ontnomen heeft.
Dat is Gods bedoeling niet geweest.
Misschien mogen wij Gods bedoeling juist wel zo onder woorden brengen dat hij niets liever wil dan alle mensen brengen tot het ware besef van hun hoge waarde, als gevallen Konings kinderen, waarbij beide woorden gelijke nadruk hebben: gevallen ja, maar ook: Koningskind.
Daarom is de vraag boven dit artikel een vreemde vraag. Even vreemd als de vraag: moeten wij eten en drinken? Voor gezonde mensen, ja meer nog voor mensen die van hun buik hun God maken is het een gevaarlijke vraag: als wij ja zeggen, gaan wij onze eetlust misschien wel met goddelijke machtiging tot in het absurde voortzetten.
Maar soms kan je tot een zieke moeten zeggen: als je niet eet en drinkt, ga je er totaal onderdoor.
Je mag, want de grote operatie tot herstel van je gezondheid is geslaagd.
Ja, je moet. De dokter wil het.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief